Zefanja, de profeet van den dag des Heeren
III.
De profeten zijn de stormvogels van het gericht; ook Zefanja. Maar welk is het volk, dat de tuchtroede is in Gods hand ? De Assyriërs worden hier niet bedoeld; juist zal Assyrië door dat volk worden geoordeeld. Hij zal Assur verdoen en Ninevé stellen tot een verwoesting, (h. 2 vs 13). Velen denken aan het volk der Scythen. Na 645, toen Psammetichus de Assyrische heerschappij, die sinds Esarhaddon op Egypte drukte, afwierp, kwam de eene slag na de andere over het machtige Assyrische rijk. Korten tijd. later verschijnt een jong volk in de geschiedenis en gaat meespreken. Roovend en plunderend trekken de Scythen over geheel Voor-Azië heen; sterke ruiterbenden doen schier geheel Assyrië op zijn grondvesten beven; hun inval is wel vergeleken met de invallen der Hunnen en Mongolen in het Westen. De Scythenstorm ") raasde over de landen ; alles werd onder de voet geloopen, als een alles vergruizelende stoomwals ontzagen deze benden niets. De voorstanders van deze zoogenaamde Scythenhypothese meenen, dat ook Jeremia op deze vijanden doelt als hij zegt: Ik breng een kwaad van het Noorden; de verderver der volken is opgetrokken om uw land te stellen tot een verwoesting. Zie, hij komt op als wolken en zijn wagenen zijn als een wervelwind; zijn paarden zijn sneller dan arenden. Zie, daar komt een volk uit het Noorden : Boog en spies zullen zij voeren ; het is een wreed volk en zij zullen niet biarmhartig zijn. (Jer. 4 vs 6, 7; 4 vs 13; 6 vs 22, 23). Volgens Herodotus moet de heerschappij der Scythen over Klein-Azië 28 jaar hebben geduurd. Ook vertelt deze Grieksche geschiedschrijver, hoe Farao Psammetichus door een hooge schatting de Scythen bewogen heeft van hem weg te trekken. Ook al zouden deze berichten van Herodotus juist zijn (wat door meer dan één betwijfeld wordt), dan nog gaat het niet aan te meenen, dat de profeet op dit voorstel doelt als hij in h. 1 vs 18 schrijft: Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage van de verbolgenheid des Heeren. ^") Te bekend was in de Oudheid het gebruik om den vijand tegen zware schatting tot aftocht te bewegen, dan dat we hier een toespeling op een niet eens vaststaand feit zouden moeten zien. Denk b.v. aan Hizkia, die aan Sanherib de zware schatting van drie honderd talenten goud betaalt; toch is Sanherib trouweloos tegen Jerusalem opgetrokken. (2 Kon. 18 vs. 14 —16). Jes. 13 vs 17 e.v. zegt van de Meden, die de Heere tegen Babel zal verwekken, dat zij het zilver niet zullen achten en aan het goud geen behagen zullen hebben.
De nadering van de Scythen zoude zelfs een algemeene inkeer ten gevolge gehad hebben, die het hervormingswerk van Josia niet weinig in de hand werkte.
