Uit de kerkelijke Pers.
Eenheid.--Toenadering-
Eenheid.
't Is al eenige weken geleden, sinds wij het hadden over eenheid op kerkelijk gebied. Dat wil echter geenszins zeggen, dat over deze aangelegenheid in de kerkelijke bladen niets zou zijn geschreven. Integendeel. Geen week ging er voorbij of iets was hierover wel te vinden. Alles weergeven gaat dan ook niet. Maar toch mogen we enkele stukjes onzen lezers niet langer onthouden. Niet, omdat wij er direct zooveel goed gevolg van verwachten, maar wel omdat dit gedeelte van de kerkelijke pers niet geheel verwaarloosd mag worden, terwijl dat toch juist weer niet zeggen wil, dat wij er iedere week de „Kerkelijke pers-kolommen" mee mogen vullen. Wanneer we nu een en ander nagaan, zullen we zien dat we waarlijk nog niet van vorderingen kunnen spreken. Wie zulks zeer sterk verwachtte, moet dan ook wel wat teleurgesteld zijn. Terwijl de meer bedachtzame overweging ons deed zeggen : bouw er nog geen torens op, zoo snel gaat het niet. Dit blijkt juist te zijn. Dit moet ook wel juist zijn. Aan haastig maakwerk hebben we niets. Aan revolutiebouw nog minder. Ook hier mag gesproken worden van een eenheid, welke moet worden geboren. Dat wil intusschen niet zeggen, dat we er nu maar wat slapjes ernst mee moeten maken. Het tegenovergestelde is waar. Er moet groote, diepe, heilige ernst mee worden gemaakt. Dit bewaart voor oppervlakkigheid en overdreven, optimisme. Dit bewaart tevens voor spreken zonder het „vraagstuk" aan alle kanten te hebben onderzocht en op zijn diepte te hebben gepeild. Dit drijft bovenal uit naar dien Christus, Die door Zijn Woord en Geest Zijn Kerk vergadert, beschermt en bewaart. Dit doet juist zoeken naar de openbaring van de waarachtige eenheid, welke er is in Hem. In „Tot de Wet en tot de Getuigenis", maandblad ter verbreiding van de aloude beginselen der Geref. leer, schrijft Ds Hennephof over de eenheid der gereformeerden. Naar de maatstaf — zoo merkt hij op — behoeft niet meer te worden gezocht. Deze maatstaf hebben wij in de Drie Formulieren van Eenigheid. „Deze formulieren, doch dan onverzwakt en onveranderd, zijn in den grond de eenigste en veiligste en afdoende grondslag, waarin en waarop een samenspreking op Breede basis begonnen kan worden. Geen kerkmuren, noch eigen meening mogen hier eenig bezwaar tegen inbrengen, maar de Nood der tijden vraagt hier wel van ons allen een offer". Er wordt dan op gewezen wat dit offer zal zijn. In verband met het opgemerkte over de basis van samenspreken, moet men geen offer verwachten in het prijsgeven van zijn beginsel, 't Wordt dan ook anders gezegd. Het offer is dan datgene, wat wij het onze noemen, los te laten. Hier worden wel vele moeilijkheden en gevaren gezien, maar er moet ook gebeden en gewerkt worden. En bidden is werken. „Niet in levietische zin, doch in kinderlijke vreeze en diepe afhankelijkheid van den Eenigen!'
We moeten hierbij niet gedreven worden door angst en vreeze, maar door ware behoefte aan eenheid. Tijd is er niet te verliezen, want de Rechter staat voor de deur. Eerlijk moet er met elkaar gesproken worden. In de Wachter wordt melding gemaakt van een voorstel van Bergen op Zoom, dat door de classis Tholen der Geref. Kerken werd aangenomen. Het voorstel luidde als volgt:
„De Raad der Geref. Kerk van Bergen op Zoom stelt aan de Classis Tholen voor, zich uit te spreken over de wenschelijkheid, plaatselijk toenadering te zoeken tot allen, die met ons staan op den bodem der Gereformeerde Belijdenis der Waarheid, om ook zoodoende de geboden eenheid der Geref. belijders in den lande, onder Gods zegen, tot tastbare werkelijkheid te maken". Hier gaat het dus over de plaatselijke toenadering dergenen, die van Gereformeerd belijden zijn.
