Een andere kant
Wij hebben met nadruk op de zendingsroeping der kerk gewezen.
Wellicht heeft iemand bij zich zelf opgemerkt, dat de Herder en Leeraar daarbij op den achtergrond geraakte. De Dienaar des Woords dreigt op die wijze geheel in den zendeling op te gaan.
Vooreerst kan daartegen worden ingebracht, dat zulks hoogstens het geval zou kunnen zijn, in zooverre het enkel de prediking betrof en niet het herderlijk werk. Intusschen is de herderlijke arbeid ook aan de zending verbonden.
In de tweede plaats vergete men niet, dat wij over de zendingsroeping der kerk handelen, welke zij vervult door de ambten en bedieningen en dat de taak, welke daaruit volgt, aan de ambten en bedieningen wordt toevertrouwd.
Dit raakt derhalve ook den Dienaar des Woords. Ook hij staat in de zendingsroeping der kerk en bijzonderlijk als arbeidende in het Woord.
Doch daarmede is niet alles gezegd, want de titel Herder en Leeraar gaat vooral in het herderlijke reeds verder dan de prediking, al is ook zijn herderlijk werk, arbeid in het Woord.
Herder en Leeraar wijst duidelijk op de twee zijden van zijn ambt, overeenkomstig ook de tweezijdigheid des geloofs : niet alleen een stellig weten, maar ook een vast vertrouwen.
In de gevestigde gemeente treedt de Herder en Leeraar op en dit werpt een ander licht op zijn arbeid. Bij den Herder past het beeld van de kudde des Heeren, welke door hem geweid wordt. Het brengt ons bij het innerlijke leven. De schapen zijn aan zijn zorg toevertrouwd, opdat hij ze leide in den effen weg des Heeren.
Het herderlijk werk ligt op den voortgaanden weg van de zendingsroeping. Wij herinneren weer aan het bevel des Heeren, waaraan is toegevoegd: leerende hen onderhouden al wat Ik u geboden heb. Het brengt hem in het leven der gemeente, het leven des geloofs. Ook het geloofsleven heeft zijn groei en zijn persoonlijke aangelegenheden. Het heeft noodig geoefend te worden haar den regel des geloofs, opdat er voortgang zij in de kennis van God en in waarachtige Godsvrucht.
Als de Schrift den Christus den oversten Leidsnian des geloofs noemt, geeft zij daarin te kennen, dat de Christus zelf de hoogste Profeet en Leermeester is, die door Zijn Heiligen Geest in alle waarheid leidt, gelijk Hij ook beloofd heeft. (Joh. 16 : 13). Doch ook in dit werk wil Hij gediend zijn door menschen, zooals uit het bovenaangehaalde woord blijkt: leerende hen onderhouden al wat Ik u geboden heb.
Zoo rust op de kerk ook de roeping om elkander tot een hand en een voet te zijn en de taak, welke veelal wordt aangeduid met geestelijke verzorging. Daarmede hangt ook samen, dat zij waakt over de zuiverhouding der leer, opdat zij getrouw blijve aan het overgeleverd geloof. Want het is duidelijk, dat dit werk geen nut kan hebben, zoo men elkander tracht op te bouwen in een geloof, dat niet naar de Schriften is. Het werk van den oversten Leidsman des geloofs kan wel door geen macht ter wereld worden gekeerd, maar, die van Hem geleid begeeren te worden, kunnen zulks toch alleen verwachten in den weg, door Hem bepaald.
Hoe zal men op Zijn zaligheid hopen, zoo men die zoekt, waar zij niet te vinden is en Hem niet als een volkomen en algegenoegzamen Zaligmaker belijdt.
Het onderhouden van alles wat Christus geboden heeft, is een opdracht aan de kerk, welke haar verplicht haar belijdenis rein te bewaren en daaruit te leven, onderzoekende alles wat de Heere geboden heeft.
Degenen, die in het Woord arbeiden, worden niet zonder reden Herders en Leeraren genoemd, wijl aan hen deze dingen in het bijzonder worden toevertrouwd. De Heilige Schrift spreekt van medearbeiders Gods, die vergeleken worden bij de akkerlieden. Deze kunnen den wasdom niet geven, doch wanneer de akker niet bewerkt wordt, kan men geen vrucht verwachten. Zoo kunnen ook de geestelijke akkerlieden den wasdom niet geven, doch de Heere heeft hen in Zijn akkerwerk gesteld.
En gelijk de landman met beleid te werk gaat, opdat de plant naar haar aard wordt behandeld en verzorgd, zoo heeft ook de geestelijke arbeid zijn aard. Het moet geschieden naar den gang van het werk.
Zoodra de akker uitspruit, begint het herderlijk werk, en het ligt voor de hand, dat dit in de gevestigde gemeente een groote plaats moet innemen. En hoevele moeiten en zorgen dit mede brengt, kan reeds worden verstaan uit het woord van den apostel, die bij alles, wat hem wedervaart, ook de zorgen der gemeenten noemt. Deze apostel is tevens een levend getuigenis van den organischen saamhang van de zendingsroeping en de herderlijke zorg, waartoe de kerk en haar ambtsdragers zijn geroepen.
Dit kan ook worden toegelicht met de leer der Sacramenten. Wij wezen inzonderheid bij den zendingsarbeid op het Sacrament des Doops als een teeken en zegel van de inlijving in Christus' gemeente. Daarentegen kan men op de beteekenis van het Heilig Avondmaal wijzen in verband met de herderlijke roeping. Wij denken daarbij aan de woorden van Calvijn, welke onlangs werden aangeroerd, als hij over het Heilig Avondmaal gaat handelen en gewaagt van de voortdurende zorg des Heeren over Zijn kinderen, waarvan het een teeken en zegel is.
Welnu, de herderlijke zorg staat in dienst van die Vaderlijke zorg voor Zijn huisgenooten. Zij heeft in dat geloof te arbeiden, opdat zij daarvan een zekere afschaduwing en weerspiegeling kan zijn. Het is de oefening des geloofs, welke leert zich aan die Vaderlijke hand toe te vertrouwen met verzaking van zichzelf. Zooals reeds werd opgemerkt, de herderlijke arbeid is betrokken op de werkzaamheid des geloofs en het innerlijke leven. Hij draagt de kenmerken van het werk in den wijngaard, onder welk beeld de Christus dezen voorstelt, doch de achtergrond van den herderlijken arbeid is de gemeenschap met Christus. Daarop steunt hij en daarop is hij gericht. Oefening in de gemeenschap met Christus. Oefening in de gemeenschap der heiligen.
Men versta hieruit niet, wat wij Doop en Avondmaal uit elkander zouden scheuren. Geenszins, zoomin daar een leven der gemeenschap met Christus kan zijn zonder wedergeboorte of omgekeerd. In de wedergeboorte is het God, die gemeenschap zoekt en tot stand brengt door Zijn Geest, zoodat de oefening des geloofs niet anders dan een vrucht der wedergeboorte kan zijn. Doch daarom kan men niet tegenspreken, dat de Doop in orde aan het Avondmaal voorafgaat. Waar het Woord wortel schiet, wordt de Doop in den drievuldigen Naam begeerd. Daar houdt de zendeling op en neemt de herder en leeraar het werk over. Daarmede is niet gezegd, dat deze nu ook een andere man moet zijn, doch de verhouding is een andere geworden. De gedoopte is in een andere betrekking tot Christus en Zijn gemeente gekomen. Die eerst zonder God in de wereld was, is een erfgenaam geworden der belofte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's