Toch wordt deze gedachte, als zouden de Scythen de uitvoerders van het oordeel zijn bij Zefanja en als zoude het volk van de Scythen het zijn, die bedoeld worden in Jer. 4 tot 6, door groote bezwaren gedrukt, waarom we het hiermede niet eens kunnen zijn. Afgedacht nog van de moeilijkheid van een juiste dateering van de Scythenstorm (in het algemeen zegt men tusschen 630 en 625) klopt de beschrijving van dit volk niet op de bij Jeremia (h. 4 tot 6) gegeven voorstelling. Krijgswagens (de pantserwagens van de Oudheid) had dit volk zeker niet en ook kan van de Scythen niet gezegd worden, dat het een oud volk was. ^'') Juda en Jerusalem hebben van de Scythen niet te lijden gehad. Herodotus noemt wel de plundering van Askalon, maar in het Oude Testament worden de horden der Scythen nooit genoemd. De naam Scythopolis voor het oude Bethsean in het stamgebied van Manassa - wijst naar een herinnering aan de daar blijkbaar achtergebleven Scythen. ")
Met den vijand uit het Noorden moeten we denken aan de Chaldeën. ^*') Dat volk zal ook de uitvoerder zijn van het gericht Gods, waarop Zefanja wijst. Maar, kan dat wel? Dit volk is nog niet aan de profetische horizon verschenen. ") Als de profetie dateert uit den tijd na 622 en voor 612 ('t jaar van Ninevé's val — en dat lijkt me waarschijnlijk, dan zijn in die dagen de Chaldeën wel degelijk een volk, dat mee spreekt en zich laat gelden op het wereldtooneel. Maar ook al zou het anders zijn, dan gaat dit argument nog niet op. De profeet spreekt wat God hem openbaart en daarbij is het dus niet de vraag, of hij precies doorziet en vooruit weet, wanneer en op welke wijze de Heere Zijn woord in vervulling zal doen gaan; de profeet trekt geen conclusies uit wat hij ziet in de beweging der volken, om op grond daarvan te zeggen, wat er gebeuren zal; „de profetieën dragen nu eenmaal het stempel van het bovennatuurlijke met bijzondere klaarheid op het voorhoofd". *") De profeten waren zieners, maar dat was een gave, die in dienst stond van Gods werk in het midden van Zijn volk. Een argument: van dat volk kunnen ze nog niets hebben afgeweten, is in strijd met het feit, dat de profeten „onder den druk der regenereerende en reveleerende daad Gods hebben gesproken". De Heere HEERE zal geen ding doen dan tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten geopenbaard hebbe. (Am. 3 vs 7). Wel is mogelijk, dat Zefanja sommige trekken, om den vijand te teekenen, ontleent aan de Scythenstorm.
Ook Zefanja is een profeet van gericht in dagen van onverschilligheid en oppervlakkigheid, in een tijd van zedelijk en geestelijk verval Maar niet alleen komt gericht, want de Heere zal Zich een arm en ellendig volk in het leven behouden, dat op den Heere zal vertrouwen, en in den dag des Heeren zal dat volk worden behouden.
14) Verg. Kittel, L. c. s 403, 415. Nowack, Die Kleine Propheten, s 289, meent dat het niet valt te ontkennen, dat de profeten den Scythenstorm hebben verkondigd, zulks in verband ook met de profetie van Ezechiël in h. 38 over Gog en Magog en Sellin constateert meer dan te bewijzen is. (Kommentar Das Zwolf-prophetenbuch s 367) : Deze kort na 630 vlak langs Juda's grenzen voorbij rollende storm moet vanzelfsprekend ook in Juda met angst en zorg zijn gevolgd, ja, moet een vermoeden van de omverwerping van alle bestaande verhoudingen hebben wakker geroepen. Daarbij verwijst hij naar Jer. 4 e.v. Eissfeldt, (1. c. s 473) is voorzichtig in zijn conclusie : Mogelijk, hoewel niet bewijsbaar is het, dat de Scythenstorm aanleiding gaf tot Zef. profetie en in haar naklinkt.
15) Ook Lippl acht dit woord zeer goed te verklaren als herinnering aan den tocht der Scythen (a. d. O., s 94).
16) Zie, Aalders, Jeremia I p. 53 ev.
17) Verg. Kittel, 1. c. s 415, 403.
18)Ook Jeremias, Das A. Test. im Lichte des A. Orients, 4 Aufl. s 733, denkt aan de Chaldeën : De tuchtroede Gods, die hij komen ziet, is het Caldeeuwsche rijk, want het Godsgericht treft ook Ninevé.
19) Nowack, Kleine Propheten, s 288.
20) Ridderbos, Jesaia II (Korte Verkl.) Inl. pag. 14.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's