Religie en geloof
Nog altoos zijn wij schuldig de gedachtenwisseling met Prof. R. voort te zetten. In het vorige artikel werden reeds verschillende argumenten aangevoerd om onze interpretatie van Calvijn te rechtvaardigen. Daaribij werd uitgegaan van zijn grondstelling omtrent de algemeenheid der religie. (Inst. I. 3. 1). Wij waren daarmede echter nóg niet aan het eind. Inzonderheid aangaande de openbaring door de Heilige Schrift valt nog een en ander te verhandelen.
Wanneer men het eerste boek der Institutie nog eens aandachtig leest, kan men niet ontkomen aan de voortdurende onderscheiding, waarop wij hebben gewezen. Deze dringt zich zelfs op, indien men zich rekenschap geeft van 't gebruik der woorden religie en fides, godsdienst en geloof. Geloof doet dan weer onderscheiden worden in tweeërlei zin : eigenlijk en oneigenlijk. Geloof in den eigenlijken zin is zaligmakend geloof. Daarover handelt inzonderheid het derde boek. Het kenmerk van dit geloof is de verlichting van verstand en hart, niet alleen van het verstand, maar ook van het hart, zoodat dé verkregen Godskennis aan het hart verzegeld wordt.
Een andere wijze van onderscheiding vindt uitdrukking in den Geest tot aanneming tot kinderen. De nadruk op de werking des Heiligen Geestes in verstand en hart wekt reeds de gedachte, dat Calvijn ook een verlichting des verstands onderscheidt zonder die verzegeling des harten, dus zonder den Geest der aanneming. En deze gedachte wordt niet onduidelijk bevestigd in Inst. III. 2. 11. „Het is derhalve niet vreemd, dat hun een smaak der hemelsche gave en een tijdelijk geloof door den apostel wordt toegeschreven, niet dat zij de kracht der geestelijke genade en het zekere licht des geloofs in vasten vorm vatten ; maar, omdat de Heere, opdat Hij hen te meer overwinnen en alle bedeksel van onschuld ontnemen zou, Zichzelven in hun verstand (geweten) bekend maakt, voor zooveel Zijn goedheid zonder den Geest der aanneming tot kinderen kan gesmaakt worden''.
Het is ook niet genoeg, dat het verstand wordt verlicht door den Heiligen Geest, indien het hart niet door Zijn kracht wordt bevestigd en gesterkt. (Inst. III. 2. 33).
Zulk een geloof in oneigenlijken zin kan zelfs zooveel gelijkenis hebben met waarachtig geloof, dat wij het nauwelijks kunnen onderscheiden. Hetgeen trouwens in hetzelfde verband door Calvijn wordt opgemerkt. (III. 2. 11).
Indien Calvijn zelfs zulk een onderscheiding van geloof en geloof beschrijft, kan men moeilijk bezwaar maken tegen het door ons verdedigde standpunt.
En wat nu de kennis door de Heilige Schrift aangaat, wij zijn het er over eens, dat door Calvijn uitdrukkelijk wordt geleerd, dat deze door het getuigenis van den Heiligen Geest moet worden bekrachtigd, opdat haar gezag vaststa. Vervolgens merkt Prof. R. op : „En Prof. Severijn zal toch niet beweren, dat dit getuigenis des Heiligen Geestes ook in de onwedergeborenen werkt" (blz. 469). Het komt hier alles aan op de beteekenis van dit getuigenis. Wij zouden niet kunnen beweren, dat Calvijn werkingen van den Heiligen Geest in de niet-uitverkorenen ontkent. Integendeel. Hij erkent zeer verschillende werkingen des Heiligen Geestes ook in de goddeloozen. In het begin van het derde boek schrijft hij : Daarom wordt Hij genoemd de Geest der heiligmaking, omdat Hij ons niet alleen door een algemeene kracht, welke zoowel in het menschelijk geslacht als in de verdere levende wezens wordt gezien, die ons voedt en onderhoudt, maar ook, omdat Hij is de wortel en het zaad des eeuwigen levens, dat in ons is. (III. 1. 2). In het eerste boek spreekt Calvijn daarover u itvoeriger, als hij handelt over de gaven in kunsten en wetenschappen.
