De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

De belofte is door de Wet niet krachteloos gemaakt. Vers 15—18

Hoofdstuk III.

De belofte is door de Wet niet krachteloos gemaakt. Vers 15—18. (IV)

Want indien de erfenis uit de Wet is, zoo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis gena diglijkgegeven. Vers 18 .

In Romeinen 4 vers 14 lezen we : „Want indien degenen, die uit de Wet zijn, erfgenamen zijn, zoo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.

Het onderscheid is dus helder. De Wet is nu eenmaal iets anders dan de belofte. En 's menschen natuurlijk verstand, hoe blind het ook is, moet toch begrijpen, dat „belooven" iets anders is dan ,,eischen", en dat „schenken" niet hetzelfde is als „ontvangen".

De Wet eischt dat we werken zullen ; de belofte omtrent het Zaad biedt ons Gods geestelijke en eeuwige weldaden, en wel om niet, dat wil zeggen: om Christus' wil.

De erfenis en de zegen wordt door ons dus niet uit de Wet, doch uit de belofte verkregen ; wie derhalve de Wet heeft, die heeft niet genoeg, omdat hij den zegen nog mist, zonder welken de mensch onder den vloek blijven moet. Daarom kan de Wet niet rechtvaardigen, omdat zij den zegen moet ontberen. Wanneer dus de erfenis uit de Wet was, dan zou God een leugenaar bevonden worden, in welk geval de belofte afgedaan zou hebben. Evenzoo : wanneer de Wet den zegen kon verwerven, waarom zou God dan nog met een belofte behoeven te komen?

Toch heeft Hij beloofd : ,, In uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend wor­den". Waarom heeft God niet gezegd: „Doet dat, en gij zult gezegend worden", of : „Door de Wet te houden kunt ge het eeuwige leven verkrijgen en deelachtig wor­den". De erfenis is evenwel geschonken door de belofte ; niet door de Wet! Men kan niet loochenen, dat God, vóórdat de Wet er was, aan Abraham door de belofte den zegen of de erfenis verleend heeft, te weten : vergeving van zonden, gerechtigheid, eeuwig leven, opdat wij kinderen en erfgenamen Gods zouden zijn, en mede-erfgenamen van Christus. De zegen is gegeven, zonder de Wet en de werken in aanmerking te nemen, want God is met het schenken van de erfenis gekomen, voordat Mozes nog geboren was, en voordat er nog maar een mensch aan de Wet gedacht had. Wat zoudt ge dus roemen, dat de gerechtigheid door de Wet verkregen wordt, wanneer het een feit is, dat uw vader Abraham gerechtigheid, leven en zaligheid verkregen heeft, zónder de Wet en vóór de Wet, ja, voordat er iemand was, die de Wet houden kon? Wie hierdoor niet bewogen wordt, die is wel blind en verstokt.

Het doel der Wet. Vers 19—29. (I).

Waartoe is dan de Wet ? Vers 19.

Wanneer wij leeren, dat de mensch zonder de Wet en, de werken gerechtvaardigd wordt, dan moet noodwendig de vraag volgen : indien de Wet niet rechtvaardigen kan, waartoe is zij dan gegeven?

Zoo kan ook gevraagd worden : waarom dringt God bij ons tot het houden der Wet aan, en waarom belast Hij ons met baar, wanneer zij ons niet levend maken kan ?

Waarom is het noodig, dat wij door de Wet geplaagd en gemarteld worden, wanneer zij, die slechts één uur gearbeid hebben, met ons zullen gelijkgesteld worden, wij, die de hitte des daags verdragen hebben?

Wanneer de genade komt, welke door het Evangelie wordt gepredikt, dan ontstaat er terstond een groot gemurmureer, en zonder dit kan het Evangelie niet worden verkondigd.

De Joden verkeerden namelijk in de meening, dat zij gerechtvaardigd konden worden, als zij de Wet hielden. Toen zij dan ook het Evangelie hoorden verkondigen door Christus, die in de wereld gekomen is : niet om rechtvaardigen, maar zondaren zalig te maken, en toen zij vernamen dat zondaren hen zouden voorgaan in het Koninkrijk Gods, — toen werden zij heftig verontwaardigd, en beklaagden zich, dat zij gedurende zoovele eeuwen het zware juk der Wet met groote moeite en inspanning getorst hadden, en allerellendigst door de tirannie der Wet gemarteld en gekweld waren, zonder eenig nut, ja zélfs tot hun schade en nadeel. Den heidenschen afgodendienaars, zoo zeiden de Joden, viel de genade zoomaar ten deel, zonder er iets voor gedaan te hebben.

Daarom morren ook heden ten dage de papisten, zeggende: wat voor nut heeft het, wanneer wij, die twintig, dertig, veertig jaren als monnik geleefd hebben, kuischheid en gehoorzaamheid in acht namen, armoede leden, onze gebedsuren hielden, missen lazen, ons lichaam afmartelden met vasten, bidden en geeselingen, — ik zeg: wat voor nut heeft dit alles, wanneer wij slechts gelijk zijn aan een gewone man of vrouw, aan een vorst, een burgemeester, onderwijzer of leerling, zelfs aan een eenvoudig daglooner, een meid of een knecht ? Wat voor nut heeft al het opgesomde, wanneer deze menschen niet alleen aan ons gelijk, maar zelfs beter en waardiger zijn dan wij ?

Deze vraag is moeilijk, en zij kan door het natuurlijk verstand niet opgelost worden. Het ergert zich dan ook aan haar. Weliswaar begrijpt het natuurlijk verstand des menschen iets van de gerechtigheid, welke uit de Wet is. Het leert die, en dringt er op aan. Ook beeldt het zich in, dat zij gerechtvaardigd zijn, die de Wet volbrengen; doch van de wezenlijke taak en strekking der Wet verstaat het natuurlijk verstand niets. Hoort Paulus' uitspraken, welke der wereld onbekend zijn, namelijk dat de Wet gegeven is ter wille van de zonde, dan oordeelt het aldus : Paulus heft de Wet op, want hij zegt, dat wij door haar niet gerechtvaardigd worden. Hij lastert zelfs tegen God, die de Wet geschonken heeft. Paulus toch beweert, dat de Wet slechts vanwege de zonde gegeven is. Wanneer dit zoo is, laten wij dan maar leven als de heidenen, die de Wet niet hebben; laten wij dan maar zondigen, en in de zonde blijven leven, opdat de genade te meerder worde. Laten we insgelijks dan ook het kwade maar doen, opdat het goede er uit voortkome.

Zoo redeneerde men tijdens het leven van den apostel; en zoo redeneert men heden nog. Wanneer het domme volk het Evangelie verneemt, en hoort, dat gerechtigheid ons uit louter genade ten deel valt, alleen door het geloof zonder de Wet en de werken, dan komt het tot dezelfde conclusie als eens de Joden : wanneer de Wet niet rechtvaardigt, dan zullen we maar geen goede werken meer doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's