Ds Chr. W. J. Teeuwen te Heerde heeft in de Geref. Geldersche Kerkbode ook iets ter overdenking geschreven —inmiddels in andere kerkelijke bladen overgenomen — in verband met kerkelijke vereeniging. Ds T. merkt dan op dat de oogst, die wijzelf gezaaid hebben, bitter is. Aan niemand moet in het bizonder de schuld gegeven worden. In polemiek en antipolemiek is gezaaid uit een geest, die maar weinig Godverheerlijkend was. Die theologische geschilpunten acht Ds T. zeker niet belangrijk genoeg, om daardoor een ontstane scheiding te bestendigen. Als we vragen over het Verbond willen beantwoorden, moeten wij met die vragen toch terugkeeren tot de Schrift. En Ds T. ziet in hem den broeder, die ernstig poogt met de Schrift in de hand tot een conclusie te komen. „Wij moeten elkander nemen van onze broederlijke zijde. Zijn er verschillen, dan is dat niet, omdat wij niet als broeders één zouden zijn, maar omdat de Schrift zelve op bepaalde gronden zijn gezaghebbend antwoord zich zóó m.aar niet ontwringen laat''.
In deze opmerkingen komt veel voor, waar we ons mee kunnen vereenigen. In bizonderen zin geldt dit van de maatstaf, die er is, en die bij de besprekingen moet worden gebruikt, n.l. de drie Formulieren van Eenigheid. Reeds meermalen is hierop ook in ons blad gewezen. Toenadering tusschen allen, die hierin hunne belijdenis hebben, is zeker geboden. Dr Terlaak Poot schrijft in het Weekblad van de Herv. Kerk : „Wij moeten niet willen beginnen met onze belijdenis te gaan beoordeelen; want hiertoe zijn wij als Kerk, na zoo langen tijd van onkerkelijk leven, niet in staat; maar om samen weer te luisteren naar deze belijdenis en ons te laten oordeelen door dat wezenlijke, oerchristelijke, profetisch-apostolische, op dat diepste en laatste van ons christelijk geloof, waaraan onze Kerk uiting gaf". We willen hieruit onderstrepen, dat wij naar die belijdenis hebben te luisteren en ons er door mooien laten oordeelen. Als dat eens geschiedde. Naar de beteekenis der belijdenis, naar wat deze werkelijk wil zijn, en zooals ze gehoord wil zijn. Als de belijdenis van Christus' Kerk, de belijdenis die nog steeds leeft in de harten der ware Christ-geloovigen. Vandaar is de eenheid niet maar een zaak van enkele vooraanstaande personen, neen, de gemeenten zelf zijn hierbij ten nauwste betrokken. De gemeenteleden moeten de beteekenis hiervan gaan beseffen. Dezer dagen ontving ik een schrijven van A. V. te G. betreffende deze aangelegenheden. Volgens dit schrijven komen die kerken dan voor hereeniging in aanmerking, die als belijdenis hébben de Drie Formulieren van Eenigheid. Eene generale synode zou dan samen geroepen moeten worden van alle kerken in Nederland, die deze formulieren hebben aangenomen. Op deze synode, waarop de Kerken naar grootte vertegenwoordigd moeten zijn, kan dan gesproken en overlegd worden aangaande de vragen de belijdenis betreffende. Met vereeniging door kunst- en vliegwerk zijn wij niet gebaat. Vereeniging moet groeien onder den zegen des Heeren. Dit sluit echter niet uit: naar elkaar toewerken en gezamenlijk de weg zoeken tot heeling der breuk.
