Uit de kerkelijke Pers.
De schuldvraag--Een boete- en bededag.
De schuldvraag.
In 't oog van anderen voldoende schuld op zich nemen is niet maar zoo een, twee, drie in orde. Afgezien nog van het feit, dat persoonlijk schuld belijden al een heel ding is. Wij schuiven gaarne het verkeerde, 't welk werd bedreven, op anderer rekening. Ook daarin betoonen we ons kinderen van Adam. Maar ook al bekennen we dan schuid in de een of andere zaak, dan wil dat nog niet zeggen dat anderen, die bij dezelfde zaak belang hebben, tevreden zijn met het aandeel van de schuld, dat wij voor onze rekening namen. Dit geldt op ieder gebied, ook op kerkdijk terrein. Daar is al héél wat gesproken en geschreven over de schuid aan de afscheiding, de doleantie enz. Telkens en telkens weer komt de schuldvraag hier opduiken. Hier hadden deze ongelijk, daar gene. Bij de afscheiding- en doleantieherdenking is menig woord hieraan gewijd. Menig woord aan beide zijden, om vast te steilen dat de hoofdschuld rust bij de andere zijde en dat men zichzelf meende te kunnen rei hts vaardigen. Veel verder is men hiermee niet gekomen. In eigen meening werd men meer en meer versterkt en van eenige toenadering was op deze wijze geen sprake. Tot voor kort de wind uit een andere hoek begon te waaien. Of was het meer schijn? Uitspraken werden vernomen als volgt : „Niet de schuld aan een bepaalde zijde zoeken. Allen schuld bekennen. We moeten gemeenschappelijk schuld belijden. Zoo alleen kan het tot eenheid komen''. Toch komt onvermijdelijk, bij het spreken van schuld, de vraag naar voren : welke schuld moet dan worden beleden ? In welk opzicht dwaalden wij ? Vragen, welke op zichzelf in 't geheel niet verwerpedjk zijn. Maar die er op haar beurt weer toe kunnen leiden dat men wederzijds over het gegeven antwoord niet tevreden is. 't Is gemakkelijk genoeg om te zeggen : 't is met de eenheid der Kerk niet in orde. 't Is toch schande dat er wel ongeveer een tiental kerkformaties zijn, die allen de naam Gereformeerd dragen., 't Moest toch anders zijn. Maar, als we dan gaan vragen: hoe komen al die kerken en kerkjes er, dan komen we vanzelf ook bij de schuldvraag. Dit blijkt ook uit een artikel van Dr J. Ch. Kr. in de Geref. Kerk. Hij wijst — in antwoord op wat Prof. Kuyper in de Heraut schreef — op het feit, dat de eene Kerk van Christus zich niet openbaart als de eene algemeene (Katholieke) wereldkerk. In haar openbaring is zij uiteengescheurd in een veelheid van kerken. Bij de hervorming kwam de breuk doordat volgens de reformatoren de Roomsche Kerk bleef volharden bij haar deformatie, haar misvorming. De kerken der reformatie brengen nu echter ook de eenheid van Christus' Kerk niet tot openbaring.
In wezen moge er Gereformeerde Katholiciteit bestaan, in werkelijkheid vertoont ze zich niet. Dat er meer dan 11 soorten „Gereformeerd" zijn, wordt gezien als een kwaad. Vandaar de vraag: kan die scheur niet worden geheeld ? Wat is de oorzaak van deze verscheuring ? Een kwaal wordt genezen, door de oorzaak weg te nemen. In 't bizonder wordt dan gelet op de scheur tusschen de „Hervormde" Kerk en de „Gereformeerde Kerken". En nu raakt Dr Kr. ook de schuldvraag aan. Hij merkt daarbij o.a. het volgende op : „Nu geloof ik, dat we in deze niet verder komen door wederkeerig verwijt. Prof. H. Kuyper spreekt van een „oratio pro domo", die ik hield ; op z'n Hollandsch gezegd een pleitrede om „eigen huis" geheel vrij te pleiten van alle schuld en die dan te werpen op het huis van een ander". Dr Kr. merkt echter op, dat dit geenszins zijne bedoeling was. „Veeleer dit: Wij onzerzijds erkennen telkens weer : „bij ons is schuld". Wat is anders de zin van ons gedurig roepen om kerkherstel, — dat onze Kerk toch, aflatende van alle dubbelzinnigheid, overeenkomstig Schrift en Confessie haar eenig Hoofd belijde en gehoorzame. Ook als wij allerlei praktijk van synode en kerkbesturen in de dagen van afscheiding en doleantie afkeuren, erkennen we dit als mede onze schuld". Maar nu wil Dr Kr. ook wat van de „Gereformeerden". We zouden zeggen : 't kan niet van één kant komen ! Ook gij moet in de schuld. Dit kunnen we vanzelf alléén zeggen als we bij anderen ook waarlijk schuld zien. Luister hoe Dr Kr. deze schuld dan ziet.
