UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof: niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14.
Hoofdstuk III.
Vervolg vers 13.
De leer des Evangelies is wel zeer liefelijk, en vol van troost. En zij maakt geen gewag van onze eigen werken of van die der Wet, doch zij spreekt over de onbegrijpelijke en onuitsprekelijke barmhartigheid en liefde Gods met opzicht tot ons, die onwaardige en verloren menschen zijn. Het Evangehe leert namelijk, dat onze goedertieren God en Vader, toen Hij zag, dat wij door den vloek der Wet gedrukt en benauwd werden, zoodat wij door eigen kracht ons nimmer hadden kunnen bevrijden, Zijn eeniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, om alle zonden op Hem te doen aanloopen, zeggende : Gij zult Petrus zijn, die Mij verloochend heeft; Gij Paulus, die Mij vervolgde ; Gij David, die een overspeler was ; en Gij een zondaar, die at van de verboden vrucht in het paradijs. En verder: Gij zijt de moordenaar aan het kruis ; en Gij zijt, om alles samen te vatten, diegene, die de zonden van alle menschen begaan heeft. Denk er dus om, dat Gij betalen en genoegdoening schenken moet.
Nu komt de Wet, die zegt: Gij zijt inderdaad een zondaar, en wel zulkeen, die de zonden der gansche menschheid op Zich genomen heeft, en buiten Hem zie ik nergens zonde meer. Daarom moet Hij aan het kruis sterven.
De Wet grijpt Hem dus, en doodt Hem. Daar dit nu heeft plaats gehad, is de geheele wereld van zonde gereinigd, en is er verzoening tot stand gekomen. Ook is de wereld van dood en allerhande onheil bevrijd. 1)
Nadat nu zonde en dood door dezen eenen Mensch zijn weggenomen, zou het mogelijk geweest zijn, dat God in gansch de wereld, vooral wanneer deze in Hem gelooven zou, niets dan louter reinheid en gerechtigheid zag. En waren er nog eenige overblijfselen van zonde achtergebleven, dan zou God die niet in aanmerking nemen, met het oog op Zijn Christus, die de Zonne der gerechtigheid is. Doch zoo is de huidige stand van zaken helaas niet.
Wij moeten dus hoog opgeven van het stuk der christelijke gerechtigheid tegenover de leer der werken en der gerechtigheid uit de Wet. We. moeten dit wel doen, al kunnen wij bedoelde leer niet naar waarde schatten, en al zijn we niet in staat, haar verhevenheid voldoende uit te spreken en tot z'n recht te laten komen.
Paulus' betoog tegen de gerechtigheid, die uit de Wet is, is hier wel zeer krachtig en sterk.
Twee dingen stelt hij eigenlijk onweersprekelijk en onweerlegbaar tegenover elkaar.
Hij zegt namelijk: wanneer de zonden der gansche wereld op den eenen Mensch Jezus Christus gelegd zijn, dan liggen ze niet op de wereld. Draagt Christus ze evenwel niet, dan is de wereld er nog mede belast. Evenzoo: wanneer het waar is, dat Christus schuldig is wegens de zonden, die wij allen bedreven hebben, dan zijn wij van alle zonden vrijgesproken, al geschiedde zulks dan niet krachtens eigen werken of verdiensten. Is Christus echter onschuldig en geen schuldenaar geworden, en draagt Hij onze zonden niet, dan torsen wij ze nog, en dan zullen we sterven en veroordeeld worden wegens deze zonden.
Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geschonken heeft door onzen Heere Jezus Christus. Amen.
Doch laten wij nu zien, hoe deze twee tegenstrijdige zaken in den Persoon van Jezus Christus in harmonie samenkomen.
Op Christus komen niet alleen mijn zonden aanstormen, maar ook die van u, alsmede de zonden, die door de wereld in het verleden bedreven zijn, en die in heden en toekomst bedreven worden en zullen worden. Al deze zonden zoeken Hem te veroordeelen, gelijk ze ook doen.
Doch omdat in den Persoon van Jezus Christus, die de grootste zondaar, eigenlijk de zondaar bij uitnemendheid is, tevens ook gevonden wordt de eeuwige en onoverwinnelijke gerechtigheid, daarom strijden bedoelde tegenstellingen in Hem om den voorrang. De grootste zonde strijdt in Hem tegen de hoogste gerechtigheid.
Noodwendig moet hier een van beide wijken en overwonnen worden. Want beide machten stormen met groote kracht op elkaar los.
De zonden der gansche wereld vallen dus verwoed op de gerechtigheid aan. En wat geschiedt er nu ?
