De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

Het doel der Wet. Vers 19—29.

Hoofdstuk III.

Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld. Vervolg vers 19.

Gelijk de dingen zelf verscheiden zijn, zoo is ook het gebruik der dingen verschillend. Daarom moet men niet alles over één kam scheren, want dan ontstaat er verwarring.

In Deuteronomium 22 vers 5 staat: „Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken".

Een man moet doen hetgeen eens mans is; een vrouw wat een vrouw betaamt. Ieder moet doen wat in overeenstemming is met zijn ambt of beroep.

Herders en leeraars moeten het Woord Gods zuiver prediken. De overheid moet haar onderdanen regeeren, welke op hun beurt aan de overheid gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Zoo moet ook in de schepping alles zijn orde en plaats weten. De zon moet des daags schijnen; de maan en de sterren daarentegen des nachts. De zee behoort visch voort te brengen ; de aarde vruchten ; de wouden wild gedierte en hout.

Derhalve mag dus ook de Wet zich niets aanmatigen, wat in strijd met haar aard en wezen is. Het behoort namelijk niet tot haak taak, om rechtvaardig te maken. Zulks moet zij overlaten aan de genade, de belofte en het geloof. 

Wat is nu de taak den Wet?

Antwoord: zij heeft te maken met de zonde.

In Romeinen 5 vers 20 staat: „De Wet is ingekomen, opdat de misdaad te meer­der worde". Voorwaar : een schoone zaak ! „Det Wet", zegt Paulus, „is er om der overtredingen wil, dat wil zeggen : zij is gekomen na de belofte en afzonderlijk daarvan gegeven, totdat het Zaad kwam, namelijk Christus, op wien de belofte doelde".

Tot tweeledig gebruik der Wet.

Men dient in dit verband te weten, dat de Wet tweeledig kan worden gebruikt, te weten burgerlijk en theologisch of geestelijk.

In de eerste plaats iets over het burgerlijk gebruik.

God heeft de burgerlijke, ja alle wetten verordend, omi de overtredingen tegen te gaan en te stuiten. Elke wet is gegeven, om de zonden in haar loop te verhinderen.

Gevraagd kan worden, of de Wet dan niet rechtvaardigt, wanneer zij de zonden tracht te weren.

Hierop dient geantwoord : stellig niet! Want het feit, dat ik niet dood, niet steel, en mij van echtbreuk en andere zonden onthoud, wil nog niet zeggen, dat ik dit alles nalaat, omdat ik de deugd zoo lief heb. Ik bega deze zonden niet, omdat ik  bevreesd ben voor de gevangenis, het zwaard en de beul. Daarom zondig ik niet, evenals een leeuw of een beer door ketenen belet wordt, om wat hem in den weg komt te verscheuren.

De terughouding en beteugeling der zonden is dus nog geenszins een bewijs van gerechtigheid ; veeleer is zij een bewijs van óngerechtigheid. Want gelijk een woedend en niet te temmen dier met touwen of ketenen gebonden wordt, ten einde te verhinderen, dat het alles wat binnen zijn bereik komt verscheurt, zoo houdt ook de Wet den goddeloozen en dreiging en moord blazenden mensch in toom, opdat hij niet aan zijn lusten zal kunnen toegeven. 

Deze dwang toont duidelijk genoeg, dat allen, die een zoodanige dwang noodig hebben (en dat is iedereen, die niet in Christus is), niet rechtvaardig zijn, doch goddelooze lieden, die beteugeld moeten worden door de boeien der Wet, om te voorkomen, dat zij in zware zonden vallen.

Het is er dus ver vandaan, dat de Wet zou kunnen rechtvaardigen.

Het eerste wat men van de Wet en haar gebruik moet weten, is, dat zjj den goddeloozen mensch in toom houdt. Want de duivel regeert en voert heerschappij, over gansch de wereld, den mensch aanzettende tot schanddaden van allerlei aard. Om deze reden heeft God overheden, ouders, leeraren en wetten verordend en ingesteld, ten einde er voor te zorgen, dat zij, wanneer ze niets méér kunnen bereiken, ten minste den duivel binnen bepaalde perken houden, opdat deze niet naar willekeur in de zijnen zal kunnen woeden.

Gelijk degenen, in wie de duivel hoogtij viert, in boeien worden geslagen, om te verhinderen, dat zij iemand beschadigen, zoo is er de overheid voor de wereld, want zij is in haar geheel van den duivel bezeten en werpt zich gerust zoomaar hals over kop in de meest schandelijke zonden. De overheid bindt met haar wetten den zondigen mensch aan handen en voeten, om te voorkomen dat hij zich in allerhande boosheden stort. Laat een mensch zich door de wetten evenwel nog niet beteugelen, dan wordt de doodstraf aan hem voltrokken.

De burgerlijke dwang is hoogst noodzakelijk en door God ingesteld, met de bedoeling, om de openbare rust en orde te handhaven en te bestendigen, maar vooral ook, om er voor te waken, dat de voortgang des Evangelies niet worde gestuit door oproerige bewegingen van losbandige en vermetele lieden.

Over dit burgerlijk gebruik der Wet handelt Paulus hier niet, hoewel ook deze kant der zaak van belang is.

Door de burgerlijke wetten op te volgen wordt men niet gerechtvaardigd. Ook is zulks geen bewijs van rechtvaardigheid. De wereld wordt door de wetten van uitwendige gruwelijkheden teruggehouden, maar daarom is zij nog niet rechtvaardig; zij is en blijft goddeloos. De dwang der wetten is hiervan een bewijs. Was de wereld in wezen niet goddeloos, dan behoefde zij niet door wetten in toom gehouden te worden, om te beletten, dat zij in de vreeselijkste zonden vervalt.

Het andere gebruik der Wet is theologisch of geestelijk van aard, en bestaat daarin, gelijk de apostel zegt, dat het de zonden meerder maakt en doet toenemen.

De Wet openbaart den mensch zijn zonden, zijn blindheid, zijn ellende, zijn goddeloosheid, zijn onwetendheid met betrekking tot God, zijn verachting van en haat tegen Hem, enz. De Wet brengt den mensch tot het inzicht, dat hij den dood, de hel, het gericht en den toorn Gods verdiend heeft.

In het zevende hoofdstuk van den brief aan de Romeinen wordt over deze zijde der Wet zeer voortreffelijk gehandeld.

Het geestelijk of theologisch gebruik der Wet is het wezenlijke en voornaamste; daarom is het ook nuttig en allernoodzakelijkst.

Een mensch, die geen moordenaar, geen echtbreker en geen dief is, meent, dat hij rechtvaardig is ; door zijn eigengerechtigheid gaat zoo iemand prat op zijn goede werken, alsmede op zijn verdiensten.

Zulk een mensch kan door God op geen andere manier klein gekregen en tot deemoet gebracht worden, dan door hem tot de erkenning te brengen, dat hij ellendig is en veroordeeld, hetgeen geschiedt door middel van de Wet.

De Wet toch is een hamer, die doodt ; zij is te vergelijken met den donder der hel en den bliksem van Gos toorn; zij werpt den verstokten en dwazen huichelachtigen mensch ter aarde, en zij verbrijzelt hem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's