MEDITATIE
OPBOUW
De tichelsteenen zijn gevallen met uitgehouwene steenen zullen wij wederom bouwen ... Jesaja 9 vers 9. En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht. Jesaja 61 vers 4.
OPBOUW.
Het nieuwe jaar zijn wij alweer eenige dagen ingeschoven; 1941, het jaar, dat zal moeten staan in het teeken van den opbouw. Weder-opbouw, want veel, dat zelfs eeuwen getrotseerd had, is in het nu afgesloten jaar ineengestort. Puinhoopen moeten worden geruimd; doch reeds zijn de plannen gevormd om wat verdwenen is te vervangen, te vernieuwen : want fraaier dan het oude was, moet het nieuwe worden ! Zoo willen wij ons tevens troosten over wat onherstelbaar is; over onschatbare kunstwaarden, die verloren gingen.
31 December/1 Januari : oud en nieuw ; we gevoelen het willekeurige hiervan. Het nieuwe was vaak slechts on-onderbroken voortzetting van het oude. Doch midden in het jaar onzes Heeren 1940 werd plots een historische wending gemaakt : de schoone Meimaand bracht niet slechts een nieuwe lente en een nieuw geluid : onder den donder der kanonnen, het fluiten der kogels en het barsten der bommen werd een oude periode afgesloten en een nieuwe ingeluid. En toen de puinhoopen nog rookten, werden wij opgewekt om niet bij de ruïnen in verslagenheid te blijven zitten : wederopbouw was het parool!
Natuurlijk; het kan toch wel niet anders. En moeten wij niet bewondering hebben voor die mannen en vrouwen, die soms van alles beroofd, onmiddellijk aanpakten ; in een noodwinkel hun bedrijf voortzetten ; die moed hadden om van den grond afaan weer te beginnen, nadat verwoest was, wat door jarenlange vlijt moeizaam was opgebouwd? Wederopbouw.... niet alleen in Rotterdam en andere getroffen steden en dorpen ; het geldt over de geheele linie van ons volksleven: nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen zijn ontstaan. Wij hebben ons te bezinnen ; de roep tot wederopbouw, tot herziening, tot vernieuwing, weerklinkt allerwege.
Hier beluisteren we ontegenzeggelijk een roeping; hier roept een plicht; hier dreigen echter ook groote gevaren. Want ook hier is de vraag : hoe zetten wij ons tot den wederopbouw ? Geslagen, niet verslagen : daarin kan iets goeds en groots liggen. Als in biddend opzien tot God, Die krachten geeft, een volk zich opricht en opbouwen gaat. Doch als het is: geslagen en geen pijn gevoeld dan is het wel diep treurig. Getroffen door de hand des Heeren en geen gerechtigheid geleerd. (Jes. 26 : 9) : dat is een zich-verharden, waarin ligt een roepen om zwaarder oordeelen !
Denk aan Efraïm (het koninkrijk van Noord-Israël) en de inwoners van Samaria. Vermoedelijk door oorlogsgeweld waren huizen ingestort en boomen geveld. En wat was de vrucht ? Verootmoediging en vernedering onder de krachtige hand Gods ? Neen, in hoogmoed en grootschheid des harten verklaarden zij: dat is niet erg! Het oude is afgebroken ; nu kunnen we des te schooner weder opbouwen. „De tichelsteenen zijn gevallen, „huizen van baksteen zijn ineengestort, „maar met uitgehouwene steenen zullen wij wederom bouwen" de nieuwe stad, die op de plaats van de oude verrijzen zal, zal er een van paleizen zijn, uit gehouwen bergsteenen! Geen nood, al zijn de wilde vijgeboomen afgehouwen, wij zullen ze vervangen door (de veel kostbaarder) cederen!
Daarom moet Amos tegen hen getuigen in 's Heeren Naam: „Ik heb ulieden geslagen ..... ; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij" (4 vers 9). Ondanks het nieuwe, dat men zich voornam te bouwen, bleef men in de oude ongehoorzaamheid volharden ; de mensch bleef de oude, want hij weigerde zich van harte te bekeeren tot God, Die met Zijn slagen en beproevingen daartoe met ernst en aandrang riep. En dan blijft het van 's Heeren zijde ook bij het oude; het hoofdstuk, waarin wij dit woord tegen 't hoogmoedige Efraïm lezen, eindigt dan ook met de dreiging : „Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt", uitgestrekt om de volgende slag toe te brengen!
Wederopbouw ..... onze roeping en plicht, doch hoe zullen wij het doen ? Het gevaar is zoo groot, dat het nieuwe aan de buitenkant fraaier zich voordoet dan het oude, doch dat het oude leven daarin wordt voortgezet, waardoor men zich den toorn des Heeren op den hals haalde. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat een volk trotsch is op zijn veerkracht, doch daarin uitspreekt:
Heere, wij laten ons ook door U niet vebreken!