De gerechtigheid blijkt eeuwig, onsterfelijk en onoverwinnelijk te zijn. De zonde daarentegen, die ook zeer machtig, doch een wreede tiran is, wijl zij heerscht over gansch de wereld en alle menschen, willende alles en alleni onder zijn dienstbaarheid brengen, — deze zonde, zeg ik, valt op Christus aan, en zij wil Hem verslinden, doch zij bemerkt niet, dat Zijn Persoon onoverwinnelijk is, en dat eeuwige gerechtigheid Zijn Wezen uitmaakt. '
Derhalve moet in dezen tweekamp de zonde overwonnen en gedood worden, en de gerechtigheid overwint en draagt de zege weg.
Zoo wordt in Christus alle zonde overwonnen, gedood en begraven, en de gerechtigheid blijkt winnares en heerscheres te zijn tot in alle eeuwigheid.
En zoo strijdt de dood, die de machtige overste dezer wereld is, en die koningen, vorsten, kortom alle menschen doodt, met alle machten, die hem ten dienste staan, tegen het leven, met de bedoeling, dit te vernietigen, en uiteindelijk de triomph weg te dragen. En inderdaad bereikt hij in dit opzicht veel. Doch omdat het leven als zoodanig onsterfelijk is, daarom treedt het als overwinnaar te voorschijn, en wordt de dood overwonnen en gedood.
Door Christus is de dood overwonnen en te niet gedaan, zoodat zij voor de geloovigen de prikkel verloren heeft, en die dus niet meer door haar geschaad kunnen worden, gelijk geschreven staat in Hosea 13 vs. 14: „O dood, waar zijn uwe pestilentiën ? En hel, waar is uw verderf ? "
Evenzoo worstelt de vloek, die bestaat uit Gods gramschap, tegen den zegen, namelijk tegen de eeuwige genade en de barmhartigheid Gods in Christus.
Daar evenwel de zegen goddelijk en eeuwig is, moet de vloek voor dezen wijken. Want zouden de zegeningen, die in Christus geschonken zijn, overwonnen kunner worden, dan zou Christus zelf te overwinnen zijn. En dat is onmogelijk.
De zege is dus aan Christus, aan Zijn goddelijke kracht en gerechtigheid, alsmede aan den zegen Gods, de genade en het leven.
Zonde, dood en vloek worden zonder wapenen door Hem vernietigd. En in Kolossensen 2 vers 15 zegt Paulus : „De overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft over hen getriompheerd".
Voorzoover Christus door Zijne genade in de harten der geloovigen regeert, is er geen zonde, geen dood en geen vloek meer in hen aanwezig. Waar Christus echter niet erkend wordt, daar blijft een en ander wel degelijk bestaan.
Johannes zegt: onze overwinning is ons geloof !
1) Al zegt Luther hier, dat door Christus' lijden en dood de zonde der wereld is weggenomen, hetgeen een waarheid is, die we ook lezen in 1 Johannes 2 vers 2, — dit wil nog niet zeggen, dat door Luther een algemeene verzoening zou worden geleerd. Al is de zonde der wereld weggenomen, — dat wil nog niet zeggen, dat alle menschen zalig worden, wijl de straf op de zonde gehandhaafd blijft. Zulks wordt ook door Luther ten stelligste geleerd. In het gedeelte, dat ons bezighoudt, wil hij echter den nadruk leggen op het feit, dat door Christus alle zonde is weggenomen, zoodat de harmonie der eeuwigheid niet meer door de zonde zal worden verstoord.
NASCHRIFT. Bovenstaande was reeds door ons geschreven, toen de meditatie van Ds Timmer verscheen in het nummer van 12 December j.l. De kwestie waarom het boven ging, wordt door Ds T. duidelijk besproken, en helder belicht. Te recht wijst Ds T. op de onjuistheid van sommigen, om te meenen, dat de zonde der „uitverkoren" wereld weggenomen is. „We gelooven niet", zoo zegt Ds T., „dat we tot zulk een theologische gewaagdheid de toevlucht behoeven te nemen". — Toch geschiedt zulks helaas meermalen in woord en geschrift. In een vertaling van Luthers kommentaar op Galaten, welke in de vorige eeuw verscheen, durft men de Schriftuurlijke waarheid niet aan, dat de zonde der wereld weggenomen is. Telkens wanneer de Heilige Schrift of Luther bedoelde woorden aanhaalt, schrijft de verklaring, welke wij op het oog hebben: „de zonde der (uitverkoren) wereld". Men voegt dan het woord „uitverkoren" in, en plaatst het tusscnen haakjes, omdat men toch wel weet, dat het in den grondtekst van Johannes 1 vers 29 en 1 Johannes 2 vers 2 niet voorkomt. — Het verheugde mij, dat door Ds T. op deze dingen in zijn meditatie van 12 December is gewezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1940
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's