MEDITATIE
Jezus volgen
„En Jezus zeide tot Simon : Vrees niet: van nu aan zult gij menschen vangen.En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem".Lukas 5 vers 10b en 11.
„Jezus volgen".
Met deze woorden wijdde de Heere Jezus de voornaamsten Zijner discipelen tot het predikambt. Het werk van zielen te redden vergelijkt de Heere bij den visschersarbeid. Aan dit nederig handwerk ontleende Hij het beeld, dat zulke rijke lessen van geloof, vertrouwen en hoop voor hun harten bevatte.
Na een nacht van vruchteloos werken hadden zij op 's Heeren bevel nogmaals het net uitgeworpen. En ziet, nu wordt hun hun vergeefsche arbeid vergoed, want de vangst was zóó groot, dat zelfs een tweede scheepje tot zinkens toe volgeladen wordt. En dan lezen wij in vers 8: En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende : Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch. In dit oogenblik gevoelde Petrus, dat Jezus meer was dan een Leeraar, van God gezonden — meer dan een Profeet — dat Hij was : de Heere der Schepping, die over alles te gebieden had. In het gevoel van eigen onwaardigheid en zondigheid tegenover de heiligheid des Heeren, spreekt Petrus deze woorden uit. Maar tegelijk geven zijn geloof en liefde hem de vrijmoedigheid om, in aanbidding voor Jezus' voeten neer te knielen.
Zoo gaat het nog met ieder zondaar, die voor het eerst zich zijn zonde recht bewust wordt. Als de Heere de blinddoek der eigenliefde ons van de oogen doet vallen — als het kleed eener ingebeelde gerechtigheid: waarmede wij ons tooiden, vaneenscheurt en de maatschappelijke deugden, waarop men roemde, bij den glans van Gods aangezicht niets blijken te zijn dan blinkende ondeugden, — niets dan dwaallichten, die het een na het ander uitdooven, waardoor de duisternis nog zwarter voor ons wordt; — dan wordt het den zondaar angstig om het hart en roept hij met Job uit: „Met het oor heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn oog; daarom verfoei ik mijzelf en heb berouw in stof en asch!" Hij ziet dan in God den Heilige en Rechtvaardige, die hem veroordeelen kan, ja, móét — en daarom is God voor hem een verteerend vuur, want hij ziet in Hem nog niet den Vader in Christus en daarom roept hij, evenals Petrus, in vertwijfeling uit : „Heere, ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch''.
Als we onze schuld voor God hebben leeren kennen, dan zouden we ons willen verbergen voor Zijn alziend oog.
Doch ziet, dan geeft de Heere den zondaar te zien hoe het vlammend zwaard, dat den toegang tot den boom des levens belette, gebluscht is in het bloed van Hem, Die ons spreekt van genade, vrede en behoud. Wanneer ge als zondaar, op Jezus, den gekruisten Christus, ziet, dan ziet ge hoe Hij zich met Goddelijke liefde en ontferming tot u nederbuigt — terwijl Hij woorden tot u spreekt van vrede, vertroosting en bemoediging. Dan zegt de zondaar niet meer : „Heere, ga uit van mij", — maar dan is het: „Heere, tot wien zouden wij heengaan! Gij alleen hebt de woordendes eeuwigen levens!"
Het is een heerlijke vertroosting, als de ziel zoo, door Gods genade, Christus mag leeren kennen als een algenoegzaam Middelaar en Verlosser.
En Jezus zeide tot hem : „Simon, vrees niet!" Wij allen hebben, als zondaren, reden tot vrees. Maar nu heet het: „Vrees niet", gij, zondaar, die gebogen gaat onder den last uwer schuld, uwer onwaardigheid en ondankbaarheid, want : Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.
Vleesch en hart mogen bezwijken, maar God wil de rotssteen zijn van uw hart en uw deel in eeuwigheid!
Zoo weet de Heiland met Zijn almachtig : „Vrees niet" elke vrees uit het hart der Zijnen te bannen. Maar dan komt Hij, evenals tot Petrus, ook tot ons met Zijn roeping!
Voortaan immers zou hij onsterfelijke zielen moeten vangen, met het net des Evangelies. Wel zou hij weer de golven moeten doorploegen, — maar dan zouden het de onstuimige golven van menschelijke hartstochten, onkunde en ondeugden zijn. En deze roeping komt tot allen die in waarheid in Christus gelooven. — Het is niet genoeg, zelf gered te zijn. De prediking van het Evangelie van Christus brengt ieder zondaar, die aan die prediking gehoor leert geven, over, uit de bedorven dampkring der zonde in de zuivere lucht van het hemelsche leven en daardoor ontstaat er nieuw leven in ons hart. Dan ontvangt de zondaar dat onverderfelijke leven, dat Christus door Zijn dood en opstanding heeft aan het licht gebracht; — hij werd met het net des Evangelies omvangen, — maar het was om daardoor afgetrokken te worden uit den dood tot het leven, dat in Christus Jezus is!
