Zefanja, de profeet van den dag des Heeren
II.
Bij het zoeken naar een nadere dateering van het boek Zefanja stuit men op verscheidene vragen. Is dit woord uit den tijd vóór de reformatie van Josia of na 622 ? Velen meenen, dat het beeld, dat Zefanja ons teekent van de verhoudingen in Jerusalem, het best past in de tijd voor Josia's hervorming. **) Dat beeld is donker. Het heidendom is in groote eere; de Baalsdienst wordt ijverig beoefend. Men buigt zich neer voor het heir des hemels ; men offert dus op de daken, bewijs, dat men rechtstreeks de hemellichamen aanbidt. Van die aanbidding gewaagt ook Job (h. 31 VS 26, 27), als hij zijn onstraffelijke wandel getuigt en als een zuiveringseed voor God aflegt: Zoo ik het licht d.i. de zon) heb aangezien, wanneer het scheen, of de maan, wanneer zij heerlijk haar weg voortging en mijn hart is verlokt geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft —, dat ware ook een misdaad bij den Rechter, want ik zoude den God daarboven verloochend hebben. Hieruit blijkt wel duidelijk hoe groote zuigkracht voor den Israëliet uitging van de dienst der hemellichamen, die de Heere een, gruwel noemt. (Deut. 17 vs 4). Afgoderij en valsche godsdienst dus. Officieel heeft men den dienst des Heeren niet afgeschaft. Ammon geeft zijn zoon de mooie naam : Josia, wat waarschijnlijk beteekent : God schraagt. Maar het vasthouden aan den uiterlijken dienst in sommige dingen is vorm, waaraan het wezen ontbreekt. Zeer veel van buitenlandsche makelij deed zijn intrede in Juda. Met vreemde kleeding kleedde men zich en God zal er bezoeking over doen. Zit het dan in de kleeding ? Het kleed openbaarde de gezindheid des harten : het hart ging uit naar Assyrië ; de buitenlandsche import in leer en leven was beter dan wat Israël van de vaderen als een erfdeel ontvangen had en dat, terwijl Israël een afgezonderd volk zoude zijn, het zoude alleen wonen en met de heidenen niet geteld worden! Die naaperij van de Assyriërs was dus zoo onschuldig niet! ') De Heere weegt de geesten. En bij dit alles voegt zich een religieus indifferentisme, niet het minst van de rijken, die stijf geworden op hunnen droesem, in hun hart zeggen : de Heere doet geen goed en de Heere doet geen kwaad. Het is al zoo lang goed gedaan; zoovele jaren merkten zij niets van de gerichten des Heeren en nu meenen ze, dat ze dan ook voortaan wel niets van dien kant te vreezen hebben. Nog zijn er velen, die zoo spreken, de practische ahteïsten, die doof en onverschillig zijn voor Gods Woord en die zichzelf hebben wijsgemaakt, dat God zich even weinig om hen bekommert als zij om God ; menschen, die op dezelfde wijze over God oordeelen, als de geloovige Israëlieten over de verfoeiselen der heidenen. (Vreest niet, zegt Jeremia (h. 10 vs 5) voor de afgoden, want ze kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen). De menschen zetten God buiten Zijn eigen schepping en sluiten Hem op in den hemel en fingeeren zich zoo een God, die geen God is.
De toonaangevende kringen worden waarlijk niet gespaard. Vorsten en rechters worden vergeleken met leeuwen en wolven : profeten en priesters vallen onder Gods oordeel; zelfs de geestelijke leiders van het volk deugen niet. (h. 3 vs 3, 4). Dezelfde verwijten vindt ge bij Jeremia (h. 23 vs 32) en later bij Ezechiël (h. 22 vs 26).
Waren, zoo vraagt men, zulke hemeltergende toestanden wel mogelijk kort na Josia's diep ingrijpende hervorming en vernieuwing van het verbond voor Gods aangezicht ? Neen, zegt Prof. Ridderbos en velen met hem. ''')
Dr Smit ") meent, dat Zefanja's profetie is uit den tijd na de hervorming, dat dan ook verklaard is, waarom men bij het vinden van het wetljoek (2 Kon. 22 vs 10) wel de profetes Hulda, maar niet Zefanja geraadpleegd werd. Maar dit argument houdt geen steek, omdat de profeet Jeremia, die toch in 627 tot profeet werd geroepen, ook niet door den Koning, voorzoover ons bekend is, geraadpleegd wordt na het vinden van het wetboek in den tempel.