„Slechts zeggen we tot de „Gereformeerden" : Schuld der scheuring is er niet alleen bij ons, maar ook bij u! Wil de weg tot heeling der breuken recht zijn gebaand, dan moet er zijn erkentenis van schuld bij ons én ook bij u. Niet wanneer de eene „partij", als ware ze zelf schuldeloos, de andere haar schuld verwijt, maar wanneer beide „partijen" elkaar in ootmoedigheid voor Gods aangezicht ontmoeten, één, allereerst in gemeenschappelijke schuldbelijdenis, dan kan er hoop op hereeniging zijn. Dr Kr. ziet als schuld aan de zijde der Hervormden het niet handhaven der belijdenis. En hij ziet als schuld aan de zijde der „Gereformeerden" het handhaven der belijdenis op een verkeerde wijze. Hiermee wordt dan bedoeld zulk een handhaven der belijdenis, waarbij die belijdenis op één lijn gesteld wordt met Gods Woord. Niet Gods Woord, maar de belijdenis feitelijk, losgemaakt van Gods Woord, wordt dan vooropgesteld. Deze schuld aan de zijde der doleantie wordt echter door Prof. Kuyper ontkend. Deze schreef hierover : „Dr Kromsigt, die een trouw volgeling van Dr Hoedemaker is, en er voorts op wijst, dat volgens dezen dit noodlottig vooropstellen der belijdenis de oorzaak was, dat de doleantie in kerkverscheuring verliep en daarentegen den weg van reorganisatie aanwees als den weg tot ontkoming aan die kerkverscheuring, een reorganisatie, waardoor niet onze belijdenis, maar Gods Woord voorop wordt gesteld, kunnen we verder laten rusten als een oratio pro domo". Vlgs. Dr Kr. mag Prof. Kuyper dit echter zoo niet laten rusten, omdat met de feiten de waarheid hiervan kan worden aangetoond, „'t Moge dan aan te toonen zijn dat de theorie omtrent het beroep op Gods Woord bij Dr A. Kuyper juist was, wij meenen, dat het ook aan te toonen is, dat de doleantie-practijk van Dr A. Kuyper met die theorie niet in overeenstemming was".
We zien hier derhalve duidelijk, dat het met de schuldvraag nog niet in orde is. Wat men bij zichzelf en den ander als schuld ziet, wordt lang niet altijd als zoodanig aanvaard. Wat in den weg staat aan ootmoedig buigen in „gemeenschappelijke schuldbelijdenis".
Hier volgt nog een bewijs van het bovengestelde.
Ds P. van Dijk schrijft in Belijden en Beleven een klein artikeltje over: Zijn de Gereformeerden zoo kerkistisch ? Deze vraag had Ds v. D. zich gesteld, toen hij een enthousiaste beschrijving las van een veldprediking, waarbij in een Hervormde kerk een Gereformeerde dominee en een kapelaan optraden. In deze beschrijving kwam de volgende klacht voor: „Van die Protestanten zijn het niet in laatste instantie de mannen van Afscheiding en Doleantie, die door steeds den nadruk te leggen op wat hen scheidt van hun medebroeders in ander kerkverband, zich met de jaren in een „splendid isolation' hebben teruggetrokken. En nu stemt het temeer tot voldoening en vreugde, dat juist de Gereformeerden tijdens en na den oorlog op meer éénheid hebben aangedrongen en nog aandringen". Ds P. V. D. nu aanvaardt de beschuldiging van Gereformeerd kerkisme niet. Integendeel. De mannen van afscheiding en doleantie zijn juist door het kerkisme van andere Protestanten naar zulk een splendid isolation, zulk een voornaam isolement heengedrongen. Allerlei pogingen op onderscheiden terrein worden maar met rust gelaten. Gewezen wordt op pogingen, die gedaan zijn om met anderen tot eenheid te komen. In 1911 met de Christelijk Gereformeerden. In 1914 met de Gereformeerde Gemeenten. Het initiatief is altijd geweest aan de zijde van Afscheiding en Doleantie. „Natuurlijk" wordt dan wel erkend „dat ook onze kerken nog dikwijls al te zeer vrede gehad hebben en hebben met de kerkelijke gedeeldheid''. Maar dit maakt nog niet dat verdiend wordt het verwijt van kerkisme. Gemeend wordt, dat het met name de Gereformeerden zijn „die tusschen de onkerkelijkheid van het vrede hebben met alle instituten en het kerkisme, dat in alle andere instituten niets dan kwaad ziet, steeds het juiste midden hebben bewandeld". We zien dat dus in dit opzicht hoegenaamd geen schuld voor eigen rekening wordt genomen. Deze schuld zit bij anderen. Zelf had men het juiste midden. Is hierin dan misschien iets van ,,splendid isolation" ? Ondertusschen gevoelen we wel dat we zoo nooit komen waar we moeten zijn. De één blijft toch weer schuld zien bij den ander, die de ander ontkent. Zelfrechtvaardiging meent men op goede gronden te kunnen aanvoeren. Zou 't niet beter kunnen zijn als ieder zich eens bezon op de roeping die we van Godswege ook op kerkelijk terrein hebben ? Ook op de roeping in het midden der wereld ? Als er eens kwam een in gehoorzaamheid leven en werken, in gehoorzaamheid aan den Koning der Kerk — we zouden mogelijk elkaar eerder vinden dan door het constateeren en ontkennen van schuld.
