Voorbeschikking en verantwoordelijkheid
Voor vele menschen schijnt de gedachte alleen aan de praedestinatie een ergernis en een aanleiding om minder sympathieke gevoelens te uiten tegenover hen, die deze leer aanhangen.
Een argument, dat telkens weer terugkomt, wordt in de afstomping van het besef van verantwoordelijkheid gevonden, welke daardoor zou worden bevorderd.
Nu moet voorop worden toegegeven, dat de ergernis en het vooroordeel veelal voortkomen uit een oppervlakkig inzicht, dat in de leer der voorbeschikking niet anders dan een soort fatalisme kan zien. Men komt dan in conflict met de wilsvrijheid en de verantwoordelijkheid, voor welke in dien gedachtengang geen ruimte is.
Inderdaad is dit een vraagstuk, dat aan de wijsbegeerte van ouds vele zorgen heeft gebaard. Want, hoe men nu over de praedestinatie heeft te oordeelen, blijve in het midden, de denkende rede komt altoos weer uit bij haar eigen grondstelling, dat alle dingen naar een bepaalde orde verloopen. Op alle gebied tracht de wetenschap regelmaat en wetmatigheid in het geschieden te ontdekken, ook op het terrein van het menschelijk leven.
Zij gaat van de onderstelling uit, dat er zulk een verband en orde der dingen is. In het algemeen kan men zeggen, dat men dat verband streng causaal en noodwendig neemt, al is het ook waar, dat het onderzoek ook hier tot ontdekkingen leidt, die op dit punt nieuwe vragen doen opwerpen. Ons gansche leven vertoont echter de duidelijkste aanwijzingen, dat wij stilzwijgend zekere orde en regelmaat aannemen. De ploeger bereidt den akker en zaait zijn graan in de verwachting van den zomer, die hem den oogst bereidt. Zeg, dat hij dat doet in het geioof, wijl hij weet, dat Gods Verbond niet faalt, waarbij Hij heeft toegezegd de ordeningen des hemels te onderhouden, zoo wordt daardoor bevestigd, dat die ordeningen er zijn. (Gen. 8 : 21 en 22).
De zon is gesteld tot een licht des daags en de maan tot een licht des nachts. Daarin is de wisseling van dag en nacht gegeven als een goddelijke orde. Voor zoover de mensch de ordeningen des hemels verstaat, kan hij zijn kalender aanvullen met de tijden van opgang en ondergang, met opgave van te verwachten verduisteringen van zon en maan en op welk gedeelte der aarde die kunnen worden waargenomen. Evenals in de groote wereldruimte ontdekt de onderzoeker ook ordeningen in de wereld van het zeer kleine, in de innerlijke bewegingen der stof. En overal, waar hij die orde ontdekt, tracht hij haar te bepalen en te formuleeren.
De gedachte, dat de dingen noodwendig geschieden, zooals zij geschieden, en alle tezamen een innerlijken saamhang vertoonen, is niet ongerijmd, maar veeleer gewoon en voor de hand Hggend. Men zal dat ten aanzien van de „natuur" ook wel toegeven, omdat dit al te zeer door de dagelijksche ervaring schijnt te worden bevestigd. Zooals gezegd, in menig opzicht is ons leven daarop ingesteld en onze menschelijke voorzienigheid — als ik dat zoo mag uitdrukken rekent daarmede, zoowel in den zin van toepassing als afweer. Wij nemen maatregelen, opdat dit of dat zal geschieden of om te voorkomen, dat zulks geschiedt. Bij onze alledaagsche ervaringskennis en in de practijk van ons werk en bedrijf voegen wij ons veel meer dan wij vaak bewust zijn naar de orde der dingen.
Dat is toch alles geheel iets anders dan de praedestinatie, zal iemand zeggen. Strikt genomen, ja! Want deze heeft betrekking op den eeuwigen staat van den mensch.
In de theologie verstaat men onder de praedestinatie het eeuwig besluit van God, waardoor Hij bij Zichzelf heeft bepaald, wat Hij aangaande een iegelijken mensch wilde, dat zou geschieden. Want allen zijn niet onder gelijke conditie geschapen: den een is het eeuwige leven, den ander het eeuwige oordeel beschoren (Calvijn, Inst. III, 21, 5).
Dat is voor vele menschen het moeilijke stuk.
Alvorens daarop verder in te gaan, keeren wij terug naar de orde. Wij zullen dan zien, dat die toch wel iets met den grond der praedestinatie te doen heeft.
Tot dusver spraken wij van de orde in de natuur, of de natuurlijke orde der dingen.
Waar houdt nu de natuurorde op ? Want de menschen willen ruimte maken voor de vrijheid en verantwoordelijkheid.
Waar zal men dan de natuurlijke orde laten ophouden en de vrijheid doen beginnen ?
Bij den mensch, wellicht.
Welnu, dan letten wij eerst op het feit, dat iemand, die een ander in zijn dienst neemt, van te voren informeert, hoe deze zich bij anderen heeft gedragen. Eerlijkheid, eerbaarheid, ijver en bekwaamheid zijn dan zeer geliefde eigenschappen.