Hoever de illuminatie van het verstand kan gaan, moge blijken uit het boven aangehaalde voorbeeld van oneigenlijk of tijdelijk geloof. In Inst. III. 2, 9, leest men : zeer velen gelooven zekerlijk, dat er een God is, en meenen, dat de geschiedenis der evangeliën en de overige deelen der Schrift waar zijn; ..... er zij ook, die verder gaan: want zij houden Gods Woord voor zeer zeker, zij verachten ook Zijn geboden niet zonder meer, en worden door Zijn bedreigingen en beloften bewogen.Aan de zoodanigen wordt zelfs het getuigenis des geloofs toegekend, maar bij vergissing : naardien zij Gods Woord niet bestrijden door een openlijke goddeloosheid, noch het verwerpen of verachten, maar veeleer een soort van gehoorzaamheid brengen.
Een en ander wordt nader verklaard in het vervolg, waar nog eens de onderscheiding met het zaligmakend geloof wordt genoemd: als niet genoegzaam doordringende in het hart.
De hier gemaakte onderscheiding van het zaligmakend en schijngeloof is feitelijk reeds beslissend voor de door ons gegeven interpretatie vaneen algemeene en eigenlijke religie.
Wij stellen ons daarmede echter nog niet tevreden en willen er op wijzen, dat de onderscheiding van algemeen en bijzonder bij Calvijn door de geheele theologie heengaat.
Beginnen wij bij het kernpunt de praedestinatie, dan kunnen wij ook daar weer dezelfde onderscheiding terugvinden. Hij spreekt van een algemeene verkiezing, de aanneming van het geslacht Abrahams, en van een bijzondere verkiezing, in Christus. Als hij daarvan nader verklaring geeft, gewaagt hij van een uitwendige verandering zonder de krachtige werking van een inwendige genade. Deze is als een zeker midden tusschen de verwerping van het menschelijk geslacht en de verkiezing van een klein getal der godzaligen, 't Geheele volk Israël wordt Zijn erfdeel genoemd, terwijl nochtans velen niet tot het Verbond behoorden. (Inst. 21. 7).
Dit raakt aan dezelfde dingen, welke aanleiding werd voor de leer van een uitwendig en inwendig Verbond. Wij gaan op deze kwestie thans niet in en laten de juistheid of onjuistheid van deze leer in het midden. Dit alleen zij opgemerkt. Indien men met Calvijn zegt, dat velen niet tot het Verbond behoorden, kan men toch het volk in zijn geheel wel het zaligmakend geloof ontzeggen, maar men zal toch niet ontkennen, dat de algemeene verkiezing haar invloed laat gelden op het godsdienstige leven, zij het ook dat men die uitwendig heet. Zijn deze bepaald tot den uiterlijken godsdienst en den cultus, daarin is toch een onderscheiding, welke zonder de werking der genade niet zijn kan.
Zoo onderscheidt Calvijn ook een generale leer der Heilige Schrift. Omdat derhalve de Heere eerst eenvoudig als Schepper zoowel in het werkstuk der wereld als in de algemeene leer der Schrift, daarna als Verlosser in het aanschijn van Christus verschijnt. Vandaar een tweevoudige kenis. (Inst. II. 2. 1). De tweevoudigheid wordt hier derhalve dubbel bepaald : Ie. kennis van God den Scheper en kennis van God den Verlosser in Christus, maar ook als een algemeene en bijzondere leer der Schrift. Al noemt Calvijn hier alleen een algemeene leer der Schrift, zoo sluit dit toch van zelf ook een bijzondere in.
Iemand zou kunnen opmerken, dat God zich als Schepper openbaart in de schepping en in de Schrift, maar dat Hij niet als zoodanig gekend wordt dan door de wedergeborenen. Dat beweert echter Calvijii niet. Integendeel, hij zegt uitdrukkelijk, dat hij over de wedergeboorte nog niet handelt. Daarom is 't van te meer beteekenis, wat hij wèl zegt. Vooreerst spreekt hij in den aanhef van dit hoofdstuk niet over de n zaligheid, er maar over datgene, wat wij behooren te weten, wat tot Gods eere nuttig en bevorderlijk is.
Verder heeft hij het niet over een begrijpen, dat er een God is, want God kan niet gekend worden, als er geenerlei religie of vroomheid (pietas) is. Het is uitgesloten, dat hij daarmede het zaligmakend geloof bedoelt, want hij merkt onmiddellijk daarna op, dat hij dat niet aanraakt.
