De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kenbaar en toch onbekend

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kenbaar en toch onbekend

9 minuten leestijd

In Hand. 17 : 23 wordt gesproken van het altaar voor den onbekenden God. Paulus maakte dit tot uitgangspunt van zijn prediking op den Areopagus. Dien God, dien gij niet kenne.nde dient, verkondig ik u. Hij wijst er op, dat deze God de Schepper is van hemel en aarde en dat Hij niet verre is van een iegelijk van ons.

Hebben wij een vorig maal gehandeld over de onkenbaarheid Gods, terwijl Hij toch gekend wordt, hier is aanleiding om over de tegenstelling te spreken : de gekende God een Onbekende.

Radicaal genomen gaat dit niet door. De Onbekende is niet ganschelijk onbekend. Onder alle volkeren wordt toch een zéker besef van de Godheid aangetroffen. Een besef is echter nog geen kennis. Wij weten in het gewone leven van het bestaan van vele menschen af en toch zullen wij niet zeggen, dat wij die allen kennen. De vraag : „Kent gij dien man ? '' bedoelt wat meer. Zij onderstelt een kennis van de persoonlijkheid, die men alleen kan deelachtig worden door persoonlijke betrekkingen en omgang. De kennis van onze medemenschen berust grootendeels ook op datgene, wat zij van zichzelf openbaren. Ook dan is die kennis nog zeer betrekkelijk. Een mensch kan zich anders voordoen dan hij is. En wij zijn geen kenners der harten. Wij kunnen iemands doen en laten verkeerd beoordeelen. Een stil en in zichzelf gekeerd mensch leert men moeilijker kennen dan een spontane en levendige natuur. Veeltijds krijgen wij later soms na zijn dood een geheel anderen blik op iemand. Zoo kunnen menschen, ja, bloedverwanten onder ons als vreemdelingen verkeeren. Maar wij kunnen ook zelf als vreemdelingen onzen weg gaan zonder op te merken wat van anderen kennelijk en openbaar is, omdat het ons niet treft of aanbelangt.

Geheel anders zou dat zijn in een wereld, welke door de zonde niet verdorven ware. De zonde heeft de heiligste banden gebroken en maakt scheiding tusschen den mensch en God. De geestelijke dingen gaan hem voorbij. Hoewel God zich openbaart, kan Hij toch een onbekende God zijn, kennelijk en toch niet gekend.

Dat is de toestand, welke onze aandacht vraagt. Hoe kan dat ?

Eensdeels werd het antwoord reeds gegeven : De zonde maakt scheiding tusschen ons en den levenden God. Doch ondanks de zonde heeft God Zich niet onbetuigd gehouden; Hij wil niet een onbekende, maar een gekende God zijn. Daarom heeft Hij den mensch geschapen en Zich aan hem geopenbaard, daarom zendt Hij Zijn dienaren uit, opdat Zijn Woord worde gepredikt in de gansche wereld.

Wanneer Hij toch een Onbekende blijft voor velen, heeft dat zijn oorzaak niet daarin, dat er geen openbaring is, maar in de conditie, waaronder een mensch bestaat. Deze wordt allereerst bepaald door het feit, dat hij een afhankelijk schepsel is. Die afhankelijkheid behoefde hem echter niet te berooven van de kennisse Gods. Immers daarin is het leven des menschen, dat hij God kent. Indien hij in zijn afhankelijkheid trouw ware gebleven aan het goddelijk gebod, zou hij zich verheugen in de gaven zijner roeping. De zonde echter heeft hem vervreemd van God en Zijn dienst, zoodat hij verkeert in een nacht van ellende.

De staat van afhankelijkheid, waarin de mensch als schepsel bestaat, betreft ook de kennis van God. Want wij menschen leeren elkander kennen in den omgang des levens. En zoo zullen wij den verhevenen God niet kennen, zoo daar geen levende betrekking is met God. De zondaar kan echter niet opklimmen in den hemel. Er zal geen levende betrekking tot stand komen, zoo de Heere niet zelf afdaalt tot den mensch en hem in zijn gevallen staat bezoekt om Zich aan hem bekend te maken en hem op te richten.

Het is niet genoeg, dat God Zich openbaart, zoo Zijn Woord niet ontvangen wordt en als een zaad valt in een toebereide aarde (gelijkenis van den zaaier).

Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen. Het Woord getuigt, dat het licht schijnt, ja, dat de Zoon het licht der wereld is. Aan deze waarheid worde dan ook niet getornd. Daar is licht. Het werpt zijn glansen over deze wereld uit. De genadezon is over haar opgegaan. Engelen hebben hun lied gezongen van het welbehagen des Heeren. Zij zijn de hemelsche verkondigers geweest van het Evangelie der genade : n.l. dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Ohristus de Heere in de stad Davids.

Dat Evangelie gaat door de wereld heen, predikende de zaligheid Gods in Christus Jezus: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Joh. 3 : 16).

Het licht schijnt in de duisternis en alom wordt het Woord der verzoening verkondigd. Dat Woord leeft en doet kracht, het is machtig tot bekeering van den weg des doods en tot kennis der zaligheid Gods. Dat is alles zoo en daaraan mag niet worden te kort gedaan.

Wij kunnen daarmede nog voortgaan en zingen van het heil, dat de wereld verheugt. De lofzang der genade zal het einde niet kunnen vinden in tijd en eeuwigheid en de verkondigers van goede boodschap zullen niet ophouden den rijkdom te vertolken, welke daar is in den Zaligmaker der wereld.

