De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers.

10 minuten leestijd

Schortinghuis.

Schortinghuis.

Wanneer we een boek over de geschiedenis der Kerk in ons land, opslaan, dan vinden we daarin onder andere namen ook dien van Willem Schortinghuis. Voor hen, die niets of weinig van hem weten, moge het volgende, dat wij elkaar voorleggen uit de Vaderlandsche Kerkgeschiedenis van Van der Zee, dienen ter inlichting. Schortinghuis dan werd in het jaar 1700 te Winschoten geboren. Op 23-jarigen leeftijd, in 1723 dus, werd hij predikant te Weener, in Oost-Friesland. Een zijner oudere collega's, Klugkist, was een onvermoeid strijder voor een inwendig Christendom. Door diens voorbeeld kwam Schoïtinghuis tot inkeer. 's Menschen onmacht en onwaardigheid, het innige Christendom, werden nu de inhoud van zijn vurige prediking. Gedurende 11 jaren heeft hij zijn gemeente geleid in zuivere piëtistische banen. Voor de conventikels maakte hij gedichten, opdat men deze zou zingen. De eerste bundel verscheen in 1726 en heette : „Geestelijke gezangen, etc." De tweede werd uitgegeven in 1733 en heette: „Bevindelijke gesangen". Hoofdzakelijk richtten deze beide bundels zich niet tot bekeerden, maar tot onbekeerden. In 1734 ging Schortinghuis naar Midwolda. Daar heeft hij een boekje geschreven voor hen, die belijdenis des geloofs wilden afleggen. Gedurende zijn 16jarigen arbeid hebben slechts 23 personen belijdenis des geloofs afgelegd. In de classis Oldambt was hij mede gewikkeld in een strijd, die ontbrand was over de conventikels en over het wezen des geloofs. De meeste bekendheid verwierf een door hem geschreven en in 1740 uitgegeven boek, dat bekend staat onde rde titel: „Het innige Christendom". Volledig is de naam : „Het innige Christendom tot overtuiginge van onbegenadigde, bestieringe en opwekkinge van begenadigde sielen, in deszelfs allerinnigste en wezentlike deelen gestaltelik en bevindelijk voorgesteld in 't samenspreken tusschen een geoefende, begenadigde, kleingeloovige en onbegenadigde". Dit boek bestaat uit 25 samenspraken. Dit is het boek van de zoogenaamde „Vijf dierbare nieten" : ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet. Dit boek is geschreven in de tale Kanaans en is een der beste bronnen om den geest van het piëtisme te leeren kennen. Er wordt op gewezen, dat de meeste belijders de waarheid niet „bevindelijk" kennen, en hun welstand in plichtsbetrachting trachten te zoeken.

De theologische , faculteit te Groningen had tegen approbatie (goedkeuring) bezwaar. Eerst moest Schortinghuis aan en­kele verlangens voldoen, omdat sommige stukken de miskenning van het Woord God als genademiddel en een quietistische lijdelijkheid zouden kunnen aankweeken. Op critiek en bestrijding antwoordde Schortinghuis meestal niet. In 1750 overleed hij als een man van oprechte godsvrucht.

Waarom wij op dezen man de aandacht vestigen ? Omdat in sommige bladen over hem werd geschreven. Ik kan me voorstellen, dat iemand zegt: dat is dan weer eens wat anders dan over Synode, taak der Kerk, prediking en vooral eenheid

Zachtjes aan echter, voorzichtig. Want Schortinghuis wordt juist genoemd in verband met mogelijke kerkelijke toenadering. 't Mag op 't eerste hooren wat wonderlijk lijken, maar 't is toch zoo wonderlijk nog niet voor dengene die wat met het geestelijk leven en de geestelijke ligging in ons vaderland op de hoogte is. De voorstander en de tegenstander van Schortinighuis zullen elkaar maar niet een, twee, drie, de hand reiken. In „Belijden en Beleven" (Gereformeerd) schrijft Ds P. van Dijk een Zaansche brief. Hij schrijft hierin, weinig hoopvol gestemd te zijn, wanneer hij de geneigdheid tot kerkelijk Samenleven moet afmeten naar hetgeen de Gereformeerden soms te hooren krijgen uit kringen, die ze de hand trachten te reiken. Van de Gereformeerden wordt gezegd dat ze oppervlakkig zijn ; vijanden van het bevindelijk leven; 't is bij hen zoowat een en al uitwendigheid. Onaangenaam is hij getroffen door een opmerking in het Correspondentieblad der Gereformeerde Gemeenten. Hierin ging het over een boek van J. T. Meesters: Eerherstel voor Schortinghuis. In dit boek worden vooral weerlegd de smalende artikelen van zekeren Marnix in den 50sten jaargang der Groninger Kerkbode. De recensent van dit boek geeft dan over de Gereformeerden het volgende oordeel : „Het is te verstaan dat het oppervlakkig Christendom, dat in doop en belijdenis roemt en tegen het bevindelijke leven, door Gods Geest gewrocht in de harten der uitverkorenen, zijn vijandschap niet verbergen kan, de boeken van Schortinghuis en in het bizonder diens „Innige Christendom" niet luchten of zien kan. Zoo zien duizenden, leeraars en leden, het historisch geloof aan voor het zaligmakend geloof en wanen zij ten hemel te wandelen, hoewel hun zinnen verduisterd zijn. O, droevig Christendom. Met een ingebeelden hemel gaat het ter helle heen".