Leven is bouwen ; wederopbouw menigmaal. Doch wie niet bouwt op het stevige fundanaent, is dwaas; zijn werk zal niet bestaan. En als van ons werk afgebroken is, hebben wij allereerst te onderzoeken of wel gebouwd was op den juisten grondslag : niemand toch kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is: Jezus Christus en Dien gekruist! En een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwt : alleen naar den regel des Woords; in gehoorzaamheid des geloofs.
Tot een nieuwe gehoorzaamheid worden wij geroepen; doch hoe zal die er zijn zonder vernieuwing des harten ? De bede mag wel levend zijn :
Vernieuw in mij een vasten geest en.......mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven. (Psalm 51 vs. 5).
Van wederopbouw als heerlijk voorrecht, wijl verwerkelijking van 's Heeren heilsbelofte, gewaagt het andere woord, dat wij hierboven schreven : „En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht". Dit woord behoort tot de vreugdeboodschap aan Sions rouwdragenden, waarin het jaar van het welbehagen des Heeren en de dag der wrake onzes Gods wordt aangekondigd. De herbouw van Jeruzalem na de ballingschap is van deze belofte slechts de zeer voorloopige vervulling te noemen. Doch ziet de profeet hier slechts uiterlijk-aardsche heerlijkheid ? Ziet zijn oog niet de onvergankelijke schoonheid van het nieuwe Jeruzalem, waarvan geldt, dat de Heere Zelf het bouwt (Ps. 147 vs. 2) ? En is de hoeksteen van het eeuwige Godshuis niet Dezelfde, van wien Zacharia betuigen mocht: „Alzoo spreekt de Heere der heerscharen, zeggende : Zie, een. Man, Wiens naam is Spruite, die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des Heeren Tempel bouwen. Ja, Hij zal den Tempel des Heeren bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heerschen op Zijn troon, en de raad des vredes zal tusschen die beiden wezen".
Zoo mogen Gods kinderen weten gebouwd te worden tot een woonstede Gods in den Geest (Efeze 2). De opbouw van Stad en Tempel is Gods werk! Nu is het zeker, dat het gebouw van 's Heeren gunstbewijzen, naar Zijn gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen.
Doch nu mogen zij, die gebauwd worden, medearbeiders zijn: „en zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen....... " Zooals Nehemia betuigt: „....wij. Zijne knechten, zullen bouwen".
Alle arbeid in Gods Koninkrijk, die in gehoorzaamheid aan Zijn Woord wordt verricht, is een bouwen; en waar Gods genade is een oprichten, een genezen, een vernieuwen van wat door de zonde verwoest en bedorven is, is het een wederoprichten. Prediken, getuigen, vermanen, onderwijzen daartoe roept de Heere. Opdat Hij Zelf door Zijn Woord werken zal. Zoo is alle vrucht uit Hem; immers door Zijn Geest doet het Woord zijn werking ; komt Zijn Koninkrijk met kracht.
Verwoeste plaatsen.... zij zijn er zoovele. Ons ontkerstend volksleven ; de verwarring der geesten op ieder gebied; de breuk der Kerk Ach, als wij de verstoringen van geslacht tot geslacht aanschouwen, we zouden wanhopen gaan! En wie zijn wij ? Bekwaam tot den wederopbouw ? Ach neen; van onszelf zeker niet! Troffel en zwaard moeten gehanteerd ; doch is er niet veel bouwen, dat eigenmachtig werk is en daarom waardeloos ? En wordt het zwaard niet meer getrokken om onderlinge veeten uit te vechten, dan den vijand te weerstaan ?
De Heere roept tot den arbeid.
Hij roept daarin allereerst tot bezinning ; tot bekeering.
Wie zal bekwaam zijn, dan die bekwaam gemaakt wordt ?
Een nieuw jaar is ingegaan! God beware ons, dat het onder ons bij het oude blijven zou!
God geve vernieuwing „in den geest uws gemoeds" (Efeze 4 vs. 23), opdat Wij onze roeping ook mogen verstaan en opvolgen tot den wederopbouw, waartoe Hij roept. Een terugkeer in eigen leven, zoodat wij ook anderen terug kunnen roepen tot de oude paden ; tot Wet en Getuigenis. Opdat wij dageraad mogen hebben. En met verlangen uit mogen zien naar het waarlijk nieuwe, dat komende is : het Nieuwe Jeruzalem, dat van God zal nederdalen uit den hooge, onder een nieuwen hemel, op een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's