UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De rechtvaardigheid is uit het geloof : niet uit de werken. Wie zijn Abrahams kinderen ? Vers 6—14
Hoofdstuk III
Vervolg vers 13.
Dat er, waar Christus heerschappij heeft, geen zonde en geen dood meer is, belijden wij dagelijks in de apostolische geloofsbelijdenis, wanneer wij spreken :
„Ik geloof een heilige, algemeene, Christelijke Kerk".
Het is, als zeiden wij:
Ik geloof, dat de Kerk geen zonde heeft, en dat de dood niet meer over haar heerscht, omdat degenen, over wie Christus regeert, geen zondaren meer zijn, en niet meer des doods schuldig geacht worden.
De geloovigen zijn heilig en rechtvaardig ; heeren over zonde en dood; menschen, die eeuwig leven zullen.
Alleen het geloof ziet dit zoo, en daarom spreekt het:
„Ik geloof een heilige Kerk".
Oordeelt ge echter met uw verstand, en geeft ge uw oogen de kost, dan praat ge anders. Dan ziet ge in de geloovigen veel, wat u ergert. Dan ziet ge, dat zij somtijds vallen, zondigen, en zwak staan in het geloof. Dan ziet ge, dat ze toornig kunnen zijn, en dat zij van nijdigheid en booze neigingen niet vrij zijn.
Ge zoudt hieruit kunnen besluiten: de Kerk is niet heilig.
Maar deze consequentie aanvaard ik niet.
Ziende op mijzelf en op mijn naasten, dan zeg ik: wij zijn nimmer heilig. Doch zie ik op Christus, die Zijn Kerk reinigt en heiligt, dan zeg ik: de Kerk is heilig! Want met opzicht tot de heiligheid der Kerk heeft Christus de zonde gedragen der gansche wereld.
Eigenlijk zijn er dus geen zonden, waarmen ze ziet en ervaart. Volgens Paulus' theologie is de wereld van zonde vrij; is er geen dood meer, en geen vloek. Op Christus daarentegen, die het Lam is, dat de zonde der wereld weggenomen heeft, en die een vloek is geworden, is de zonde der wereld gelegd, opdat wij daarvan zouden bevrijd worden.
Waar geloof in Christus gevonden wordt, daar is werkelijk geen zonde meer; daar is zij gestorven en begraven.
Waar géén geloof in Christus wordt aangetroffen, daar blijft ook de zonde.
Hoewel er in de heiligen dus nog steeds overblijfselen van zonde aanwezig zijn, omdat zij nog geen volkomen geloof deelachtig werden, zoo kan toch gezegd worden, dat hun zonden dood zijn, omdat hun die door het geloof om Christus' wil niet toegerekend worden.
We hebben in dezen tekst te doen met het belangrijkste en krachtigste betoog, dat de apostel tegen de gerechtigheid der werken houdt.
Niet de Wet; niet de werken verlossen van den eeuwigen vloek, maar Jezus Christus.
Daarom bid en smeek ik u, christelijk lezer, in Gods Naam, dat gij onderscheid maakt tusschen Christus en de Wet. Geef nauwlettend acht op wat Paulus spreekt, alsook op de manier, waarop hij dat doet.
Alle menschen, dus ook de apostelen, profeten en patriarchen, zouden nimmer onder den vloek uit gekomen zijn, wanneer niet Christus zich geplaatst had tegenover zonde en dood, den vloek der Wet, den toorn en het gericht Gods, en Wanneer Hij niet al deze machten had overwonnen.
Christus is een vloek geworden.
Paulus zegt niet, dat Christus zich aan den vloek onderworpen heeft, maar dat Hij zelf een vloek geworden is.
In 2 Korinthe 5 vers 21 zegt hij : „Want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
Al zou men kunnen zeggen, dat Christus een offer voor den vloek, en een offer voor de zonde geworden is, — mij komt het beter voor, om de eigenlijke beteekenis van den zoo juist aangehaalden tekst te bewaren, omdat die den grootsten nadruk geeft.
Wanneer een zondaar in werkelijkheid tot schuldbekentenis komt, dan voelt hij niet alleen, dat hij een zondaar is, voorzoover dat aan hem van buiten kan worden waargenomen, maar ook innerlijk voelt hij zich een zondaar en een vervloekte, en wel zóó, dat hij zichzelf voor een stuk zonde en een stuk vloek houdt. Zoo iemand vindt zich de boosheid zélf. Want het is een groote zaak, de zonde, den toorn Gods, den vloek en den dood te moeten dragen.
Daarom wordt een mensch, die deze dingen werkelijk en diep ervaart, geheel tot zonde, dood, enz., evenals Christus er van doordrongen geweest is, toen Hij de zonde van het gansche menschelijke geslacht droeg.
Heeft Paulus de woorden: ,,Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt", ontleend aan Deuteronomium 21 vers 23, — ook geheel Deuteronomium 27 is op Christus van toepassing, benevens alle vervloekingen uit het Oude Testament.
Degenen, die Christus' weldaden, waarover het Evangelie eigenlijk handelt, niet verstaan, en geen andere gerechtigheid kennen, dan die, welke uit de Wet is, ergeren zich, wanneer zij hooren, dat de werken der Wet voor de zaligheid niet noodzakelijk zijn, maar dat de zaligheid den mensch alleen ten deel valt, wanneer hij gelooft, dat de Zoon Gods ons vleesch aangenomen heeft, en Zich de zaak van vervloekten heeft aangetrokken, waardoor alle volkeren gezegend worden.
Dergelijke lieden verstaan van al deze dingen niets, of hoogstens vatten zij een en ander vleeschelijk op. Zij worden namelijk door allerlei dwaze inbeeldingen bezig gehouden. Daarom zien zij niets anders dan duistere raadselen. En ook wij, die de eerstelingen des Geestes hebben, kunnen alles evenmin volkomen begrijpen en gelooven, omdat het in flagranten strijd is met het menschelijk verstand.
Maar het staat vast, dat ook over ons alle onheilen zouden zijn gekomen, welke het deel zijn der goddeloozen, wanneer niet Christus als onze Middelaar was opgetreden, ons als verloren zondaars had aangenomen, en alle rampspoed, welke tot in eeuwigheid ons zou hebben gekweld, op Zich geladen had.
Dit is het aanbiddelijk mysterie der Heilige Schrift.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's