't Verheugt ons, dat protest komt tegen de oppervlakkigheid en Meesters Schortinghuis verdedigt tegen den smaad, over hem uitgegoten. Wij wenschen dit boekske in veler handen, vooral in „Gereformeerde" kringen. Het moge dienen om de oogen van velen te openen". Ds Van Dijk zegt van deze aanklacht, dat ze niet liefdevol en ook niet gegrond is. 't Is niet waar, dat men S. niet zien kan omdat men vijand is van het bevindelijk leven. S. zelf heeft zijn bestrijders vroeger óók verweten. Bevinding en bevinding zijn echter twee. Gereformeerde Hoogleeraren hebben over de practijk der godzaligheid als een onmisbare vrucht van het geloof geschreven. De „Gereformeerden" van nu hebben echter tegen de bevinding van Schortinghuis dezelfde bezwaren als er in 1740 waren.

Ds v. D. wijst er op, dat hij meent te weten, dat er in de Gereformeerde Gemeenten zelve niet zoo weinigen zijn, die aan Schortinghuis moeilijk meer zouden wennen. Bovendien heeft hij in hetzelfde nummer van de Saambinder een predikatie gelezen, waarschijnlijk van Ds G. H. Kersten, en wel met genoegen en algeheele instemming. Er is geen valsche mystiek in volgens Ds v. D., op de manier van Schortinghuis. De persoon van Christus staat op den voorgrond. Een hartelijke oproep wordt gedaan om in de kracht van het geloofs levens last en leed moedig te dragen. In het „Innige Christendom" — dit was het bezwaar — werd de toeëigening des heils als werk des Heiligen Geestes zoo op de voorgrond geschoven, dat de verwerving er van door Chritus uit het gezicht geraakte. In de preek ini de Saambinder zijn geen termen en buitennissigheden, waarin S. soms zoo sterk was. Het is daarom gemakkelijk genoeg om menschen, die dit niet meer kunnen genieten, die zelfs het lijdelijke Christendom, de miskenning van het ambt, de verwaarloozing der sacramenten enz. in strijd achten met de Heilige Schrift en de Gereformeerde Belijdenis, liefdeloos te veroordeelen. Voor de recensent zal 't moeilijker zijn om de vraag te beantwoorden of Schortinghuis of degenen die nü nog op 't zelfde standpunt staan zoo'n preek zwaar genoeg bevinden of haar veroordeelen zouden als oppervlakkig. Ja, of 't oordeel van oppervlakkigheid ook niet den leeraar treffen zou die 't bestaan heeft een academie te stichten, een van die inrichtingen, waarvan Schortinghuis getuigt dat zij niets aanbrengen dan winderige wetenschappen, schilderijen van zaken en schimmen der hersenen en slechts kweekplaatsen zijn van nietige Herders, beenbrekers en moordenaars der zielen". Ik denk niet, dat de recensent en Ds Van Dijk het over Schortinghuis spoedig eens zullen zijn. Ik weet ook niet of Ds Kersten zoo ingenomen zal zijn met het genoegen, waarmee Ds V. D. zijn preek in de Saambinder las. Over wat bevinding is, welke waarde ze heeft, welke nadruk er op gelegd moet worden — hier zal inderdaad verschil zijn tusschen de „Gereformeerden" en de Gereformeerde Gemeenten. En niet alleen tusschen hen. Het oordeel van oppervlakkigheid heeft ook wel eens van andere zijde de Gereformeerden getroffen.

Intusschen leere Gods Geest in alle kerken velen de ware bevinding kennen.

