De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers.

9 minuten leestijd

Kerkelijke armenzorg.--De herleving der Gereform. beginselen

Kerkelijke armenzorg.

De kerkelijke armenzorg is den laatsten tijd in meer dan één kerkelijk blad aan de orde gesteld. Het Hervormd Zondagsblad publiceert een overgenomen artikel over „Staat en Kerk en de Armenzorg". Het is niet overbodig dat wij in deze tijden hiervan eens kennis nemen. Volgens de Armenwet, dan — aldus het bedoelde artikel — zijn de kerken vrij in het beheer en de wijze van steunverleening van hun behoeftige leden. Bevelen van de overheid hebben zij dienaangaande niet af te wachten. In 1848 werd echter bij de grondwetsherziening door de regeering voorgesteld het artikel over het armwezen als volgt te doen luiden : „Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der regeering en wordt door de wet geregeld". Op 24 Aug. 1848 zeide Mr AE. baron Mackay hierover het volgende in de Tweede Kamer : „Voor de ontwikkeling van het armwezen en der beginselen tot voorziening daarin acht ik het van groot belang, dat alle private en kerkelijke besturen vrij blijven werken endat deze zelfstandigheid ongeschonden bewaard blijve. Ik had dus liever gelezen : openbaar armbestuur". Verder zeide hij : „Nu die toevoeging niet is aangenomen, acht ik mij verplicht te verklaren, dat ik, die wet aannemende, dat artikel in dien zin versta, dat diaconieën en andere dergelijke armbesturen vrij blijven in hunne werking en niet begrepen zijn onder het armbestuur, dat blijkens dit grondwettig voorschrift een onderwerp van de zorg der regeering blijft". De regeering redeneerde in haar antwoord betrekkelijk langs de kwestie heen en zeide: „Wat het armbestuur betreft, ook dit zal door de wet worden geregeld; doch zeker niet zoo, dat bijzondere instellingen van weldadigheid worden aangetast". Het Kamerlid Mr Mackay beoordeelt een studie over de wettelijke regeling van het armwezen. In deze beoordeeling zegt hij o.m. het volgende :

„Die den voet op dit terrein zet, wete dat hij het kranke deel der maatschappij aanroert en dat hij er twee geneesheeren ontmoet : de kerk en de christelijke liefdadigheid, die alleen het geheim der genezing bezitten. Weert of verlamt gij die door uw wettelijke staatszorg, gij zult uwe onmacht tot genezing gevoelen, en wilt gij den kranken hopeloos verlaten, hij grijpt u aan en sleept u ten verderve. Van den Staat af naar de kerk toe — ziedaar de spreuk, die voor het kleine geschrift zoude passen''. In 1851 wilde Thorbecke een nieuwe armenwet invoeren, waarvan de grondgedachte was dat alle Hefdadige instellingen, dus óók de kerkelijke en particuliere, aan de wet zullen onderworpen zijn. Door de val van het ministerie komt dit ontwerp niet in behandeling. Het ontwerp, dat in 1854 aangenomen werd, ging van heel andere gedachten uit. De overheid zou o.a. de ondersteuning der armen overlaten aan de kerkelijke en bijzondere instellingen. Ook bemoeide de wet zich niet met de inwendige aangelegenheden van de kerkelijke en andere instellingen. Bovendien zullen eerst de kerkelijke en particuliere instellingen optreden en daarna de overheids-armenzorg. Dit zijn ook de gedachten van de Armenwet 1912. In de toelichting op de wet van 1912 kunncn wij het volgende lezen : „Nederland is steeds geweest het land der vrije liefdadigheid. In die vrije liedadigheid neemt de christelijke barmhartigheid de oudste en eerste plaats in. Deze toestand is in overeenstemming met het karakter van de natie, van welker bestaan het christendom de grondslag is. Eerbiediging van dit karakter is voor den wetgever vooral op het terrein van de armenzorg eisch, op straffe niet alleen van anti-nationaal werk te leveren, maar ook van de hoogste belangen van het volk geweld aan te doen. De meest gewenschte toestand zou zijn bereikt, wanneer de liefdadigheid in staat was het geheele werk der armenzorg te volbrengen".

