De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

„De Heere nu is degene, die voor uw aangezicht gaat". Deuteronomium 31 vers 8a.

De winter is bijna voorbij. Straks is het voorjaar daar. Nog nooit heeft die gedachte ons misschien zoozeer verheugd als nu, in deze oorlogstijd. Nog nooit hebben we misschien zoo naar het einde vian den winter verlangd als nu. Het voorjaar! Zijn komst voelen we als een verlossing van kou en kolenschaarste, van duisternis en donkerheid. Het voorjaar! Dat beteekent : de zon, het nieuwe leven, voortbrekend uit de donkere aarde, na de doodsche onvruchtbaarheid van den winter.

Maar toch, tegelijk met die verblijdende gedachte dringt zich een andere aan ons op. Het voorjaar, dat is immers ook de tijd, dat de strijd tusschen de oorlogvoerenden weer in felheid zal gaan toenemen. Na de betrekkelijke rust, door de winter opgedrongen, zullen straks, zooals wij het verwachten kunnen, de voorjaarsoffensieven beginnen. Zal niet alleen het jonge groen uitspruiten, maar ook de oorlogsfurie met nieuwe kracht losbreken.

En daarom kunnen wij de komst van dit voorjaar slechts met gemengde gevoelens tegemoet zien. Met blijdschap, maar tegelijkertijd met vrees ! Met de bange vraag : wat gaat er gebeuren ? Wat zal die nieuwe ontplooiing van den strijd ons brengen ? Nieuw lijden, nieuwe verschrikking ? Ja, dat vreezen we wel allen.

In ons tekstgedeelte staat het volk Israël voor de Jordaan. De dorre woestijn ligt achter hen. Gelukkig! Wie van hen| die er naar terug verlangt ? Maar vóór hen ligt Kanaan, vóór hen een tijd van strijd en, naar zij vreezen, een tijd van lijden.

Reeds eerder hebben zij op het punt gestaan deze stap te doen, maar, hoorend van Kanaan's reuzen en sterke steden en dikke muren, waren ze verschrikt teruggedeinsd. Nu staan ze er opnieuw voor en blijkbaar met niet minder groote vrees in het hart. En wat het voor hen nog erger maakt is de mededeeling van Mozes: ik ga niet mee met u over de Jordaan. Ik moet ach­ terblijven. Zoo is het de wil des Heeren. Dat beteekende : nog méér reden tot vrees en verontrusting ! Zonder Mozes de strijd tegemoet!

Maar dan zegt Mozes tot het bevreesde vol: Vreest niet en verschrikt niet. Weest sterk en hebt goeden moed. Want het gaat ook zonder mij. Ge hebt een sterkeren Leidsman, een machtiger Voorganger.

„De Heere nu is degene, die voor uw aangezicht gaat 1"

Dit woord is niet alleen voor Israël bij de Jordaan, maar het is een woord voor alle tijden. Ja, ook voor dezen tijd! Met die belofte mocht en kon Israël, ook zonder Mozes, onbevreesd de Jordaan overgaan. Maar met diezelfde belofte mogen en kunnen ook wij, zonder vrees, het nieuwe voorjaar tegemoet zien.

Want hoe is dit woord vervuld geworden in Hem, onzen Heere Jezus Christus ! Hij, van Wien Lukas zegt : „Hij reisde vóór hen henen en ging op naar Jeruzalem". Hoe is Hij „voor ons aangezicht" de strijd, het lijden ingegaan! Ja, vóóraan stond Hij, de eerste was Hij in het lijden. De felste slagen heeft Hij opgevangen. Het zwaarste deel, het bitterste stuk van alle menschelijk lijden op Zich genomen. Niemand heeft geleden, niemand is bevreesd, benauwd geweest als Hij.

Hij is de Gróóte Lijder, de Man van Smarten, die het menschelijk lijden tot in de diepste diepte heeft gepeild. Het tot den bodem, tot den wortel toe heeft doorleden. Tot aan de diepste en schrikkelijkste oorzaak : de zonde, de schuld van het menschelijk geslacht.

Dieper, vreeselijker, schrikkelijker kón het niet! Maar was ook niet noodig. Want nu, „gehoorzaam geworden tot den dood", heeft Hij daarmee ons lijden uitgeleden. Heeft Hij het overwonnen; de angel, de vloek ervan weggedragen.

Maar daarom is het woord van de tekst nu ook op nog andere wijze werkelijkheid, troostende werkelijkheid!

Wie vóóraan gaat, geeft de richting aan, waarheen het zich wenden zal. Welnu, Jezus Christus die het lijden overwonnen heeft, bepaalt nu ook de richting. Het is de kroon op zijn overwinning. Hij gaat vóóraan.

O ja, daar zijn ze steeds weer, de gevreesden, de verschrikkelijken: het roode, zwarte en vale paard uit Johannes' Openbaringen. Steeds weer doen ze hun vreeselijken stormloop op de menschheid. Maar vóórop gaat Hij, Jezus Christus, ze sturend en leidend, waarheen Hij wil! In Zijn doorboorde handen houdt Hij de teugels „overwinnend en opdat Hij overwonne".

En als wij het dan vragen met vrees en beving : waar moet het toch heen ? Welken kant gaat dit alles op ? — dan geeft onze tekst het antwoord. Niet die kant, die menschen willen! Niet die kant, die de duivel wil! Niet die kant, die wij vreezen : naar de ondergang, naar den dood! Maar naar Christus heen, naar God heen! Want „de Heere is het, die voor uw aangezicht gaat". En daarom : naar de overwinning, naar de heerlijkheid!

Jezus Christus vóóraan! Vóór de stoet der verschrikkingen en oordeelen uit, die over de aarde gaan. Vóór lijdende en vreezende en machtelooze menschen uit, die in de strijd tegen de zonde, het leed en de dood, bezwijken moeten. Die het leven en de overwinning niet in eigen hand houden kunnen. Met Zijn doorboorde handen doet Hij die droeve stoet, die achter Hem aankomt, ombuigen naar de overwinning, naar de heerlijkheid.

„De Heere nu is degene, die voor uw aangezicht gaat". Dit woord is een belofte. En daarom een woord voor het geloof !! D.w.z. we „zien" het niet. We zien den Overwinnaar en de overwinning niet. „Voor ons aangezicht" hebben we menschen en nog eens menschen, hebben we verschrikking en oordeel, ellende en lijden. Ja, voor onze oogen hebben we onze zonde en onze schuld.

Vóór ons een voorjaar, met hernieuwde strijd. Maar dit woord, Gods Woord, belooft het: de Heere is het, die vóór u is. Die voor u uittrekt. Hij geeft de richting aan. Hij alléén.

Daarom één vraag : gaan we, Gods belofte geloovend, achter Hem aan? Gaan we mee Zijn kant op ? Leggen we ons leven in Zijn handen ? Verlaten we ons op Hem ? Dan zijn we veilig, ja, ook met onze zonde, met onze schuld! Ook met het bitterst lijden, ja, zelfs met den dood voor oogen! Dan moge komen, wat komt! Laat dan het voorjaar aanbreken met nieuwe bloedige strijd! Laat dan de natuur vernieuwd worden op een aarde van nood en dood!! We kunnen ons toch verblijden! Maar over een heerlijker levensvernieuwing dan die der natuur.

Hij, Jezus Christus, is het nieuwe leven, dat de winter der zonde en des doods heeft overwonnen. En wie in Hem gelooft, die heeft dat nieuwe, eeuwige leven!                                                                                                                                                           

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's