Als een huisgezin.
De schriftuurlijke eisch, dat alle dingen in de gemeente eerlijk en met orde geschieden, is uitteraard een eisch aan de kerk in haar aardsche openbaring. Het behoeft ook geen betoog, dat deze eisch in de eerste en voornaamste plaats betrekking heeft op de instellingen of dnzettingen van den Koning der kerk, m.a.w. op den dienst des Woords en der Sacramenten, en op de ambten en bedieningen.
Ieder op haar beurt vragen deze goddelijke instellingen om regelen van orde, dus om leiding of kerkregeering. Vóór alles is dus noodig, dat het regeerambt wordt toebetrouwd aan daartoe bekwame personen. Het woord ouderling herinnert aan de schriftuurlijke orde om de ouderlingen te kiezen uit de ouderen of oudsten. (1 Tim. 5 : 17).
Deze worden in twee groepen onderscheiden : ouderlingen, die in het Woord arbeiden, derhalve het profetische ambt bekleeden, en ouderlingen, aan wie het koninklijke of regeerambt wordt opgedragen. Aan deze tezamen is de leiding en regeering der gemeente. Daarnaast zijn de diakenen geroepen tot 't priesterlijk ambt.
Wij lezen dan ook, dat in elke gemeente ouderlingen werden verkozen. (Hand. 14 vs 23). Dit raakt op zichzelf weer een punt van orde. Hoe worden de ambtsdragers verkozen ?
Dit geschiedt, zooals uit den aangehaalden tekst blijkt, door de gemeente. Deze verkiezing is alzoo de eerste officieele handeling der gemeente. Zijn de ouderlingen gekozen en in het ambt bevestigd, dan heeft de gemeente haar regeering en wettige vertegenwoordigers. Omtrent de verkiezing der ambtsdragers hebben de reformatorische vaderen twee wegen aangewezen. Zij geschiedt door de gemeente in haar geheel, dus door de lidmaten, of door den kerkeraad. Dit laatste vanzelfsprekend, als er reeds een kerkeraad is.
Wat de taak en roeping der ambtsdragers betreft, is geen nadere toelichting noodig. Deze ligt in de ambten besloten, welke door Christus zijn ingesteld tot volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus. (Efeze 4 : 11). De formulieren tot bevestiging spreken dienaangaande duidelijke en schriftuurlijke taal. De orde der kerk wordt feitelijk geheel en al door de ambten en bedieningen bepaald. De roeping ligt in de ambten zelf, zooals zij door Christus zijn ingesteld. Zij zijn de instituten der kerk, welke op gezag van Christus behooren te worden in eere gehouden, overal, waar de kerk tot openbaring komt. Uit dien hoofde zouden wij liever niet van de kerk in het instituut, het instituut der kerk of de kerk als instituut spreken. De kerk is geen instituut, maar heeft haar goddelijke instituten of instellingen.
Die instellingen als zoodanig kunnen in de kerk niet worden betwist. Evenmin het goddelijk gezag, waarop zij steunen. De kerk is van Christus. Hij is haar eenig Hoofd en eeuwige Koning, die haar door Zijn Woord en Geest regeert. Gelijk de gansche kerk op de gehoorzaamheid aan het Woord des Konings is aangewezen, is ook het ambt geroepen haar daarin te leiden en voor te gaan. Het Woord is regel en richtsnoer des geloofs en dientengevolge regel en richtsnoer voor de ambtsdragers. Over de bevoegdheid en het gezag van de ambten heeft de kerk niets te zeggen. Zij heeft slechts ijverig te onderzoeken, welke de meening des Geestes is.
Het beleid van het ambt moet gericht zijn op de volmaking der heiligen tot het werk der bediening en de opbouwing van het lichaam van Christus. Zoo kan het ambt slechts in het geloof gediend worden. Daarin ligt tevens een waarschuwing tegen eigenmachtig optreden en handelen op eigen gezag. Ambtelijke handelingen zijn handelingen in den Naam van Christus. Met dien heiligen Naam kan men geen eigenwilligheden dekken en recht staan in de bediening. Het is daarom de aangewezen weg, dat degenen, die tot vervulling der ambten in de gemeente geroepen zijn, in gemeenschappelijk overleg de zaken en aangelegenheden der gemeente behartigen als voor het aangezicht van Christus.
Het gemeenschappelijk beleid zal dus niet alleen een voortdurend en nauwgezet onderzoek der Schriften vragen, maar daarbij ook het gevoelen der kerk in het oog houden, gelijk zij dat in haar belijdenis heeft neergelegd, opdat de kerkregeering in woord en daad overeenkome met het gemeenschappelijk geloof en bevorderlijk zij aan de onderhouding daarvan.
Het is ook niet noodig over de eischen en voorwaarden voor de verkiezing tot het ambt veel te zeggen, omdat de Heilige Schrift daaromtrent uitvoerige en duidelijke aanwijzingen geeft. (b.v. 1 Tim. 5).
Daarentegen kan het zijn nut hebben er op te wijzen, dat van het wijs beleid der ambtsdragers veel gevraagd wordt. Velerlei kunnen de moeilijkheden, de zorgen, nooden en behoeften zijn, die zich in de gemeente voordoen. In dit alles met de roeping voor oogen leiding, hulp, bijstand te verschaffen en naar geloof en geweten te handelen, vraagt bovendien de volle vrijheid om alzoo te kunnen doen.
De gemeente toch is als een groot huisgezin. Paulus spreekt van de huisgenooten Gods. (Efeze 2 : 19), Zoo draagt ook de kerkregeering een herderlijk of vaderlijk karakter. Zij ëischt alzoo een dienovereenkomstig beleid en vrijheid, zoowel gehandhaafd als gebonden door de roeping van kerk en ambt en rekenschap schuldig zijnde aan Christus.
Niet zonder reden eischt de Schrift, dat tot ouderlingen gekozen worden mannen, die hun gezin wèl regeeren. Daarin geeft zij getuigenis van het overeenkomstig karakter van de regeering van een huisgezin en van een gemeente. De huisvader, die zijn huis wèl regeert, toont de gaven en wijsheid te hebben, die voor zulk een beleid noodig zijn: zijn kinderen in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid. Want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen ? (1 Tim. 3 : 4, 5). Daarmede is de regeering eener gemeente geteekend, ook in haar aard als zelfstandige openbaring van de familia Christi. En dat heeft zijn eigenaardige gevolgen voor de orde der gemeente.
Deze mag niet worden belemmerd door reglementen, wetten en bestuursregelingen van een eenheidsinstituut. Dit beteekert zelfs niet alleen belemmering van de huisvaderiijke regeering der gemeente, maar haar opheffing. Zij wordt tot een bestuur in plaats van een regeering en snijdt den weg van zulk een beleid af als met den toestand van en de omstandigheden in de gemeente, welke het geldt, overeenkomen.
Daarom is er behoefte aan een orde, welke haar grond en beginsel ontleent aan de Heilige Schrift en de belijdenis der kerk. Als zoodanig moet zij aanspraak maken op algemeene geldigheid in de kerk des Heeren, gelijk in haar gemeenschappelijke onderhouding ook een beginsel van Christelijke tucht is gegeven. Doch overigens worde de regeering van elke gemeente aan haar oordeel en beleid overgelaten. De gemeenschap der kerken sluit immers ook onderling overleg ten aanzien van de gemeenschappelijke roeping der kerk in, terwijl daar een onderling beroep om raad en bijstand is, om niet te vergeten, dat zulk beroep ook de gemeenschappelijke aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van de kerk des Heeren kan raken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's