Armenzorg is in de eerste plaats een individueele plicht. Ieder individu heeft van nature en krachtens Gods geopenbaarden wil het recht en de plicht een behoeftige bij te staan. Ieder individu heeft ook het recht voor meer doeltreffende armenzorg zich met anderen te vereenigen. Dit laatste zien we bij het ontstaan der diaconieën in de Christelijke kerk.

Mannen vol van wijsheid en vol des Heiligen Geestes werden als diakenen aangesteld. Hier werkte de drang der broederliefde. Wat men had, beschouwde men niet alleen als aan zichzelf toe te behooren. Men voelde zich als eene corporatie, als leden van één lichaam. Daarom kon niet geduld worden dat er waren die gebrek leden, terwiil anderen overvloed hadden.

Hierin wordt getoond wat in het christelijk geloof besloten zit. De kerk wordt hierin gedreven door het heilige liefdesbeginsel dat Christus in het hart der Zijnen heeft ingeplant.

Groen van Prinsterer had óók deze gereformeerde kerkelijke opvatting. Meer Luthersch is de opvatting, dat hier alléén een taak is voor de burgerlijke overheid. Luther sprak het bekende woord : „dasz gehort aufs Raathaus". Daarmede verwees hij de armverzorging van het terrein der kerk naar dat der burgerlijke overheid.

In dit verband willen wij wijzen op een geschriftje van Ds J. G. Woelderink over Het kerkelijk karakter der Diaconieën, vooral ten plattenlande. Dit geschriftje is no. 6 van een reeks geschriften van de Federatie van Diaconieën in de Ned. Hervormde Kerk. Laten" wij de stellingen, waarover dit boekje handelt, u mogen voorleggen :

I. Ten platten lande is de Diaconie in de meeste gevallen een bedeelingsinstituut; de diaconale ondersteuning en hulp wordt dientengevolge als een vernederend iets beschouwd.

II. De oorzaak hiervan ligt voornamelijk in de eigenaardige toestanden op kerkelijk en staatkundig gebied, waarmee de Diaconie in de vorige eeuwen te rekenen had en waardoor de ontwikkeling bepaald werd. Kerkelijke verandering, die in het midden der vorige eeuw in dit opzicht plaats greep, bepaalde zich meer tot den vorm dan tot het wezen. De beginselen, waarnaar de Diaconieën werken, doen nog zelden het onderscheid tusschen kerkelijke en burgerlijke armenzorg uitkomen.

III. Zal de Diaconie beantwoorden aan het doel, dat haar is gesteld, dan is het noodig, dat men zich rekenschap geve van dit doel en van de wegen, die onder de huidige omstandigheden tot bereiking daarvan moeten gevolgd worden.

IV. Daarvoor is eenerzijds noodig, dat de Diaconie een apart college vorme, wel in verband met, maar niet opgaande in den Kerkeraad. De instelling van het Diaconaat in Hand. 6 doet deze scheiding als gewenscht duidelijk aan den dag treden. Anderzijds is evenzeer noodig, dat de Diaconieën onderling in kerkelijk verband met elkaar zijn verbonden, opdat gezamenlijk beraadslaagd kan worden over de beginselen der Kerkelijke Armenzorg en haar toepassing in de practijk.

V. Het huidige toezicht der Besturen dient hoofdzakelijk om onregelmatigheden te voorkomen ; het is ten eenenmale onvoldoende om de Diaconale Armenzorg tot nieuwe ontwikkeling te brengen. Dit kan trouwens niet van de Besturen uitgaan ; zulk een nieuwe ontwikkeling dient uit de Diaconieën zelf op te komen.