Voorgesteld wordt dan : Zoo'n „generale Synode om de drie jaar met behoud van de zelfstandigheid der afzonderlijke kerken. Predikanten kunnen het Woord bedienen in andere kerken als de kerkeraad hierop prijs stelt. Predikanten kunnen naar andere kerken overgaan, na onderzoek door instanties, door de Kerk aan te wijzen.
Leden gaan over naar een andere Kerk door een attest, af te geven door de plaatselijke kerkeraad. Dit alles moet dan geschieden op de bodem der belijdenis. — Tot zoover de brief. Ik gaf hieraan eenige ruimte om deze stem te laten hooren, een stem uit het midden der gemeente. Dit is een bewijs, dat deze belangrijke zaak ook in de gemeente de aandacht in beslag neemt en tot denken brengt. We gaan in deze kolommen geen bespreking van dit schrijven geven. Wèl willen we echter wijzen op wat reeds eerder opgemerkt is, dat de maatstaf is : de drie formulieren van eenigheid. Hierbij blijft natuurlijk steeds appèl open op de Heilige Schrift. Bij alle vereenigingspogingen hebben we dit te bedenken. Dan begrijpen we óók wel, dat er van
Toenadering
tusschen „rechts" en „links" niets kan komen, wanneer men daaronder wil verstaan dat „rechts'' een plaats gaat inruimen voor de linksche belijdenis en leer. Wij verstaan dan hier „rechts" als instemmend met de drie formulieren van eenigheid. Van de Gereformeerden althans heeft men een dergelijke toenadering niet te wachten. En „links" zal dit volkomen kunnen verstaan. Een soort compromis is hier onbestaanbaar. Den laatsten tijd is er nog wel eens op gewezen of hier niet eenige toenadering viel te bespeuren of zou kunnen komen. Wellicht zijn er „rechtsche" kringen, die hiervoor gevoelen. In een artikel in Kerk en Wereld bespreekt K. A. Beversluis het gebeurde te Sneek, Enkhuizen, Hengelo. Te Sneek gingen de rechtzinnigen niet in op een verzoek der vrijzinnigen om bij de verkiezing gezamenlijk één lijst in te dienen, door b.v. de drie vacatures voor één jaar ditmaal aan de Vrijz. Herv. af te staan. B. voegt er aan toe dat de afwijzing geschiedde tot meerdere eer en glorie van de Kerk van Christus zeker. Te Enkhuizen werd wèl een overeenkomst getroffen tusschen de Vrijz. meerderheid en de Rechtz. minderheid. „Nogal te begrijpen zult ge zeggen. Waar de rechtzinnigen voordeel hebben bij een regeling, omdat zij tot de minderheid behooren, zijn ze er wèl voor te vinden, maar vraag eens wat er gebeurt, als zij de meerderheid hebben". Hiertegenover kan dan — volgens B. gelukkig een „verheugend'' feit worden gesteld. „Een voorbeeld hoe de nood van deze tijd bindend werken kan en oude tegenstellingen kan doen overbruggen." Het geval Hengelo. Hier is door de Kerkeraad de Vrijz. voorganger Ds Melchers in kerkelijk verband aangesteld. In 1940 zou geen verkiezingsstrijd gehouden worden. Er zou op worden aangedrongen door rechtzinnigen en vrijzinnigen dat Vrijzinnige leden in den Kerkeraad worden benoemd en herbenoemd.
Dit brengt B. tot de uitroep : „Goddank, dat toch ergens merkbaar is, dat de Kerk niet onbewogen is onder de storm, die over de wereld gaat. Dit zijn van die dingen, waardoor wij niet wanhopen aan de toekomst van onze Kerk." 't Zal ook hier wel zoo zijn dat, wat de één verblijdend vindt een ander bedroevend vindt. In elk geval zullen wij de toekomst der Kerk niet rooskleurig inzien wanneer allerlei leer ongehinderd in één en dezelfde Kerk kan worden uitgedragen.
