De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

Het doel der Wet. Vers 19—29

Hoofdstuk III.

Het doel der Wet. Vers 19—29. (II). Vervolg vers 19.

Wanneer gezegd wordt: „als de Wet toch niet rechtvaardigen kan, laten we dan maar geen goede werken meer doen", dan is dat een euvel, dat we niet aanstonds verhelpen kunnen.

Toen Christus predikte, moest Hij hooren, dat men Hem voor lasteraar en oproermaker uitmaakte. Men zei, dat Hij door Zijn leer de menschen verleidde en in opstand bracht tegen den keizer.

Datzelfde heeft ook Paulus en alle apostelen ervaren.

En is het dus wel een wonder, dat de wereld heden ten dage ons op gelijke wijze bejegent ?

Laat men ons echter maar belasteren en vervolgen. We zullen evenwel niet mogen zwijgen, doch dienen te spreken, teneinde de verslagen gemoederen uit de strikken van Satan te rukken. We moeten er niet om geven, wanneer goddelooze en dwaze lieden onze leer misbruiken ; dergelijke menschen kunnen nu eenmaal toch niet van de dwaling huns weegs genezen worden : hetzij ze de Wet hebben, of niet. Veeleer moeten we zoeken naar mogelijkheden, om ellendige zielen te troosten en te bemoedigen, opdat dezulken niet met de groote massa verloren gaan. Zouden wij zwijgen, dan zou er geen vertroosting zijn voor hen, die zóó gevangen en verstrikt zijn door wetten en menschelijke inzettingen, dat zij zich daaruit niet meer losmaken kunnen.

Gelijk Paulus zich troostte, toen hij zag, dat sommigen zijn leer weerstonden en anderen een vleeschelijke vrijheid nastreefden, — zoo doen ook wij dat in dezen tijd. De apostel troostte zich namelijk met de wetenschap, dat hij een afgezant van Christus was, gezonden, om den uitverkoornen Gods het geloof te prediken; daarom verdroeg hij ook alles, opdat zij de zaligheid zouden deelachtig worden. Zoo doen ook wij heden ten dage alles ter wille van de uitverkoornen, want wij weten, dat zij door hetgeen wij brengen baat hebben.

Tegenover honden en zwijnen, die deels de leer, die ik breng, vervolgen, deels de vrijheid, welke wij in Christus hebben, met voeten treden, sta ik vijandig. Deze vijandschap is van dien aard, dat ik gedurende heel mijn leven tegen dezulken geen woord meer zou willen zeggen. Liever zie ik, dat onze honden en zwijnen onderworpen blijven aan de tirannie van den paus, dan dat de Naam Gods om hunnentwil gelasterd worde.

Wanneer dus de domme massa, en ook zij, die in eigen oog wijs meenen te zijn, tot de conclusie komen, dat de Wet van geen nut is, wanneer zij niet in staat is, om te rechtvaardigen, dan is deze conclusie evenwel nog niet juist.

Want ook deze gevolgtrekking: „het geld maakt niet rechtvaardig : dus is het nutteloos", gaat niet op.

Evenzoo kan men niet zeggen : 's menschen oogen rechtvaardigen niet; laten we ze dus maar uitsteken.

Deze conclusies deugen dan ook niet. Derhalve moet men alles op zichzelf beschouwen. Wanneer wij zeggen, dat de Wet niet rechtvaardig maken kan, dan doen wij daarmede de Wet nog niet te niet. Ook is zij daardoor nog niet veroordeeld. Doch weliswaar beantwoorden wij de vraag, Waartoe de Wet gegeven is, op andere wijze, dan onze tegenstanders, die aan de Wet een beteekenis toekennen, welke zij niet heeft.

Tegen het misbruik en de overschatting der Wet gaat onze strijd, en met Paulus zeggen wij, dat de Wet niet rechtvaardigen kan. Doch daarmede beweren wij nog niet, dat de Wet geen nut heeft, gelijk zij doen, die de boven besproken conclusietrekken.

De Wet heeft een eigen beteekenis, welke anders is, dan onze tegenstanders meenen; zij toch schrijven aan de Wet het vermogen toe, om te kunnen rechtvaardigen. Daartoe is zij evenwel niet in staat. De Wet klaagt den mensch aan; zij verschrikt en veroordeelt hem.

Met Paulus zeggen wij, dat de Wet goed is, wanneer men haar juist gebruikt, dat wil zeggen : wanneer men de Wet „Wet" laat.

Geef ik een juiste verklaring en uiteenzetting van de beteekenis der Wet, dan is dat goed. Ken ik haar echter iets toe, wat niet tot haar aard en wezen behoort, dan keer ik niet alleen de Wet, maar ook heel de theologie ondersteboven.

De apostel neemt het hier dus op tegen de verderfelijke hypocrieten, die zijn woorden ; de Wet is ingekomen ter wille van de zonden'' niet konden uitstaan en verdragen. Zij verkeerden namelijk in de meening, dat de Wet tot taak had, om rechtvaardig te maken, welke opvatting alge­meen wordt aangetroffen. En de menschelijke rede laat zich dezen waan geenszins ontnemen, omdat zij ten eenenmale geen begrip heeft van de gerechtigheid, die uit het geloof is.

Kende men het wezen van de gerechtigheid des geloofs, dan zouden de papisten niet even dwaas als goddeloos aldus zwetsen : de kerk is in het bezit van de Wet Gods ; ook beschikt zij over de traditie der vaderen en de besluiten van concilies, enz. Leeft ge daarnaar, dan zijt ge heilig.......

Deze menschen kunnen door niemand overtuigd worden van het feit, dat zij God niet behagen, en Zijn toorn op zich laden, wanneer zij bij dergelijke beschouwingen blijven, en daarin volharden.

Ieder werkheilige beeldt zich in, dat hij door zijn eigenwilligen godsdienst, dien hij zelf heeft aangenomen, Gods toorn verzoenen kan.

Daarom is de waan, dat men de gerechheid op grond van eigen werken verkrijgen kan, een poel, waaruit allerlei onheil opkomt, alsmede de grootste zonde der wereld.

Grove zonden en fouten kunnen erkend worden; men kan ook trachten, die te beteren; de straf der overheid is tevens een middel, om ze te voorkomen. De waan om eigen gerechtigheid te kunnen bewerkstelligen wil niet alleen geen „zonde" zijn, maar hij geeft zich bovendien uit voor de hoogste gerechtigheid en den besten vorm van godsvereering. Daarom is het euvel gelijk te stellen met de heerschappij van Satan over de geheele wereld. In werkelijkheid is het de kop van de slang en de strik, waarmede Satan alle menschen vangt en gebonden houdt; want van nature meent iedereen, dat de Wet in staat is om rechtvaardig te maken.

Teneinde nu de juiste beteekenis en het ware gebruik der Wet te toonen en aan te wijzen, en den menschen allerlei waandenkbeelden te ontnemen, antwoordt Paulus op de vraag, waartoe de Wet dan gegeven is, als volgt: zij is niet geschonken, om te rechtvaardigen, maar ter wille van onze overtredingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's