Zoo staat het dus vast, dat Calvijn een religie en vroomheid kent, waaraan die kennisse Gods gepaard gaat, die wij behooren te hebben en welke nuttig is tot Zijn eer. Hierover kan geen verschil zijn.
Ook de inhoud van deze generale doctrine der Schrift omschrijft hij duidelijk, waardoor tevens licht valt op de religie en vroomheid, welke hij bedoelt. Immers het is niet genoeg het er eenvoudig voor te houden, dat God de Eenige is, die door allen behoort geëerd en aangebeden te worden, indien wij niet overtuigd zijn, dat Hij de bron is van alle goed, zoodat wij niets ergens anders dan in Hem zoeken.
Calvijn verklaart ook nader, hoe hij dat begrijpt: niet alleen, omdat Hij deze wereld, welke Hij eenmaal geschapen heeft, ook door Zijn onmetelijke mogendheid onderhoudt, door Zijn wijsheid bestiert, door Zijn goedheid bewaart, en voornamelijk het menschelijk geslacht door Zijn rechtvaardigheid en gericht regeert, door Zijn barmhartigheid verdraagt, door Zijn beleid beschermt, — maar ook, omdat nergens ook maar een druppel van wijsheid en licht, van gerechtigheid, van macht, van richtigheid, van zuivere waarheid gevonden wordt, die niet uit Hem voortvloeit, en waarvan Hijzelf niet de oorzaak is — en dit alles wel te weten, opdat wij leeren van Hem alle dingen te verwachten en te vragen, en Hem met dankzegging te erkennen.
Dit alles besluit Calvijn derhalve onder de religie of vroomheid, waarvan hij hier handelt, want het gevoelen van deze deugden Gods is ons een geschikte leermeester der vroomheid, waaruit de religie geboren wordt.
Deze rede sluit alzoo geheel aan op het gevoelen der godheid, waarop hij als algemeen wijst. Onder die vroomheid verstaat hij dan de eerbied voor God, die met liefde verbonden is, welke aan de kennis van Zijn weldaden gepaard gaat.
Het lijdt geen twijfel, of Calvijn onderscheidt hier religieuse gevoelens en de daaruit geboren religie en vroomheid, welke haar norm en toetssteen vinden in de algemeene leer der Schrift, van de kennisse Gods als Verlosser in het aanschijn van Christus.
Het volgende hoofdstuk stelt deze kennis tegenover de speculatiën der menschen. Het kan dan ook niet toevallig zijn, dat hij hier spreekt van religie en vroomheid en niet van geloof. Het derde boek getuigt klaar en duidelijk, dat hij het woord geloof wil afzonderen voor de inwendige religie welke vrucht is van de wedergeboorte.
Dit wordt vooral duidelijk uit zijn behandeling van schijngeloof, waarop wij de aandacht hebben gevestigd. Maar dit sluit niettemtin een meer algemeene religie of vroomheid niet uit. Religie, godsdienst — misschien moet men zeggen : godsdienstigheid, cultus, inclusief zekere vroomheid —, is nog wat anders dan zaligmakend geloof. Men kan wel zeggen, dat dit laatste religie, eigenlijke, inwendige religie is, maar alle religie is nog geen geloof in den waren zin des woords.
Op zijn uitdrukking algemene leer der Schrift werd reeds gewezen.
Het mag ook nog wel gezegd, dat de kennis, welke noodig is tot eere Gods, een algemeen beginsel aan de souvereiniteit Gods ontleent, terwijl de kennis noodig tot zaligheid, een bijzonder karakter draagt.
Aan het eind van dit hoofdstuk (I. 2. 2) spreekt Calvijn over de zuivere religie, die met vreeze Gods gepaard gaat en met zich brengt den wettigen cultus, gelijk die in de Wet is voorgeschreven. Hij spreekt hier dus alleen van de Wet.
Geheel deze beschouwing van Calvijn staat onder de kracht van zijn opmerking, dat hij niet over de zaligmakende kennis handelt, een opmerking, die, zooals gebleken is, ook in het verder verband nog weer wordt herhaald, als hij: over de Schrift als hulpmiddel tot die kennis spreekt. Het is trouwens reeds in de uitdrukking algemeene leer der Schrift gegeven, dat hij haar ook als een hulpmiddel tot de hier besproken algemeene Godskennis erkent.