Dat is ten eenenmale in strijd met het wezen der Kerk, met de opdracht die zij van haar Koning ontving. Maar — hebben wij het dan allen niet over de Kerk van Christus ? Over Christus ? Over wat Hij voor ons is ? Inderdaad. Dat geschiedt van links naar rechts.
Maar, dan zijn we het eens met wat Dr Bleeker tegen Ds v. d. Laar Krafft opmerkt in Kerk en Wereld. Ds v. d. Laar Krafft heeft gezegd :
Christus is ons alles. Dit noemt Dr Bleeker een stichtelijke dooddoener, wanneer men met zulk een verzekering een theologisch geschilpunt, een richtingskwestie wil oplossen. In deze verzekering op zichzelf ligt de zwarigheid niet. Allen kunnen dit wel beamen. Maar — de zwarigheid begint pas. bij de interpretatie van dit geloofsbeginsel. Dan gaan de richtingen uiteen. De geschiedenis van Kerk en theologie bewijst dit.
Dit is inderdaad zoo. Links en rechts spreken over Christus.
Vrijzinnig en rechtzinnig in allerlei schakeering hebben het over Hem.
Maar — wat is Hij ons ? Hoe zien we Hem ? En vermeerder de vragen maar. Zoo wordt tegenwoordig zelfs „Schrift en belijdenis" ook al een stichtelijke dooddoener. Men hoort het verkondigen : Wel, we hebben geen bezwaar om te zeggen dat er geoordeeld moet worden naar Schrift en belijdenis. Maar, hoe zit dat nu. We zijn toch geen kinderen meer ? Toch ook geen vreemdelingen in Jeruzalem.? Daarom klare wijn schenken. Eerlijk zeggen hoe we er over denken. Geen eenheid willen maken door met formules te werken die we geheel verschillend interpreteeren. Óok niet de smalste basis opzoeken om dan een breed terrein elkaar te laten, waarop ieder kan doen en laten wat hij zelf goed acht. Dus geen samenkomsten met als basis de 12 artikelen. Dat is wel erg mooi, als men van zoo'n samenkomst leest. Dat vinden zelfs de Roomschen mooi. Dan wordt Christus beleden en wordt Maria genoemd. Daarin verblijdt zich de Roomsch- Katholieke. Waarom hen dan ook niet tot de eenheid uitgenoodigd ? Zoo geeft men de drie formulieren van eenigheid prijs!! Zoo komt men tot verloochening van hoofdwaarheden in de Schrift ons geleerd ! Ds Knap schrijft wel in zijn Catechismus dat wij dankbaar zijn, dat er in de Twaalf Artikelen een band van gemeenschap tusschen bijna alle Kerken ligt, als een, zij het zwakke, herinnering, dat het lichaam van Christus, jammerlijk verdeeld, in den diepsten grond niettemin één is. Maar anderzijds wordt opgemerkt en we doen wél daarop te letten : „De onderscheiden gezindten......... liepen in de uitlegging der artikelen grootelijks uiteen. Zoo was het niet in de eerste plaats eene intellectueele behoefte, maar een levensvoorwaarde voor de gemeente om zich in uitvoeriger belijdenisschriften op elk hier aangestipt stuk breeder te verklaren. De eisch, die meermalen gehoord wordt, om alle breeder belijdenis vervallen te verklaren, en saam op de Twaalf artikelen terug te gaan, getuigt van zeldzame naïveteit. Hij staat gelijk met het prijsgeven van een winst, die door eeuwen-lange geestesworsteling verworven werd, om weder van voren af aan té beginnen en straks den strijd natuurlijk opnieuw door te maken. Een stuk historie is niet zonder schade uit te wisschen. De kindertrekken, die de gemeente eens heeft gedragen, zijn thans mannelijke lijnen geworden, en het terugloopen naar het verleden is het plaatsen van een kinder-gezicht op volwassen schouders.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's