Binden en ontbinden
XI.
d) De wederopneming zelve.
Hierop zal de Dienaar verder aldus spreken :
Wij dan, alhier vergaderd in den Naam en de macht des Heeren Christus, verklaren u, N., ontbonden te zijn van de banden der afsnijding; ontvangen u wederom in de Gemeente des Heeren; en verkondigen u. dat gij staat in de gemeenschap van Christus, van de Heilige Sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan Zijne Gemeente belooft en bewijst; waarin u de eeuwige God tot den einde toe behouden wille door Zijnen eeniggeboren Zoon Jezus Christus, Amen.
Welk een machtige daad verricht hier de Dienaar namens de Gemeente „in den Naam en de macht des Heeren Christus". Zoo kan alleen gesproken worden, als de Gemeente zich bewust is in de gemeenschap rnet Christus te leven. Dan kan zij een afgesnedene weer tot de gemeenschap van Christus aannemen, d.i. in haar midden opnemen en in klare geloofstaal met gezag. Zijn gezag, optreden.
De Gemeente komt samen als Gemeente van Christus, als Gemeente Gods! Vandaar dat in antw. 103 van onzen Catech. niet staat, dat de eisch van het vierde gebod is, dat wij „trouw naar de kerk moeten gaan", maar „dat ik inzonderheid op den Sabbath, dat is op den rustdag, tot de Gemeente Gods naarstiglijk kome, om Gods Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken. God den Heere openlijk aan te roepen en den armen Christelijke handreiking te doen". Hierin schittert de wondere genade Gods. Als wij de Gemeente, die daar naar de kerk komt en neerzit om de prediking te beluisteren, niet onder die behchting zien, wat zien we dan?
Een gezelschap van zondige menschen, waarvan de buitenstaander (helaas terecht) smalen kan, dat die ook al niet beter zijn dan degenen, die niet in de kerk komen. Er zijn er zelfs, die met geen mogelijkheid in de kerk gesticht kunnen worden, omdat zij zich in zoo'n gezelschap niet thuis gevoelen. Het is wonderlijk : de balk der eigengerechtigheid maakt scherp van gezicht om de splinters van ongerechtigheid bij anderen te schouwen !
Daar zit de Gemeente ; inderdaad : altemaal zondaren; sommigen kennen wij maar al te goed in hun hebbelijkheden en hun onhebbelijkheden. (Weten wij óók, hoeveel strijd broeder A. met zijn boezemzonde en zuster B. met haar moeilijke karakter al in het ver-borgen gestreden heeft? ) Dit tusschen haakjes!
En nu laat de Heere God op die Gemeente, waarvan Hij alleen weet, hoevelen of hoe weinigen Hem waarlijk vreezen. Zijn zegen leggen ; tot haar komt Hij met Zijn Woord en in haar midden wil Hij werken door Zijn Heihgen Geest, opdat zondaren Zijn Evangelie zullen leeren verstaan ! Hoe wonderlijk en hoe heerlijk! Welk een voorrecht wordt het dan, als wij onze voortreffelijkheden verloren hebben, omdat Hij in den weg der ontdekking ons die uit de handen geslagen heeft, dat wij tot die Gemeente, ondanks alle verkeerdheid Gemeente Gods, komen mogen ! Daar wil de Heere Christus „de bediening der verzoening'' doen plaats vinden. Het mag gepredikt worden, opdat het den boetvaardige door den Geest zal worden toegeëigend dat Hij een verzoening is voor onze zonden. Daar mag ook in Zijn Naam en macht, d.i. op Zijn gezag, aan een, die viel en zich door verharding de afsnijding waardig maakte, als hij in berouw wederkeert, zonder eenige terughoudendheid geboodschapt worden : „gij zijt ontbonden van de banden der afsnijding", wij „ontvangen u wederom in de Gemeente des Heeren, en verkondigen u, dat gij staat in de gemeenschap van Christus, van de heilige Sacramenten en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, Die Hij aan Zijn Gemeente belooft en bewijst".
Welk een rotstvaste overtuiging, niet alleen dat de Heere God het doen moet, doch ook : dat Hij het doet en doen wil! Dat Christus Zich een Gemeente vergadert uit het gevallen menschelijk geslacht; dat in de lijn van het Genadeverbond Zijn verkiezende liefde zich ver'heerlijkt; dat 't alles vasthgt in den Heere Jezus Christus ; dat God nooit laat varen, wat Zijn hand begon. Vandaar, dat den wederopgenomene wordt toegebeden (als een zekerheid voor den waarachtig berouwvolle): „waarin u de eeuwige God tot den einde toe beliouden wille door Zijn eeniggeboren Zoon Jezus Christus, Amen". Wij denken hier aan het vijfde hoofdstuk der Dordtsche Leerregels, dat handelt over de „volharding der heiligen", die in wezen is de „bewaring der in Christus geheiligden".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's