Maar, daar is nog een andere kant. Men kan den blinde verkondigen, dat de zon haar luister over de wereld uitgiet. Men kan hem spreken van de schoonheid, welke zij voor het oog ontdekt. Wellicht zal de blinde op zijn wijze daarvan iets verstaan, maar hij kan het niet zien. Eén blik in de werkelijkheid zou hem meer leeren dan lange redenen.

Die het licht heeft geschapen, heeft ook het oog gemaakt om te zien. Hij heeft het gezicht gegeven, zoodat het oog werkt. En nu wordt de geestelijke duisternis, waarin de mensch verkeert, vergeleken bij een oog, dat blind is en op het licht niet reageert. De Schrift spreekt van ontdekking, van een deksel, dat weggenomen moet worden. Dat is de andere kant der openbaring. Zal een mensch geestelijk zien en verstaan, dan is het noodig, dat hij een oog heeft om te zien en gezicht, zoodat het ook ziet.

Ook het oog en het gezicht, waarmede wij de aardsche dingen opmerken, is een gave Gods. Blindheid is vrij zeldzaam en de blinde wekt groote deernis op, omdat wij het gemis van het gezicht als iets zeer smartelijks gevoelen. De blinde man zet ons stil bij het grpote voorrecht, dat wij genieten, als wij zien. Maar overigens vinden wij het normaal en gewoon, dat een mensch ziet, en zien de gave Gods veelal voorbij.

De geestelijke blindheid daarentegen is zoo gewoon, dat wij daarover nauwelijks bekommerd zijn en smart gevoelen. Dat komt eerst, wanneer het oog der ziel geopend wordt en haar duisternis ontdekt. Doch ook dit is een gave Gods, een daad van Zijn Geest en een werk van openbaring in het binnenste, waaruit de Godskennis wordt geboren.

Dit stuk mag niet uit het oog worden verloren, of worden veronachtzaamd, omdat velen dit tot een oorkussen van geestelijke traagheid maken of in een valsche mystiek verzinken. Dergelijke dwialingen mogen echter geen grond zijn om de waarheid ten onder te houden. De Heilige Schrift is althans op dit punt niet onduidelijk. Ten stelligste stelt zij den eisch der wedergeboorte. (Joh. 3). Op de gelijkenis van den zaaier werd reeds de aandacht gevestigd. Zij laat duidelijk zien, dat de werking des Woords een zeer verschillende is. Al naar de conditie, waaronder het wordt ontvangen. Zij wijst alles, wat op een sacramenteele werking der prediking gelijkt, van de hand.

Jeremia 31, sprekende van het Nieuwe Verbond, wijst evenzeer op de innerlijke zijde van de Godsopenbaring. Ik zal Mijn wet in hun hart schrijven en zal die in hun binnenste geven. (vs. 32). De waarachtige Godskennis is een vrucht van den Heiligen Geest, die het licht in de ziel van Gods kind doet opgaan, waarom zij ook kinderen des lichts worden genoemd.

Ook de vrees, dat men van het bevindelijk leven een grond zal maken voor de werkelijkheid en zekerheid des geloofs, mag niet leiden tot miskenning van het geloofsleven. Dit geschiedt, helaas, en dat wel in strijd met de reformatorische leer, welke juist wil, dat het geloofsleven voortdurend worde getoetst aan die religie, welke ons in Gods Woord wordt voorgesteld. Hoe zal men echter weten, dat men het geloof in den God der Schriften deelachtig is, zoo men het leveii des geloofs derft ? Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. (Rom. 8 : 16). Zulk een getuigenis kan er niet zijn, zoo Gods Geest met onzen geest niet in gemeenschap treedt. Dit kan ook duidelijk worden verstaan uit het woord des Heeren : Wij zullen woning bij hem maken. (Joh. 14 : 23).

De inwoning des Heiligen Geestes is een voornaam stuk in het genadewerk Gods. En als Christus zegt, dat de Heilige Geest ons in de waarheid zal leiden, gaat dat geenszins buiten den mensch om.

Men moet dat dan ook niet in verkeerd licht stellen ten aanzien van de rechtvaardigmaking. Zeker valt alle nadruk op het vrij sprekende oordeel Gods om de verdiensten van Christus. De Heere ziet geen zonde in Jacob. Doch vrijspraak en vergeving der zonde maakt nog geen nieuwen mensch. De mensch, die door den eeuwigen Rechter is vrij gesproken, is daaromtrent onwetend en zal dat blijven, zoolang dit hem niet wordt geopenbaard. Tot dien tijd is hem onbekend, wie God jegens hem in Zijn groote genade is.

Wat troost kan een mensch hebben van een welbehagen Gods, dat voor hem verborgen is ? Paulus was een uitverkoren vat bij God, maar dat weerhield hem niet een vervolger der gemeente te zijn, zoolang hij geen kennis droeg van de hemelsche barmhartigheid, welke roemt tegen het oordeel.

Doch hij heeft dat geleerd door den Geest, die in alle waarheid leidt. Zoo wordt hij de prediker van de rechtvaardigheid, die uit het geloof is en niet uit de werken. En hij betuigt, dat de wet des Geestes des levens hem vrij gemaakt heeft van de wet der zonde en des doods. (Rom. 3 : 2). De wetenschap, dat in zijn vleesch geen goeds woont, neemt niet weg, dat hij ook deze kennis verkregen heeft door de inwoning des Geestes. En indien de Geest Desgenen, die Christus uit de dooden heeft opgewekt, in u woont, zoo zal Hij, Die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uw sterfelijk lichaam levend maken, door Zijnen Geest, die in u woont. (Rom. 8 : 11).

Zoo is het dan de Geest Gods, die levend maakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kenbaar en toch onbekend

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's