NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 83)
Wat gaf al dat uitwendige goed eigenlijk een mensch. 't Was precies zooals Ds Buitenveld den vorigen Zondag nog gezegd had : Het kon hem niet gelukkig maken, als hij het niet was en het kon den dood niet afkoopen als het iemands tijd van heengaan werd en het kon een mensch niet in den hemel brengen. Of, zooals Liesbet, van zijn zuster uit Amsterdam, voor enkele dagen schreef, dat een mensch gelukkig is als hij gezond mag zijn en met werken zijn kost verdienen kan. Aardig van dat meisje. Voorheen had hij nooit veel van haar moeten hebben, omdat het zoo'n dame was, en ternauwernood hem als oom wilde erkennen, maar sinds die geschiedenis in de groote stad, leek zij geheel veranderd en schreef nu geregeld brieven aan haar moeder, waarin altijd de groeten aan hem vermeld stonden. Een mensch werd wel eens door schade en schande wijs. Van morgen had hij nog even met Gabe over haar gesproken. Hoe die er zoo bij kwam, maar opeens had deze gevraagd, of zijn zuster wel eens iets van haar dochter hoorde en of die nog in Amsterdam woonde. Toen heeft hij Gabe verteld, dat zij den laatsten tijd nogal dikwijls van zich deed hooren en ook eens gevraagd had of oom Jacob nog altijd op „Donia-state" werkte, maar dat andere had hij vanzelf verzwegen. Daar wist niemand in Zevenhuizen iets van en had ook geen mensch wat mee te maken. Anders niet dan de boerin, die hij het in vertrouwen verteld had, omdat die er toch niet weer over sprak en Pier Boukes. Een ieder moest toch immers zijn eigen pak dragen ?
Daar stapte Gurbe bij de Piersma's op het heem. Een andere huishouding dan hier op „Donia-state". Maar de menschen zeiden, dat boer Piersma fijn was en zijn vrouw ook en de kinderen ook. En dat 't daarom in huis heel anders toeging dan hier. Liesbet kon ook wel vroom worden, aan haar brieven te hooren. En dat in zoo'n groote stad als Amsterdam ? In elk geval beter zóó, dan anders....
Hier werd de oude man in zijn overdenkingen gestoord. „Zeg tegen Gabe, dat hij straks uitspant, als hij in de Achtste klaar is, en mee gaat melken, omdat ik van huis moet", klonk het forsch.
„Best, boer", zei Jacob en vervolgde zijn weg, zoo vlug als z'n oude beenen dit toelieten. Wat dat wezen mocht! De boer, midden in de hooiïng d'r tusschen uit Misschien weer een goeden slag slaan met het jongvee. Thijs Sangers liep gister ook met een vreemden koopman en het buitenland wilde wel achter het hier gefokte ras. Het laatste kalf van „Sijke" was zoo'n mooi dier ! Prachtig geteekend, en dan die lichaamsbouw ! Wellicht dat dit van de hand ging. Of zou de boer d'r misschien op uit moeten, tengevolge van het sterfgeval in het dorp. Mijnheer Krips was ook kerkvoogd en zat mee in de Boerenleenbank en had een heele boel van die baantjes. Maar moest ook al, gelijk ieder ander mensch, d'r tusschen uit als het zijn beurt was. Gelukkig ook maar. Anders was het onderscheid wel wat al te groot. Hij had wel niet veel verstand van die dingen, maar vond hier het verschil tusschen de menschen soms zoo bar. Natuurlijk had hij niets te commandeeren. Als Santema zei: ,,Doe dit, of doe dat", dan had hij te gehoorzamen en daarmee uit. Maar daartegenover stond, dat hij óók geen zorgen had. Als het werk was afgeloopen, ging hij naar zijn kosthuis om te eten en te slapen. Zoo'n mijnheer Krips had iets anders achter zich gehad. Vooreerst altijd in de cijfers, waar het een mensch groen en geel voor de oogen van worden zou, en nu opeens er bij weg. Wat moest nu zoo'n vrouw met zulke kinderen beginnen! 't Leek aan den buitenkant wel eens mooier dan het werkelijk was. Het zou hier op „Doniastate" óók wel eens zoo kunnen wezen.
„Vader zegt, om zoo aanstonds maar uit uit te spannen, en mee te helpen melken", zei hij tot Gabe, toen hij dezen dicht genaderd was.
„Wat zou dat beteekenen ? " vroeg deze barsch.
„Hij moet er zelf tusschen uit". „D'r uit ? Terwijl het hier zoo druk is ? Wat heeft de oude nu in zijn hoofd ? "
„Ik weet 't niet, hoor ; maar hij zei het". Met een vloek tusschen de tanden, scheurde Gabe aan den leidsel, zoodat de schuimbekkende beesten het voelden en zenuwachtig trippelden, omdat zij niet wisten wat te moeten doen. Zij vreesden hun harden meester, die van geen barmhartigheid wist, omdat hij een onrechtvaardige was.
Ook oude Jakob mompelde iets, naaar dat was aan het adres van Gabe. En daar kwam het woord „beul" in voor.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's