Het kan zelfs moeilijk zijn de rechte overeenstemming te bereiken over
Een boete- en bededag.
Zooals we weten, werd den 24sten November in de Geref. Kerken een boete- en bededag gehouden. Uit „Tot de Wet en de Getuigenis'' vernemen we door een stukje van de Chr. Ger. Gemeente te Den Haag, dat de Deputaten Synodi der Chr. Geref. Kerk aan de classis 's-Gravenhage bericht, dat het Convent van Prot. Kerken Zondag 24 Nov. heeft uitgeschreven tot verootmoediging en gebed in verband met de tijdsomstandigheden. Verder wordt dan meegedeeld, dat de Deputaten van oordeel zijn, dat hierin voor haar geen aanleiding is tot het uitschrijven van een dergelijiken dag, aangezien van haar kort geleden eene opwekking uitging tot de gemtsnten der Chr. Geref. Kerk. De classis heeft nu dienovereenkomstig besloten, tevens wordt meegedeeld — ook al om niet als spelbreker aangezien te worden — dat de classis reeds eerder pogingen in 't werk gesteld had om tot zulk een gezamenlijke dag te komen, maar van Geref. zijde kon men toen om bepaalde redenen hiertoe niet overgaan. Zoodoende werd besloten dan maar zelf de dankdag daarvoor af te zonderen. Hier ligt dan de reden dat tot spijt der Chr. Geref. classis, niet ten volle kon meegewerkt worden.
Prof. Waterink brengt in het Calvinistisch Weekblad een ander bezwaar tegen de boete- en bededag van 24 Nov. naar voren. Hij vraagt — zooals dit opgenomen is in de Geref. Kerk — „of de sfeer in de Geref. Kerken zóó is, als men die op een een dag van algemeene verootmoediging vraagt ? " „, Nog steeds vindt men in onderscheiden persuitingen een openbaring van een soort ijver om prikken te geven; een neiging om — klaarblijkelijk zonder gedachte aan de roeping tot het bevorderen van de eere en den goeden naam van den medebroeder — anderen aan de lezers voor te stellen als menschen met anerlei boos opzet. Sommige personen zijn van zulk geschrijf blijkbaar bij voorkeur het object".
Prof. W. wil verder op deze dingen niet ingaan. Want hij vindt het ook weer zoo tragisch, dat anderen — ook hij zelf — zulk geschrijf zoo weinig geloovig verdragen kunnen. Er is weinig te merkenj van het: ziet, hoe lief zij eikander hebben. Integendeel. Achter menig artikel staat een mensch, die zich spoedig beleedigd gevoelt en eenige speciale anti-pathieën heeft. Of iemand, die geen grooter taak meent te hebben dan met een dosis zout achter slakken aan te wandden, echte of vermeende slakken.
Zoo mag het toch niet zijn! Als we dit zoo lezen, dan merken we — ook zonder dit stukje was het al bekend — dat er tot rechte boete en verootmoediging nogal wat ontbreekt. Er zijn heel wat kerkelijke en persoonlijke gevoeligheden. Maar waarachtig schuldgevoel is er maar al te weinig. De prediking van een Johannes de Dooper is thans niet minder noodig dan vroeger. De roep tot bekeering moet uitgaan in en buiten de Kerk. Van dezen Johannes wordt gezegd, dat hij voor 's Heeren aangezicht zal heengaan in den geest en de kracht van Elia om te bekeeren de harten der vaderen tot de kinderen. Meer dan één uitleg is hiervan gegeven. Maar een van de beste lijkt ons toch nog altijd die van Ds J. van Andel in zijne verklaring van het Evangelie van Lukas. Deze wijst er op, dat het niet genoeg is naar het vleesch Abrahams zaad te zijn. Wil de belofte omtrent het deelgenootschap aan het Koninkrijk der hemelen aan ons worden vervuld, dan moet er eene geestelijke verwantschap met Abraham worden gevonden. Dit was, in 't algemeen gesproken, bij Israël niet zoo. Jakob wordt daarom door de profeet voorgesteld als beschaamd en verbleekt wegens zijn onheilig nageslacht. Maar nu komt Gods genade en trouw tusschenbeide. De harten der vaderen zullen bekeerd worden tot de harten der kinderen, omdat de harten der kinderen bekeerd zullen worden tot de voorzichtigheid, dat is, tot de verstandigheid der rechtvaardigen. Dan komt er weer een band tusschen het nageslacht en de vaderen. Dan zullen ze weer éénzelfde dierbaar geloof deelachtig zijn. Welnu, is ditzelfde onder ons niet noodig ? Daartoe gebruike de Heere ook nog de boete- en bededagen die gehouden worde. Hij werke waarachtige verootmoediging en gemeenschappelijke schuldbelijdenis op Zijn roepen: Keert weder tot Mij, gij afkeerige kinderen, en Ik zal uw afkeeringen genezen. Geve Hij het antwoord in het hart en op de lippen: Heere, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere, onze God".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's