VI. Alle hervorming zal echter vormelijk en zonder waarde blijken, indien niet de band tusschen Diaconie en Gemeente verlevendigd worde en opnieuw in den Diaconalen arbeid het hart der Gemeente gaat kloppen.

Bij stelling VI. mogen we wel laten aansluiten het slot van het geschriftje : „Het zal u duidelijk zijn, wat wij bedoelen. De Diaconie kan niet losgemaakt worden van de Gemeente des Heeren. Wanneer nu de Gemeente des Heeren niet is wat ze behoort te zijn, wanneer het leven des geloofs en der liefde niet krachtig in haar klopt, wanneer de gemeenschap der heiligen een woord is geworden en weinig meer, kan ook de Diaconie niet zijn wat ze behoort te wezen. Als de boom kwijnt, kunnen de vruchten niet gaaf zijn".

We mogen er van verzekerd zijn, dat ook hier

De herleving der Gereform. beginselen

van de grootste beteekenis zou blijken te zijn. Prof. Dr Hoedemaker wees hierop in zijn redevoering bij de overdracht van het rectoraat aan de Vrije Universiteit, 20 Oct. 1883. Hij zeide o.m., dat de Diaconie door de private, onsamenhangende liefdadigheid meer en meer overvleugeld en tot concurrent werd gemaakt van den Staat. Ja, ook van op zichzelf staande vereenigingen, die voor een deel het opzet hebben, de Kerk in dezen overbodig te maken. Dit werd gezien als het ergste dat zij zelve door de noodzakelijkheid van het oogenblik gedrongen werd in den hoek van Conservatisme en Mechanisme, waarin niet langer gerekend wordt met de eischen van het Woord, het heil der zielen, den band der gemeenschap, maar alleen met het belang van den buidel. „En toch gaat het ook hier om de eere van Christus, die, ja laat ons het zeggen, door het natuurlijke medelijden en de z.g.n. christelijke liefde wordt miskend. Niet God, maar de mensch wordt door deze mededeelzaamheid verheerlijkt. De Christus Consolator verdwijnt ; vergeten wordt de heerlijke, troostrijke, veelzeggende waarheid : ,,En hij is de behouder des lichaams". „Uit Zijne volheid ontvangen wij genade voor genade". Dr H. vervolgt dan o.a. met deze woorden : „Uit oude actestukken en Kerkeordeningen moet weer worden opgediept wat de Heere onze Kerk omtrent de uitdeeling van de gave van Christus had geleerd.

Het geestelijk karakter van het Diakonaat.

De behulpsels van dit ambt in de Diakonessen, de zieketroosters, de leden der gemeente, ieder voor zich of in kringen vereenigd. De arbeid voor de armen — de zieken — de gekwetsten — de vervolgden — en zooveel wat thans onder de rubriek „Christelijke Philantropie'' wordt samengevat.

Het internationaal karakter, dat het Diakonaat met de Kerk des Heeren gemeen heeft, oudtijds gebleken ten opzichte van de vluchtelingen om de religie, van buitenlandsche predikanten, van Bohemen, Polen, België, de Waldenzen, van  de verdrukte Christelijke bevolking van Syrië".

Dit alles en nog zooveel meer moet dan spoedig voorwerp van opzettelijk onderzoek worden met een zeer practische bedoeling. Dit onderzoek zal met schaamte moeten vervullen om de miskenning van onze oude Kerk. Maar dit onderzoek zal tevens met de yerwachting bezielen, dat „het opleven van de beginselen, waardoor God het haar gaf zulke groote dingen tot stand te brengen, vruchten zal dragen. Niet alleen voor de afgetrokken behandeling der dingen, die men „wetenschappelijk" gelieft te noemen, ' maar voor die echte wetenschap, die zich  in de practijk belichaamt, die den geloóvige, der Kerk, der wereld ten goede komt".

Zou dit ook thans niet ernstig ter harte moeten worden genomen ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's