De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

De belofte is door de Wet niet krachteloos gemaakt. Vers 15—18

Hoofdstuk III.

De belofte is door de Wet niet krachteloos gemaakt. Vers 15—18. (II).

Nu, zoo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: „En de zaden", als van velen; maar als van één: „En uwen zade", hetwelk is Christus. Vers 16.

Hier noemt Paulus de beloften Gods, welke Hij Abraham aangaande den Christus als den toekomstigen zegenbrenger toegezegd heeft, met een nieuwen naam. Hij spreekt van „Testament"; Gods beloften zijn dan ook eigenlijk niet anders dan een Testament, hetwelk nog niet geopend, doch nog verzegeld is. Een Testament is namelijk geen wet, maar een gave. De erfgenamen toch verwachten geen wet en geen dwingelandij of iets van dien aard, maar een erfenis.

Eerst verklaart de apostel de woorden ; daarna licht hij ze toe door gebruik te maken van een gelijkenis, wanneer hij spreekt over „zaad"'.

Aan Abraham, zoo zegt Paulus, zijn geen wetten gegeven, maar er is voor hem een Testament opgemaakt, dat wil zeggen : er zijn hem beloften van geestelijken aard gedaan. Er is hem iets beloofd en geschonken.

Wanneer reeds het Testament van een mensch in eere gehouden wordt, — waarom zal zulks niet veel eer het geval zijn van een. Testament, hetwelk God geeft. Bedoelde beloften zijn Abraham niet door de Joden of door „vele zaden" toegezegd, maar door één zaad, namelijk Christus.

Deze uitlegging van Paulus wordt door de Joden niet aanvaard; doch zij zeggen, dat er met het enkelvoudige zaad meerdere zaden bedoeld zijn, zoodat er dus onder een enkelvoudig woord een meervoudig begrip wordt aangeduid.

Wij houden het echter bij de meening van Paulus, die niet zonder reden den nadruk legt op het woord „zaad", er de uitlegging aan toevoegende, dat hiermede Christus bedoeld wordt.

De Joden mogen deze dingen loochenen ; wij voor ons hebben vele, zeer sterke bewijzen, welke genoegzaam duidelijk zijn, om te meenen, dat de Joden ongelijk hebben.

En dit zeg ik: het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de Wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloften te niet te doen. Vers 17.

De Joden kunnen hier aanvoeren, dat God de aan Abraham gegeven beloften toch niet voldoende vond, maar dat Hij het noodig geacht heeft, na vierhonderd en dertig jaren ook nog de Wet te geven. God zou Zijn eigen gegeven beloften niet voldoende vertrouwd hebben, en Zelf gemeend hebben, dat zij niet in staat waren om te kunnen rechtvaardigen. Daarom zou Hij aan die beloften nog iets beters toegevoegd hebben, namelijk de Wet, om door haar menschen rechtvaardig te kunnen maken. Op deze wijze zou de Wet de belofte te niet gedaan hebben. Althans de Joden zoeken dergelijke uitvluchten.

Deze tegenwerping wijst de apostel echter duidelijk en vierkant van de hand.

De Wet, zoo zegt hij, is weliswaar vierhonderd en dertig jaar na de belofte aan Abraham gegeven, maar zij heeft die belofte niet kunnen opheffen. Want de belofte Gods aan Abraham draagt het karakter van een Testament, dat door God zelf, vele jaren vóórdat de Wet er was, op Christus van toepassing is verklaard. En wat God eenmaal beloofd en bekrachtigd heeft, dat herroept Hij niet meer ; en daarin brengt Hij ook geen beperkingen aan. Zulks blijft tot in alle eeuwigheid onveranderlijk zijn geldigheid behouden.

Waarom is de Wet er dan nog bijgekomen ?

Wel is zij pas na eeuwen aan Abrahams nakomelingschap geschonken, niet met de bedoeling, dat deze door de Wet eerst den door God beloofden zegen erlangen zou, want de Wet is er, om de menschen onder den vloek te brengen. Het behoort niet tot de taak der Wet, om te zegenen. Doch zij werd gegeven, opdat er op aarde een afzonderlijk volk zou bestaan, hetwelk het woord en het getuigenis aangaande Christus zoude bezitten, en uit welk volk Christus zou geboren worden zooveel 't vleesch aangaat. Onder de Wet zuchtende, zouden de menschen gaan uitzien naar de bevrijding door Christus, het beloofde zaad Abrahams ; alleen Hij kon en zou zegenen, dat wil zeggen : Hij zou alle volkeren van zonde en dood vrijmaken.

Ook de ceremoniën, welke bij de Wet geboden waren, waren een voorbeeld, dat heenwees naar Christus. Zoo is dus de belofte niet door de Wet en de ceremoniën te niet gedaan; de Wet heeft de belofte als het ware verzegeld, hetgeen geduurd heeft tot dat het Testament geopend is, en de prediking van het Evangelie onder alle heidenen is uitgegaan.

Maar laten wij de Wet eens met de belofte laten strijden. En laten wij eens zien, wie van beide de sterkste is. Laten wij eens zien, wie het onderspit delft.

Wanneer de Wet overwint, dan volgt daaruit, dat wij met onze werken God tot een leugenaar maken, en dat wij Zijn belofte te niet doen, omdat het nu eenmaal vast staat, dat de aan Abraham geschonken belofte ijdel en nutteloos geweest is, wanneer het waar is, dat de Wet rechtvaardig maken kan, en in staat is, om van zonde en dood te bevrijden. Kon zij dat, dan zouden ook onze eigen werken en ons menschelijk vermogen de Wet kunnen vervullen.

Het is echter onmogelijk, dat de Wet God tot een leugenaar zou kunnen maken, en dat onze eigen werken Zijn belofte zouden kunnen te niet doen. Veeleer is hetgeen God belooft onveranderlijk en zeker. Want Hij belooft niets zonder het ook te volbrengen.

Omdat de belofte Gods er veel eer was dan de Wet, — daarom is de belofte belangrijker en heerlijker dan de laatste. God heeft zeer juist gehandeld, dat Hij de belofte zoo langen tijd geschonken heeft voordat Hij de Wet gaf. Hij deed dat met de bedoeling, opdat niet gezegd zou kunnen worden, dat de gerechtigheid een gevolg is van de Wet, en niet van de belofte. Want wanneer God gewild had, dat wij door de Wet zouden gerechtvaardigd worden, dan zou Hij de Wet vierhonderd en dertig jaren vóór de belofte geschonken hebben, of in ieder geval zou Hij dan beide tegelijk hebben gegeven.

Nu echter zwijgt God van de Wet in de eerste periode; eerst na vierhonderd en dertig jaar geeft Hij haar. Doch intusschen spreekt Hij steeds over Zijn beloften.

Zoo is dus de zegen en het schenken der gerechtigheid een feit door de belofte : vóór de Wet.

De belofte overtreft de Wet dus verre, en de Wet doet de belofte in geenen deele te niet; het is juist andersom; de belofte heft de Wet op, zoodat een zondaar niet meer tot vertwijfeling behoeft te komen, mits hij ten minste door het geloof Gods belofte aanneemt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's