Sommigen tot evangelisten.
En dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars. (Ef. 4 : 11).
Naast de herders en leeraars worden hier drie buitengewone ambten genoemd: apostelen, profeten, evangelisten. Met buitengewoon wordt dan bedoeld, dat deze niet tot de instituten in de gevestigde gemeente behooren, zooals herder en leeraar, ouderling en diaken. Over de apostelen werd reeds gehandeld. Daarbij werd ook gewezen op een ruimere beteekenis van het woord apostel, b. v. gezondenen der gemeenten. Wij ontmoetten ook de medewerkers van Paulus onder zoodanigen titel.
In 2 Tim. 4 : 5 schrijft Paulus aan Timotheüs toe het werk van een evangelist. En aangezien de evangelist in Efeze 4 : 11 afzonderlijk van de apostelen en herders en leeraren wordt genoemd, is daarin een aanwijzing voor hun afzonderlijke bediening en wij mogen wel zeggen afzonderlijk ambt.
Uit het feit, dat zij medewerkers der apostelen zijn geweest, mag voorts worden genomen, dat zij vooral werkzaam waren in wat wij zouden noemen : het zendingswerk. De uitdrukking apostelen der gemeenten, die wij reeds tegenkwamen bij de bespreking van het apostolaat, wijst op bijzondere zendingen of opdrachten der gemeenten.
Een en ander wijst dus op tweeërlei soort van mannen, die behalve de twaalf, maar dan ook in anderen en ruimeren zin, apostelen worden genoemd: n.l. evangelisten en gezondenen met een bepaalde opdracht.
Bij de evangelisten is er aanleiding om van een ambt te spreken. Prof. Honig vestigt de aandacht er op, dat Calvijn het ambt van den evangelist tijdelijk en buitengewoon noemt, „dat in welgestelde kerken geen plaats vindt, maar in de dagen van de planting en de reformatie der kerk noodig is" (Inst. IV. 34.) (Handb. Geref. Dogm., blz. 742).
Het buitengewoon karakter neemt Calvijn dus niet in dien zin, dat zulk een ambt alleen maar in de dagen der apostelen voorkwam. Hij spreekt over dagen van de planting en reformatie der kerk. Planting der kerk ziet dus op den arbeid der zending en dit is trouwens van toepassing op het werk van den evangelist in de Heilige Schrift.
Tijdelijk is zulk een ambt dan ook, in dien zin, dat, zoodra de gemeente geplant is, de gewone ambten worden vervuld, die de regeering en orde der gemeente behartigen.
Wij denken in verband met dit ambt inzonderheid aan den zendeling, — een naam, die overigens een goede vertaling van het woord apostel geeft. De zendeling doet toch het werk van den evangelist. Hij arbeidt in het Woord en wel tot planting eener gemeente.
Zijn arbeid draagt een buitengewoon en tijdelijk karakter, hetgeen geenszins behoeft uit te sluiten, dat hij zijn leven in dien dienst besteedt. Het tijdelijke hangt aan den aard van den zendingsarbeid.
Het zou dus evenzeer in de lijn der Schrift wezen, indien wij den zendeling met den naam van evangelist onderscheidden. Daartegen is echter het gebruik, dat althans niet op den hier bedoelden zendeling ziet. Toch kent rnen in het kerkelijk leven ook evangelisten, die op het terrein der inwendige zending een post betrekken. Een zekere verwantschap is er dus wel. Men denke aan sommige evangelisatie-posten. Het heeft er in ieder geval iets van, ook in zijn buitengewoon en tijdelijk karakter.
Niettemin denken wij in de eerste plaats aan den zendeling naar buiten, die door de gemeente behoort te worden uitgezonden naar het heidenland. Het uitgezonden worden draagt hij in den naam zendeling, het ambtelijk karakter zou eerder in den naam evangelist worden gevonden. Er zijn immers nog andere uitgezondenen, die weer geen evangelisten zijn, b.v. met een bepaalde opdracht eener gemeente aan een andere gemeente of een persoon. (Epafroditus). Zoo nam Paulus zelf op zich om een collecte over te brengen, maar dat had hij ook aan anderen kunnen opdragen.
Misschien zal iemand opmerken, dat de kerk, zoo zij haar roeping getrouw volgt, voortdurend zending heeft te drijven. Wil zij ernst maken met het ambt van den evangelist of zendeling, dan heft zij het buitengewone en tijdelijke van het ambt op. Dat is echter meer schijn, dan werkelijkheid. Wel zal de kerk voortdurend op haar zendingsroeping bedacht zijii, maar de aard van het werk van den evangelist stempelt dit in het licht der gewone ambten in de gevestigde gemeente tot tijdelijk en buitengewoon.
