NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 82)
„'k Heb je al lang in de gaten gehad met je fijne kwezelarij; eerst mijn jongen den kop op hol gemaakt met die meid, van wie niemand weet van waar zij is en uit welk nest zij is voortgekomen, en toen je het - zóóver klaar had, den dominé onder handen genomen om méé te helpen je plannen ten uitvoer te brengen ! Neen, kijk mij maar niet zoo onnoozel aan. Of dacht je, dat ik te dom was om te begrijpen, dat die preek, over dien Samaritaan en dien man, die half vermoord werd, waar heel Zevenhuizen vol van is geweest, een opgemaakte mouw was tusschen jouw fijne familie en Ds Buitenveld! 'k Moest het niet van je gezicht gelezen hebben. Je dacht zeker, zoo'n dommen boer wel voorbij te komen. Eerst dominé Buitenveld bewerken en toen den preekstoel gebruiken om de gemeente en vooral „Donia-state" op de komende dingen voor te bereiden. Toen onze Tjerk : aangehaald en hem zóó gek gemaakt, dat hij met den dag suffer wordt en alleen maar denkt aan dat meiske. Ik heb je plannen wel begrepen, man. 't Zou wel aardig zijn, als zoo'n vondeling in de familie Santema opgenomen werd om daardoor naam en geld te krijgen. Maar hetzelfde wat ik in „De Duitsche Adelaar" aan Thijs ; Sangers gezegd heb, ga ik hier herhalen, dat mijn naam geen Dirk Santema meer is, wanneer dat ooit gebeuren mocht. Ik breng mijn zoon liever naar het kerkhof, dan dat hij zich verslingert aan een onbekende !''
In afgebroken zinnen, met toenemende verheffing van stem, werden deze woorden meer uitgestooten dan gesproken. In geen jaren hadden de huisgenooten hem zóó kwaad gezien. Diepe voren groefden zich boven de zware wenkbrauwen, terwijl de koude, grijze oogen, ditmaal vuur schenen te vonken. Af en toe viel de zware vuist dreunend op tafel, zoodat het theegerei rinkelde.
Vrouw Santema werd als een lijk, bleek van schaamte en spijt. Mini boog zich diep achter een boek en pinkte heimelijk een traan weg; alleen Gurbe bleek zich spoedig te herstellen en liet kalm den storm over zijn hoofd gaan. Eerst toen Santema blijkbaar was uitgeraasd en geen woorden meer scheen te kunnen vinden om zijn toorn te luchten, stond hij zwijgend op, de thee onaangeroerd latend. Voorzichtig nam hij den hoogen hoed, teeken van zijn waardigheid voor dit uur, en streek hem met het vlakke van de vereelte hand glad. Even stond hij nog in tweestrijd, wat te zullen doen. Toen sprak hij:
„Daar is er Eén, die weet, dat geen woord waar is, van hetgeen gezegd werd over Ds Buitenveld en mij. Wat indertijd voor hem aanleiding geweest is om die prediking te houden, die voor velen onvergetelijk werd en nog steeds, zooals hier, van zich doet spreken, weet ik niet, maar in elk geval sta ik met de mijnen daarbuiten. En wat onze Nienke betreft, niemand behoeft hier te vreezen, dat zij zich zal opdringen, waar zij niet begeerd wordt. Haar leven is óns dierbaar, even dierbaar, Santema, als dat van jouw kinderen, al heeft zij dan geen afkomst. Want niettemin is zij een Koningskind, en als een Koningskind zal zij weten te handelen. Voor de rest heb ik liefst, dat je ons ongemoeid laat, gelijk wij niemand van „Doniastate" kwaad doen. En hiermede groet ik de familie".
„Drink eerst je thee nog uit", noodigde de boerin, die nog hoop had met een verstandig woord den twist te beslechten, maar Gurbe knikte haar toe en ging heen. 't Werd hem te benauwd in de ruime boerenwoning ; hij snakte naar de buitenlucht. Wat waren die menschen hier arm!
Daarop verliet ook Mini. de kamer. Ook zij had behoefte om alleen te zijn. Met een zucht zag vrouw Santema door het raam den schoenmaker-leedaanzegger na.
„Weer iemand van ons vervreemd", sprak zij, niet zonder bitterheid in haar stem.
„En dus zou het je goed zijn, wanneer onze familie nader met dat volk in relatie trad! 'k Dacht, dat dit de eer van de Bianksma's óók te na zou komen".
„Daar is nog heel iets anders, wat de eer van de Blanksma's te na komt, maar daar schijn je geen oog voor te hebben. Ik zou wenschen over onze beide oudste kinderen zoo gerust te kunnen zijn, als ik wezen zou over Tjerk aan de zijde van Nienke".
En voor de zooveelste maal werden de kinderen 'n twistappel tusschen de ouders, met het einde, dat boer Santema zijn stoel tegen de schutting wierp en de kamer uitstormde om zijn drift te koelen aan élk voorwerp, dat hem in den weg lag. Oude Jacob, die een ketel versch drinkwater voor de dorstige hooiers kwam halen, zag het en vond het geraden hem te ontloopen.
Wat het hier nu weer wezen mocht ? In elk geval bleek opnieuw, dat geld en goed een mensch ook al niet gelukkig maken kon. Er was hier den laatsten tijd nogal dikwijls wat te doen. Wónder was het, maar inplaats dat men zich dankbaar gestemd gevoelde over de genezing van de dochter en over den rijken oogst, dien de velden brachten, en over zoovele andere dingen, die men hier boven velen had, leek het wel, dat men hoe langer hoe ongelukkiger werd. Dan had zijn arme zuster met Melle, in het kamertje achter de kerk, het nog beter, want daar heerschte tenminste vrede. Hé, daar liep Gurbe in het zwart.. Mijnheer Krips werd rondgezegd. Zóó maar dood, had hij gehoord. En dus óók uit zijn mooie huis vandaan.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's