Waarom vertrouwt men er op, dat iemand, die bij anderen zich wèl heeft gedragen, dat ook bij ons zal doen ? In den grond der zaak toch ook, omdat men een zekere orde in het leven der menschen aanneemt.
Nog eens, waar vangt dan de vrijheid aan?
In het redelijke zeker niet, want het redevermogen richt zich allereerst op de orde der dingen.
In het zedelijke ? En men neemt aan, dat iemand, die zich zedelijk wèlgedragen heeft, dat ook verder zal blijven doen.
In het gevoel misschien ?
Wat het lichamelijke aangaat zeker niet, want niemand zal weerspreken, dat het lichaam zijn eigen ordeningen heeft.
Over het zedelijk gevoel werd reeds gesproken. De onderscheiding van goed en kwaad is algemeen. En zoo is het ook met het schoonheidsgevoel. Hoezeer de smaak moge verschillen. Daar is toch een onderscheiding van schoon en leelijk. Ook het schoone heeft zijn orde.
Wat de een echter schoon vindt, behoeft de ander niet zoo te waardeeren. En wat de een in een bepaald geval goed noemt, wordt door een ander veroordeeld.
De een kiest voor dit, de ander voor wat anders.
Daar is dus toch wel vrijheid.
Wij komen aan den wil.
De vrijheid van den wil en daarmede in verband de verantwoordelijkheid. Ziedaar het vraagstuk.
Indien alles naar een vaste orde verloopt, hoe staat men dan tegenover de vrijheid van willen en handelen ? Hoe kan een mensch verantwoordelijk zijn voor zijn daden ?
Deze vraag heeft evenzeer betrekking op de dingen van het dagelijksche leven als op de eeuwigheid. Kan men den mensch in de saamleving tegenover de menschen verantwoordelijk stellen voor zijn doen en laten en hoe verschijnt dit vraagstuk in het licht der eeuwigheid ?
De practijk geeft een tweeledig antwoord. De gezonde levensopvatting stelt den mensch verantwoordelijk, maar daar zijn ook leeringen, die daarvan afwijken en het misdrijf willen toeschrijven aan de omstandigheden, aan erfelijke belasting, ziekte enz. Zoo is het ook op het terrein van den godsdienst. Er is een vermanen, dat zich richt op, de verantwoordelijkheid en er wordt een lijdelijkheid aangetroffen, die aan onverschilligheid doet denken.
Eenerzijds alzoo een door leven in de gedachte, dat het toch alles is bepaald en naar een vaste orde verloopt, anderzijds een beroep op de verantwoordelijkheid. Die beide komen om hun rechten vragen en men kan het een zoo min als het andere negeeren, zonder een hopelooze verwarring te stichten,
Hoe nu ?
De eerste vraag die ons eenigermate op weg helpen kan is deze: Vanwaar komt de orde ?
Hebben wij hier van doen met een blinde noodwendigheid ? Het is nu eenmaal zoo, omdat het zoo is ? Indien men het zoo stelt, dan is het een ongerijmdheid aan eenige vrijheid en verantwoordelijkheid te denken. Zelfs de gedachte daaraan is vreemd en onverklaarbaar.
Zij die zulk een blinde noodwendigheid hebben aangenomen, kunnen dezen knoop niet ontwarren.
Doch alweer vragen wij : Vanwaar dan die blinde noodwendigheid ?
Men kan hierop niet antwoorden : het is noodwendig, omdat het noodwendig is. Noodwendigheid kan nooit de laatste grond van de noodwendigheid der ordeningen zijn. Wat noodwendig is, is altijd afhankelijk en dus betrekkelijk. Zonder eenig verband en zonder onderlinge betrekkingen, hebben wij geen begrip van noodwendigheid. Noodwendigheid is slechts een menschelijk begrip. En niemand kan uit de orde der'wereld opmaken, dat deze noodwendig zoo moet zijn, gelijk zij is.
De vraag: Vanwaar en waarom blijft open.
Volkomen terecht heeft Calvijn er op gewezen, dat er tweeërlei noodzakelijkheid is: t.w. de noodwendigheid, welke wij in het verband der dingen opmerken. Deze betreft dus de orde. waarover werd gesproken.
Maar daarnaast en daarboven wijst Calvijn er op, dat de dingen naar bepaalde orde verloopen, omdat God het zoo wil. De dingen geschieden, zooals zij geschieden, omdat God het zoo wil.
De laatste grond der noodwendigheid ligt in het welbehagen Gods, die de ordeningen der wereld bepaalt en door Zijn Voorzienigheid onderhoudt.
Zoo voert ons de orde der wereld op tot den Schepper van hemel en aarde, in Wiens souvereinen wil de orde en gestalte der dingen hun eenigen grond en oorsprong vinden.
God is geen God van verwarring (1 Cor. 14 : 33) en zou men dan meenen, dat dezelfde God, die de ordeningen des hemels bepaalt en in stand houdt door Zijn voortdurende zorg, geen ordeningen in het leven der menschheid zou hebben gegeven ? Zou de eeuwige bestemming des menschen niet aan de orde van Zijn goddelijke bepalingen onderworpen zijn ?