In dit alles kan derhalve geen aanleiding zijn om onze interpretatie als niet in overeenstemming met de bedoeling van Calvijn te laten varen. Hoe zou Calvijn na deze uiteenzettingen inzonderheid wijzen op de Godskehnis, welke van nature is ingegeven, als hij niet bedoelde er op te wijzen, dat God van allen behoort gekend en geëerd te wezen, gelijk Hij zich in de algemeene leer der Schrift openbaart. Vanwaar anders zijn heftig betoog tegen superstitie en speculatie ?
Hij zegt het trouwens zeer duidelijk : nog eens herhaal ik, dat de Schrift, behalve de eigenlijke leer des geloofs en der bekeering, welke leer Christus als Middelaar voorstelt, den eenigen en waren God, voorzoover (quatenus) Hij de wereld geschapen heeft en regeert met zekere kenmerken en teekenen versiert, opdat Hij niet worde vermengd met den valschen hoop der afgoden. (I. 6. 2). En hij voegt er aan toe, dat het den mensch betaamt bovenal zijn ooren te richten op het Woord, opdat hij tot betere kennis voortschrijdt, dan welke hem uit de beschouwing der werken Gods kan geworden.
Deze gehoorzaamheid om een leerling der Schrift te willen zijn, stelt hij als eisch, omdat daaruit het beginsel van het ware verstand opkomt. En dan maakt hij weer dezelfde onderscheiding: want uit die gehoorzaamheid wordt niet alleen het volmaakte en volkomen geloof, maar ook alle rechte Godskennis geboren. Dit laatste ware geheel overbodig, indien hij alleen zag op de Godskennis van het ware geloof. Hij spreekt echter van alle rechte Godskennis, dus ook die soort van kennis, waarover hij hier handelt.
In dit stuk heeft God de stervelingen in alle tijden door een bijzondere voorzienigheid verzorgd. (I. 6. 2.) Dit beroep op Gods Voorzienigheid geeft tevens antwoord op de vraag, of niet wedergeborenen nog wat uit de Schrift kunnen leeren. Wij zouden uitvoerig over de openbaring moeten handelen om dit nader uiteen te zetten.
In hoeverre de gevallen mensch tot zulk een gehoorzaamheid en kennis kan komen of niet kan komen, waarover Calvijn ook handelt, doet niets af van de zaak, waarom het gaat: n.l. dat Calvijn van een algemeene leer der Schrift spreekt, welke God leert kennen in zooverre Hij de wereld schiep en onderhoudt.
Voorts, dat deze kennis gepaard gaat aan een vroomheid, die zich richt op de deugden Gods, welke zich in het gevoel Zijner Voorzienigheid openbaren.
Ten derde, dat de mensch zich op deze openbaring door de Schepping em het Woord behoort te richten.
Ten vierde, dat de eere Gods eischt Hem te onderscheiden van de afgoden.
Ten vijfde, dat Hij wil geëerd worden op wettige wijze, dat is, zooals Hij in Zijn Wet voorschrijft.
Ten zesde, dat uit deze gehoorzaamheid het beginsel van alle rechte Godskennis en van het volmaakte geloof is.
Ten zevende, dat God door een bijzondere Voorzienigheid de stervelingen in dezen deele in alle tijden verzorgt.
Men kan dit alles niet als een formeele uiteenzetting van de leer van God den Schepper beschouwen, doch Calvijn geeft hier een beeld van de algemeene religie, zooals deze verschijnt in het licht der Schriftuur.
Men zij zich echter bewust, dat Calvijn deze dingen alzoo ziet van uit het standpunt des geloofs. Het geloof ontdekt, dat de religie der jmenschheid naar de orde der schepping, gelijk de Schrift leert, zulk een beeld vertoont. Doch voor het geloof is en blijft ook de stellige eisch naar de orde der schepping alzoo van kracht voor alle menschen. Het Schriftuurlijk beeld der algemeene religie, zooals Calvijn zegt, de algemeene leer der Schrift, wordt door hem normatief gesteld, evenzeer als de confessie aangaande het zaligmakend geloof belijdt, dat de Heilige Schrift de eenige regel des geloofs is.
Daaruit volgt onmiddellijk dezelfde eisch ten aanzien van het zedelijk leven in het algemeen, zooals kan blijken uit de verwijzing van Calvijn naar de Wet en den legitiemen cultus, waarbij hij zeker niet alleen op godsdienstige ceremoniën ziet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's