De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulns' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

De rechtvaardigheid is uit het geloof: niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14.

Hoofdstuk III.

(XVIII).

Vervolg vers 13.

Het geloof in en de belijdenis van de Godheid van Christus, is wel een zeer noodzakelijk stuk der christelijke leer.

Toen Arius er toe kwam, om dit te loochenen, moest hij ook het stuk van Christus' verlossing prijsgeven.

Want het overwinnen van de zonde der wereld en het dragen van dood, vloek en toorn Gods zijn prestaties, welke niet in 't vermogen van eenig schepsel liggen. Zij moeten worden toegeschreven aan een Goddelijke macht en kracht.

Wie tot deze dingen in staat was, moet waarlijk de Goddelijke natuur deelachtig geweest zijn, wijl tegenover de buitengewone heerschappij van zonde, dood en vloek, welke machten over gansch de wereld in alle schepselen hoogtij vieren, een andere, hoogere macht gesteld moest worden, die alleen bij God kon worden gevonden, en anders nergens !

Daarom : het wegnemen der zonde ; het vernietigen van den dood; het opheffen van den vloek; het schenken van gerechtigheid, leven en licht; het verspreiden van zegen, — dit alles kan alleen door Gods almacht tot stand worden gebracht.

Wijl nu de Heilige Schrift al deze dingen aan Christus toeschrijft, daarom is Hij zelf leven, gerechtigheid en zegen. En van nature is Hij wezenlijk God.

Degenen, die Christus' Godheid dus in twijfel trekken, raken ten slotte de kern van het christendom kwijt; zij worden geheel aan heidenen en Turken gelijk.

Gelijk ik al zoo dikwijls gezegd heb, moet het stuk der rechtvaardigmaking dus nauwkeurig in acht genomen worden.

Want andere stukken van ons geloof zijn er in begrepen. En wanneer men een juist inzicht beeft in de leer der rechtvaardigmaking, dan heeft men dat ook met opzicht tot andere onderwerpen.

Wanneer wij dan leeren, dat de mensch door Christus gerechtvaardigd wordt, en dat Hij overwinnaar is over zonde, dood en vloek, dan betuigen wij; daarmede tegelijk, dat Hij van nature God is.

Wat volgt hieruit duidelijk, dat de papisten blind en goddeloos zijn, want zij leeren, dat zonde, dood en vloek (wreede en machtige tirannen, die het gansche menschelijke geslacht trachten te vernielen) niet door een Goddelijke gerechtigheid moeten worden overwonnen, maar door de gerechtigheid, die het gevolg is van menschelijke werken, als daar zijn : vasten, bedevaarten, het bidden van rozenkransen, geloften, enz.

Ik vraag u : wie ter wereld is er ooit gevonden, die met déze wapenrusting zonde en dood heeft overwonnen ?

In Epheze 6 vers 11 heeft Paulus het over een andere wapenrusting, en met deze kan men gerust tegen genoemde gruwelijkheden den strijd aanbinden.

In den grond van de zaak zijn de papisten, hoewel zij Christus' Naam op de lippen nemen, zevenmaal grootere afgodendienaars dan de heidenen. Want op hén is van toepassing, wat geschreven staat in Lucas 11 vers 24—26. Wanneer een mensch namelijk van het geloof afgevallen is, dan keert de booze geest terug naar het huis, dat hij verlaten heeft, en dan neemt hij met zich zeven andere geesten, welke boozer zijn, dan hijzelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste.

Laten wij dus de leer der rechtvaardigmaking, welke zoo liefelijk en zoo vol vertroosting is, met dankzegging aan God en met een zeker vertrouwen op Hem aannemen.

Deze leer verkondigt toch, dat Christus voor ons een vloek geworden is, dat Hij onze menschelijke persoonlijkheid aangenomen heeft, en dat onze zonden op Zijn schouders gelegd zijn. Het is, als spreekt Hij : Ik heb de zonden begaan, welke alle menschen tezamen bedreven.

Daarom is Hij in der waarheid een vloek geworden, en zulks geschiedde overeenkomstig de Wet: niet voor Zichzelf, maar, zooals Paulus zegt: „voor ons". Want wanneer Christus niet mijn en uw zonden, alsmede die der gansche wereld op Zich genomen had, dan had de Wet geen recht op Hem gehad, daar zij slechts zondaren veroordeelt en onder den vloek brengt. Had Christus niet werkelijk alle zonde getorst, dan had Hij ook geen vervloekte kunnen worden, noch kunnen sterven, daar de oorzaak van den vloek en van den dood ligt in de zonde, waarvan Hij dan vrij zou geweest zijn.

Wijl Christus echter onze zonden vrijwillig, niet gedwongen, op Zich genomen heeft, zoo moest Hij noodwendig de straf en den toorn Gods dragen : niet voor Zichzelf, maar voor ons.

Zoo heeft zich het gelukkige feit voorgeaan, dat Christus in onze plaats is gaan staan; en onze zondige persoonlijkheid heeft Hij op Zich genomen, daarvoor in de plaats ons deelgenoot makende aan Zijn onschuldige, overwinnende natuur. En met deze natuur bekleed, worden wij bevrijd van den vloek der Wet. Want Christus zelf is voor ons een vloek geworden.

In onze menschelijke gestalte heeft Christus de zonde der gansche wereld gedragen, en hierin is de reden gelegen, dat Hij gevangen genomen is, dat Hij geleden heeft, is gekruisigd en gestorven, kortom: dat Hij voor ons een vloek werd. Wijl Hij echter, wat Zijn Persoonlijkheid aangaat. Goddelijk en eeuwig was, — daarom was het onmogelijk, dat de dood Hem houden kon. Ten derden dage stond Hij op uit de dooden, en thans leeft Hij tot in eeuwigheid. Zonde en dood genaken Hem niet meer. Onze gestalte heeft Hij niet meer noodig. Doch gerechtigheid, leven en eeuwige zegen is voor altoos Zijn deel!

Dit beeld van Hem moet het onze zijn, en in het geloof moeten wij 't aangrijpen. Wie dat doet, heeft deel aan Christus' onschuld en overwinning, welk een groot zondaar hij ook zijn mag.

Niet door de begeerte van onzen eigen wil kunnen we dit beeld van Hem deelachtig worden, maar door een verstand, dat verlicht is door het geloof.

Alleen door het geloof worden wij gerechtvaardigd, omdat alleen het geloof de overwinning van Christus aanvaardt.

Naar de mate gij deze dingen gelooft, naar die mate is ook geloof uw deel.

Gelooft ge, dat zonde, dood en vloek afgedaan hebben, dan is dat ook in werkelijkheid zoo, wijl Christus ze heeft overwonnen en weggenomen. Ook wil Hij, dat wij gelooven zuilen, dat er in ons, evenmin als in Hem, geen enkel spoor van zonde en dood meer is overgebleven, daar Hij alles heeft te niet gedaan.

Wordt ge dus nog door zonden beangstigd, en verschrikt de dood u nog, bedenk dan, dat zulke bedriegerijen en spookbeelden van den duivel zijn. Want in werkelijkheid hebt ge geen zonden meer, ligt ge niet meer onder den vloek, en behoeft ge van dood en duivel niet meer bang te zijn, wijl Christus alles heeft overwonnenen te niet gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's