Wij weten, dat Hij de plaats onzer inwoning op aarde bepaalt (Hand. 17 : 26), veelmeer zal onze eeuwige woonstede en plaats in het huis des Vaders door Zijn welbehagen bestemd zijn. De Heilige Schrift geeft daaromtrent dan ook geen onzeker geluid, zoodat de Schriftgeloovige niet twijfelt aan haar klaar en duidelijk getuigenis in deze zaak.
Het gaat hier niet om een leer van Calvijn, alsof deze maar iets had uitgedacht, dat eigenlijk niet door het Woord wordt geleerd, maar hij geeft Go de de eer, welke Hij Zich in Zijn Woord toeschrijft. Wie zich daartegen verzet, moge bedenken, dat hij niet de leer van een menschenkind, maar Gods waarheid veroordeelt.
Niemand kan ook op goeden grond beweren, dat Calvijn aan de verantwoordelijkheid van den mensch te kort doet. Integendeel zal men moeten toegeven, dat hij veelvuldig op de vermaningen en bestraffingen van Gods Woord wijst en ook zelf aanhoudt in het vermanen en bestraffen.
Dit zou een ijdele waan zijn, indien hij meende, dat de goddelijke waarheid omtrent de verkiezing en verwerping des menschen verantwoordelijkheid zou te niet doen.
De ordeningen des levens toch nemen onze verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor onze daden niet weg, maar verscherpen die in menig opzicht nog. Indien door gevolgen, die wij hadden kunnen voorzien en trachten te voorkomen, iemand getroffen wordt en schade lijdt, is onze schuld en aansprakelijkheid te meerder, omdat wij het geweten hebben en iets hadden kuunen doen of nalaten. De zedelijke orde wordt niet weggenomen of in de schaduw gesteld door de ordeningen van hemel en aarde, en zoo wordt zij ook niet verijdeld door de goddelijke beschikkingen betreffende het eeuwige leven.
Des menschen schuld en verantwoordelijkheid vindt haar grond in het wezen van den mensch. Temidden van alle ordeningen Gods is hij als een zedelijk wezen geschapen en zal hij als zedelijk wezen zijn bestemming bereiken.
De mensch kan zijn zedelijk wezen niet uitschudden. Hij kan wel in strijd daarmede handelen. Hij kan het kwade doen en het goede nalaten, hij kan onzedelijk handelen en in conflict geraken met zijn wezen, maar hij kan dat alleen, omdat hij als zedelijk wezen bestaat.
En, indien hij daarmede in strijd handelt, wederstaat hij den wil van God en zondigt tegen Zijn verheven Majesteit, zoodat hij schuldig staat tegenover zijn Schepper en zijn eigen levens wet.
Er is voor hem geen vrijspraak of ontvluchting van het oordeel, als hij een beroep doet op de goddelijke voorbeschikking en voorzienigheid, zeggende, dat het alles toch alzoo moest geschieden. Want ook in deze miskenning van zijn wezen zondigt hij tegen God, die hem alzoo geschapen heeft. Hij zou misschien willen volharden in zijn boosheid en tot zijn verontschuldiging aanvoeren, dat ook zijn onverschilligheid in Gods beschikking ligt, doch ook deze uitvlucht is in strijd met zijn zedelijke roeping en met de religieuszedelijke verhouding, waarin hij tegenover God staat. Hij zal zich ook daarover hebben te verantwoorden voor den God des levens en niet vrij uitgaan. Want hij zal geoordeeld worden om den zedelijken staat, waarin hij voor God en de menschen verkeert.
En in deze conditie staan allen voor God gelijk, daar zij allen gezondigd hebben en derven de heerlijkheid Gods, zoodat zij allen geoordeeld zijn. Vanwege onze zonde verkeeren wij onder het oordeel. Daarin is een verkrachting van onze levenswet, die tegen ons zelf getuigen zal in het gericht Gods. De wet, die ons ten leven is gegeven, is ons ten doode geworden.
Zoo gaat de religieus-zedelijke ordinantie Gods boven het beroep op de ordeningen uit en blijft alleen het beroep op Zijn eeuwige ontferming in Christus Jezus.
Wie gezondigd heeft, is een kind der ongerechtigheid en ligt voor zijn eigen rekening en verantwoording. Vergeefs zal hij zoeken de verantwoordelijkheid, die bij den mensch ligt, op God te schuiven. Doch wat bij den mensch onmogelijk is, is mogelijk bij God. Geen afschuiven der verantwoordelijkheid leidt tot den eeuwigen vrede. Maar Christus is ter Zijner tijd voor de zonde gestorven, als wij nog zondaars waren. In Christus heeft Hij Zijn barmhartigheid bewezen, die de rekening van Zijn volk op Zich genomen heeft als een eenige Hoogepriester en Middelaar, om verzoening te weeg te brengen.
En in stede van ons te verontschuldigen in een verkeerden zin en te volharden in een onbekeerlijken wandel, worden wij vermaand en geroepen door het Evangelie Zijner genade, opdat wij Hem zouden zoeken en leven. Want zoovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's