Nu moet echter het streven van alle geloovigen zijn om zielen te vangen in het net des Evangelies! En dit geschiedt niet door menschelijke welsprekendheid, niet door wijsheid van woorden, niet door ,,mooie'' preeken — zooals sommigen doen om daardoor eer en roem voor zichzelf te behalen —, maar in eenvoudigheid worde het net uitgeworpen op de onstuimige wereldzee ! En evenals Petrus een geheele nacht vruchteloos arbeidde op de zee van Tiberias — zoo beleeft ook de geloovige dikwijls tijden van teleurstelling. Laat echter uw vertrouwen niet wankelen, discipelen van Jezus, maar zeggen wij met Petrus : Op Uw woord, Heere, zal ik opnieuw het net uitwerpen. Vol vijandschap tracht de wereld de kracht van die prediking te breken, maar — nochtans — op Uw woord, Heere, zullen wij voortgaan.
En de zekerheid der overwinning ligt hierin, in dit Woord des Heeren : „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden, spreekt de Heere!" Door de wondervolle vischvangst, die op het woord des Heeren Petrus ten deel viel, gaf de Heere de belofte aan alle ware Evangeliepredikers, dat het groote vischnet des Evangelies niet tevergeefs zou worden uitgeworpen, omdat het niet een werk uit menschen, maar uit God is!
En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verheten zij alles en volgden Hem. Deze Galileesche visschers geven ons hier een uitnemende les van zelfverloochening te leeren. Zij lieten alles achter : hun woonplaats, hun bezittingen, hun schepen en netten, hun verwanten, maar ook hun rust en gemak. Gij vraagt misschien, waarvoor zij alles verheten? Wel, om achter Hem, Die hen riep, een zwaar kruis te dragen!
En toch — zonder eenige bedenking of voorwaarde doen zij het. „Volgt Mij", zegt de Heere, en met een bereidwillig gemoed verlaten zij alles om des Heeren wille!
Lezer(es), volgt gij reeds in waarheid Christus na ? Zoo wij getrouwe discipelen van Hem willen zijn, kan ons dat wel eens de liefde en vriendschap onzer betrekkingen en vrienden kosten! En dan komt het er op aan, of wij dat voor den Heere over hebben. Ook nu nog wijst Hij de Zijnen een kruis aan, dat zij Hem hebben na te dragen en dat altijd zelfverloochening kost. Ga eens bij uzelf na, of gij in uw leven iets of veel kunt aantoonen, dat ge uit zuivere liefde voor Jezus hebt gedaan of nagelaten. Als wij onder droevige verliezen of rampen ons eenswillend en geduldig betoonen in die kinderlijke onderwerping aan Hem, Die ons leven en lot bestuurt — niet maar, omdat er nu eenmaal niets aan te veranderen valt —, maar omdat wij de kracht daartoe krijgen, door te zien op onzen Verlosser, Die al Zijn lijden geduldig en zwijgend leed; — als ons kruis, hoe zwaar ook, in ons oog altijd nog licht is, in vergelijking met het Zijne, dat Hij om onzentwil droeg ; — dan ervaren wij, dat er reeds hier een heerlijk loon verbonden is aan. het volgen van Jezus.
Jezus volgen ! Als het moet, óók onder lijden en verdrukking! Dat is een heerlijke roeping! Want, dan troost het ons, dat wij geroepen worden om de voetstappen te drukken van onzen lijdenden Verlosser, Die nog oneindig zwaarder en moeilijker lijden heeft gedragen en Die dat alles zwijgend droeg — uit liefde voor ons, om ons daardoor van een eeuwige smart, een eeuwig lijden te redden.
Volgen wij Hem dan na ! Werp alle bekommering van u ; breek met elke boezemzonde, die u in dat volgen zou verhinderen. Want Hij wil ons gansche hart; Hij wil, dat wij ons geheel aan Hem zullen geven. Daarom zegt Hij : „Die zijn kruis niet opneemt en Mij niet navolgt, is Mijns niet waardig".
De ware godsdienst toch bestaat niet in vroom praten, maar in een godzalig leven in den dienst des Heeren. Het is een gehoorzamen aan het bevel des Heeren, een opvolgen van den wil, het voorbeeld en het woord van Jezus Christus, den Heere !
Staat dan op en volgt Hem, gij allen, die u van den Heere geroepen en getrokken gevoelt, en laten we de gevolgen daarvan dan rustig afwachten en overgeven aan Hem, Die ons roept en Die machtig en getrouw is om Zijn belofte gestand te doen, om ons n.l. in alle leed en gevaar bij te staan en te helpen.
En als wij ten einde toe, blijmoedig het kruis achter Hem gedragen hebben, dan zal ook ons eenmaal de kroon worden geschonken die Hij beloofd heeft aan allen, die Hem gevolgd hebben. Dan zal Hij ook aan ons de belofte vervullen, aan Zijne discipelen gedaan : „Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, — wanneer de Zoon des Menschen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid; — dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. Want zoo wie verlaten zal hebben huizen, broeders, zusters, vader, moeder, vrouw, kinderen of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's