Er is dan ook aanleiding om zich op het ambt van den zendeling-evangelist te bezinnen. Zoo voorgesteld, is het toeh een buitengewoon kerkelijk ambt, dat zijn schriftuurlijken grond niet mist : Christus heeft sommigen gegeven tot evangelisten. In verband met de zendingsroeping der kerk is er ook plaats voor een gezonden worden als officieele handeling der kerk, m.a.w. een officieele erkenning van dit buitengewone ambt met de daaraan toekomende bevoegdheid.
De bevoegdheid van den zendeling-evangelist raakt eenerzijds aan die van de ouderlingen, die in het Woord arbeiden, dus van den herder en leeraar. Dat schuilt vooral in den naam evangelist, d.i. die het evangelie brengt. Hij doet dat als een gezondene naar buiten. Dat ligt weer in het zendeling of apostel zijn. In hem komt het evangehe tot degenen, die het nog niet gehoord hebben. Men zou kunnen zeggen : in hem komt de geopenbaarde kerk op het bevel van Christus tot de leden Zijns lichaams, die nog in den vreemde en verborgen zijn. Zijn werk is verwant aan den arbeid der twaalf apostelen, hoewel zij van hen ten eenenmale door de Schrift, worden onderscheiden als medewerkers. En ofschoon de apostelen gestorven zijn, blijft nochtans het getuigenis van de Schrift als een onderwijzing in het werk van den evangelist, die naast de apostelen, profeten, herders en leeraren, wordt genoemd.
Is daarmede de grond weggenomen om aan den zendeling-evangelist de bevoegdheid der apostelen toe te kennen, welke bevoegdheid hem toekomt, is niettemin duidelijk. Het werk van den evangelist gaat in zeker opzicht boven de gewone ambten uit. Ten eerste omvat zijn arbeid de gewone ambten, aangezien hij niet alleen het evangelie brengt, doch ook leidt en regeert, en het werk van den diaken behartigt. Maar verder vraagt de aard van het werk ook, dat hij de noodige behulpsels in de bediening aanstelt, uit de krachten en gaven, die hij vindt, of die hem worden toegevoegd.
En eindelijk, indien zijn werk gezegend wordt en vruchten vindt, zal hij allengs een nieuwe gemeente zien opkomen, welke hij tot zelfstandigheid heeft te leiden.
In dit alles treedt het buitengewone karakter van het ambt van den zendelingevangelist wel zeer duidelijk naar voren en er is zeker alle reden om dit buitengewone ambt als zoodanig in de orde der kerk de plaats te geven, waarop het recht heeft. De kerk, welke zich rekenschap geeft van haar zendingsroeping, zal zich op deze zaak hebben te bezinnen.
Een andere vraag is deze. Welke is de plaats en bevoegdheid van dit buitengewone ambt of liever van den ambtsdrager, van den zendeling-evangelist, als hij bij de zendende kerk of kerken verkeert, b.v. tijdens verlof, of, indien hij zijn werk op het zendingsveld niet kan voortzetten ?
Het ligt voor de hand, dat het buitengewone karakter van zijn ambt hem in de eigen kerk zonder meer geen bevoegdheid geeft. Hier zijn de gewone ambten. Daaruit volgt, dat de zendeling-evangelist in de kerk, die hem gezonden heeft, b.v. niet den officieelen dienst des Woords zou mogen leiden en de siacramenten bedienen. Het mag vreemd aandoen, doch ambtelijk gezien, is het zoo — tenzij de kerk overeenkomt, dat de zendeling-evangelist zulk een bevoegdheid zal hebben of naar zekere orde kan verkrijgen.
De gemeenten in Paulus' dagen zullen aan Timotheüs, den medewerker van den apostel, die het werk van een Evangelist deed, wellicht den dienst van Woord en Sacrament niet hebben geweigerd. De gedachte dringt onwillekeurig naar voren, dat de zendende kerk of kerken den zendelingevangelist de bevoegdheid van den herder en leeraar zouden kunnen toekennen. Men gevoelt echter, dat daaraan nog meer vast zit. Wanneer wij echter spreken van de zendende kerk, is het vraagstuk reeds wat naderbij gebracht. De zendende kerk draagt het buitengewone ambt op en zal ook de zaak der opleiding ter harte nemen. In verband met een en ander kan zij ook orde stellen op de bevoegdheden van den zendeling-evangelist ten aanzien van den gewonen dienst des Woords.
Minder eenvoudig ligt deze zaak echter, als de kerk het zendingswerk aan het particulier-initiatief heeft overgelaten, zoodat er in den grond der zaak geen officieele zending is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's