Onder Boekenschouw in Credo wijdt Prof. Hepp enkele woorden aan Meesters' Eerherstel voor Schortinghuis. Prof. H. merkt op, dat sinds het begin van deze eeuw de kijk op Schortinghuis wel in diens voordeel is veranderd. Hij wordt niet langer gehouden voor een door de wol geverfde mysticist. Zooals Meesters terecht opmerkt, moeten de „nieten" niet worden betrokken op den begenadigden Christen, maar op den mensch, zooals hij van zichzelf is. We moeten S. zien tegen den achtergrond van het rationalisme met zijn verheerlijking van den natuurlijken mensch. Eerherstel in dit opzicht was reeds verkregen. Misverstand wekte Schortinghuis echter ook bij de Gereformeerden uit zijn dagen alleen al door de „nieten" dierbaar te noemen. Want dat zijn ze niet. Aangezien ge tot 's menschen ellende behooren, zijn ze ellendige nieten. Comrie heeft S. verdedigd. S. is beter dan zijn faam. Prof. H. beveelt echter de lezing van zijn werken niet aan, omdat thans het gevaar voor misverstaan nog grooter is dan voorheen.

't Is te begrijpen, dat Dr J. C. Kromsigt veel belangstelling had voor Meesters' boekje. Dr K. toch schreef zijn proefschrift over Wilhelmus Schortinghuis. In het Hervormd weekblad De Gereformeerde Kerk (Confessioneel) schrijft Dr K. hierover dan ook een artikel. Uit Meesters' Eerherstel blijkt hem, dat Schortinghuis nog steeds „actueel'' is. Daarom geeft hij zich nog eens rekenschap van de blijvende beteekenis van Schortinghuis' werk. Die blijvende beteekenis ziet Dr K. in het verzet tegen veruitwendiging van het Christendom. Op verinwendiging wordt aangedrongen. Vandaar het innige, dat is niet „dierbare", maar inwendige Christendom. Dit verzet was gewettigd. Want de veruitwendiging openbaarde zich in intellectualisme en rationalisme. Men verviel tot „leer"-heiligheid en van een volk „ijverig in goede werken" wilde men niet veel weten. Hiertegen kwamen ook Voetius, Lodensteyn e.a. op. Men moest niet terug naar Rome. Rome zelf maakt zich schuldig aan de grofste veruitwendiging. „Voor de hedendaagsche liturgische beweging met haar voorlietde voor het Anglicanisme, die reeds een harer vooraanstaande aanhangers tot Rome deed terugkeeren, terwijl een ander bij de plechtige wederopneming in de „Moederkerk" tegenwoordig was, is een waarschuwing tegen soortgelijke veruitwendiging o.i. geenszins overbodig". Geluisterd moet worden naar de opwekking tot verinwendiging. De reformatie heeft op den voorgrond gesteld: Den Vader aanbidden in geest en in waarheid, 't Is goed, dat de nadruk tegenwoordig gelegd wordt op de beteekenis er Kerk. Maar 't mag geen koketteeren worden met kerkelijkheid. Want dan dreigt weer ongeestelijke verkerkelijking. 't Gevaar van uitwendige kerkelijkheid is er nog steeds. In de Herv. Kerk, maar niet minder in de Geref. Kerken. Daar is een zich tevreden stellen met een gelooven op gezag, een waan „geloof", verstandsgeloof, historisch geloof (aldus Meesters in zijn boekje). Maar anderzijds wijist Marnix in zijn brieven er dan weer terecht op, dat het niet slechts gaan mag om den wedergeboren Christen met zijn innig Christendom, zoodat hij met zijn christelijkheid, wedergeboorte enz. in het middelpunt komt te staan. Christus moet in het middelpunt staan en Hij dan inwendig. Nu levend in ons hart, om dat hart en zoó ons leven met Zijn genade te beheerschen en te vernieuwen.

We zien, dat inderdaad S. hierin ook nu nog, ook onder ons, actueel is. De roep tot verinwendiging moet sterker weerklinken, 't Is waar, we mogen geen oogenblik rustig zijn onder de verkeerde bestuursorganisatie onzer Kerk. Die moet ons benauwen. Die moet ons als een „gevangenis" zijn. Werd dat maar algemeen gevoeld, ook onder ons! Maar anderzijds moeten we niet denken er te zijn met een goede organisatie zonder dat er bekeering des harten is tot den Levenden God. Beide zijn noodig in het kerkelijk, leven. De Heere binde ze ons beide op het hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's