Het is zeer wel mogelijk, dat we in deze profetie een bewijs temeer hebben, dat er uitwendig veel kan veranderen, terwijl van binnen alles bij het oude blijft. Zonder eenigen twijfel is Josia bij zijn kerk-reformeerend werk op zeer veel tegenstand gestuit.") Josia kon wel vorsten en onderdanen terug roepen tot de wet en tot de getuigenis, maar hij kon de wet niet inschrijven in hunne harten, opdat ze daarvan niet zouden afwijken. „Hij kon wel de afgoden van hun voetstukken af, maar niet uit het hart van de massa wegrukken". ") In de leidende kringen zullen wel velen, toen er aan het hof een andere wind ging waaien, de huik naar den wind hebben gehangen. Misschien hebben ze wat meegehuicheld om de wille van den vromen Josia; maar ze maken zich rijp voor het gericht, want de Heere heeft hen doorzien en het brutale egoïsme en de niets ontziende corruptie, die, naar ook andere profeten getuigen, bij de hofkliek gevonden werd, wordt aan de kaak gesteld en de Heere zal het vergelden. Dan is het wel heel erg, als ondanks al Gods bemoeienissen, men zich niet bekeert.
Ook Calvijn dateert Zefanja's boek na de hervorming van Josia : Ook al diende Josia den Heere van harte, het volk was niet bekeerd. Zooals dikwijls geschiedt, dat de Heere de beste leidslieden en voorgangers geeft, maar weinigen of bijna niemand volgt hen na. Zoo heeft Josia ook zonder twijfel ervaren, dat het hart van het volk zoozeer van God was vervreemd en van de ware Godsvrucht, dat het liever in zijn vuil wilde omkomen dan wederkeeren tot de zuivere dienst des Heeren. ^^)
Nu wijst men er wel op, dat we in h. 1 vs 8 lezen, hoe de Heere bezoeking zal doen over de vorsten en de kinderen des konings, en dat daar niet genoemd wordt de koning. Daar zou Josia niet genoemd worden, omdat hij nog minderjarig was "), maar niet om zijn minderjarigheid wordt daar Josia niet gedreigd met het oordeel des Heeren, maar veelmeer, omdat hij geen deel had aan de verbreking van het verbond Gods, waaraan breede lagen van het volk zich schuldig maakten.
De uitdrukking : Ik zal het overblijfsel van Baal uitroeien, wijst er ook op, dat reeds een begin gemaakt is met de uitroeiing ; hoewel ook wel vertaald wordt: Ik zal Baal tot de laatste rest uitroeien.
(Wordt vervolgd.)
6) B. V. Lippl, Der Prophet Sophonias, s 18. Ook Sellin, Eissfeldt, Volz enz. zijn van deze meening.
7) Bij Jesaia vinden we hetzelfde protest tegen wat van buiten wordt ingevoerd, b.v. in h. 3 vs 6 : aan de kinderen der vreemden toonen zij behagen, v. d. Flier in T. en U. vertaalt : met vreemden verbroederen zij zich. Zoo is te verklaren de klacht der profeten, dat Israël gelijk is geworden aan de volken rondom, een volk als ieder ander volk, maar een wereldsch, een heidensch volk. Denk aan Hozea.
8) Uit de overmacht van Assyrië en uit de politiek-cultureele weerloosheid van Juda trok men de conclusie, dat ook de God van Juda onmachtig was. Zoo : Volz, a. a, O, Sp 2106.
9) In Tekst en Uitleg, Kleine Profeten, III, p. 8.
10) Men vergelijke Kittel, 1. c, s 412 f.
11) Snijman, De Profetie van Zefanja p—18. Deze wijst er ook op, evenals Lippl s 24, dat het resultaat van Josia's reformatie geenszins zoo diep ingrijpend is geweest. Er was geen algeheele omkeer en dus slechts uitstel van het verderf.
12) Praelectiones in Sophoniam, ad 1, 4.
13) o.a. Volz, 1. c.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's