UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Het doel der Wet. Vers 19—29.
Hoofdstuk III.
(IV) Vervolg vers 19.
Het typeerende der Wet is, dat zij, evenals op den berg Sinaï het geval was, door bliksem, donder en bazuingeschal de gemoederen verschrikt; als met een bliksemstraal werpt zij het ondier, dat eigengerechtigheid heet, ter aarde.
In Jeremia 23 vers 29 zegt de Heere dan ook : „Is Mijn Woord niet als een vuur ? En als een hamer, die een steenrots te morzel slaat ? "
Zoolang de mensch in zijn waan van eigen gerechtigheid blijft volharden, zoolang blijft ook een ongelooflijke hoogmoed, vermetelheid, zelfverzekerdheid en haat tegen God hem eigen. De mensch veracht dan Gods genade en barmhartigheid, en is onwetend wat betreft Christus en Zijn beloften.
Dit alles komt in het hart van een natuurlijk mensch niet op, omdat de waan van zijn eigen gerechtigheid als een geweldige rots en als een harde muur van diamant een belemmering vormt tusschen God en zijn ziel.
Om bedoelde waan te breken en te verbrijzelen, heeft God een grooten en sterken hamer noodig, en Hij heeft dien in de Wet.
De Wet toont den mensch dus zijn zonden ; zij klaagt hem aan, zeggende : zie, o mensch, ge hebt alle geboden Gods overtreden.
Zoo is de Wet bezig, 's menschen gemoed te verschrikken, opdat het in waarheid gevoele, God beleedigd en Zijn toorn opgewekt te hebben, waardoor het den eeuwigen dood verdiend heeft.
We moeten den ondragelijken last der Wet gevoelen, en tot wanhoop toe verbrijzeld worden, zoodat we in onze beangstiging des harten den dood verkiezen boven het leven, en onszelf bijna het leven benemen.
Om deze redenen is de Wet een hamer, een vuur, een geweldige wind en een vreeselijke aardbeving, welke steenrotsen splijt en bergen doet wankelen; en met verstokte en hoogmoedige huichelaars doet de Wet hetzelfde.
Ook de profeet Elia kon de verschrikking der Wet niet verdragen, want volgens 1 Koningen 19 vers 13 bewond hij zijn aangezicht met z'n mantel. Toen de storm echter bedaard was, kwam er een suizen eener zachte stilte, waarin de Heere was. Doch het onweder en het vuur, de storm en de aardbeving moesten voorafgaan aan de komst des Heeren in het suizen der zachte stilte.
De beteekenis der Wet zien we afgeschaduwd in het vreeselijk tafereel van den berg Sinaï, toen het volk Israël, dat uit Egypte getogen was, als een heilig, afgezonderd volk Gods kon getypeerd worden.
Wij, zoo beroemden zij zich, wij zijn het volk Gods. Alles, wat de Heere onze God gesproken heeft, zullen wij doen.
Hierna heiligde Mozes het volk, en beval, dat het z'n kleederen reinigen zou, zich van vrouwen zou onthouden; ook moest het volk zich tegen den derden dag gereed houden. Iedereen was heilig oftewel geheiligd. Op den derden dag leidde Mozes het volk uit de legerplaats naar den berg, ten einde de stem des Heeren te vernemen. En wat geschiedde er ? Toen de kinderen Israels den verschrikkelijken aanblik, dien de berg opleverde, zagen, gingen zij op een afstand staan, en spraken tot Mozes, zeggende : wij willen gaarne alles doen, als de Heere maar niet met ons spreekt, want we zouden sterven. (Exodus 20 vers 19). We zouden door het groote vuur, dat we zien, verteerd worden. Leer gij ons maar; wij zullen wel luisteren.
Ik vraag u: wat heeft hier de reiniging des volks, de gewasschen kleederen, het zich onthouden van vrouwen, kortom heel de heiliging gebaat?
Totaal niets !
Niemand kon de tegenwoordigheid Gods, die Hij in Zijn majesteit en heerlijkheid ten toon spreidde, verdragen. En allen deinsden verschrikt en ontzet terug, als werden ze achterna gezeten door den duivel. God is namelijk een verterend vuur, voor wiens aangezicht geen vleesch bestaan kan. (Deuteronomium 4 vers 24).
Het tafereel bij den berg Sinaï toont ons de ware beteekenis en strekking van de Wet. Aangehoord als de Wet werd door menschen, die zich gereinigd en geheiligd hadden, konden zij toch niet ontkomen, al waren zij geheihgd, aan de overtuiging hunner ellende ; zij werden zelfs bijna tot wanhoop en vertwijfeling gebracht. Reinheid hielp niet, doch het bewustzijn van onreinheid, onwaardigheid en zonde was zóó groot, dat men voor God wegvluchtte, om Zijn stem niet te hooren. Het volk zeide : „Waarom zouden wij sterven ? Want dit groote vuur zou ons verteren. Indien wij voortvoeren de stem des Heeren onzes Gods langer te hooren, zoo zouden wij sterven. Want wie is er van alle vleesch, die de stem des levenden Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven ? " (Deuteronomium 5 vers 25 en 26).
Wat sprak het volk Israël nu anders, dan tevoren, toen het zeide : Wij zijn Gods geheiligde volk, hetwelk de Heere zich tot Zijn eigendom verkoren heeft uit alle volkeren der aarde. Alles, wat de Heere gesproken heeft, zullen wij zekerlijk doen ......
Zoo gaat het met alle werkers van eigen gerechtigheid, die in hun waan meenen, dat God hen liefheeft, en dat Hij hun geloften, vasten en geprevelde formuliergebeden, alsmede hun zoogenaamde goede werken, wil aanzien, en dat Hij hun voor dit alles in den hemel een heel bizondere belooning zal overhandigen.
Wanneer donder, bliksem, vuur en een hamer, die rotsen verbrijzelt, komen, dat wil zeggen : wanneer de Wet Gods op z'n onverwachts de zonde eens menschen openbaart, dan ervaart hij hetzelfde, wat eens de Joden meemaakten, toen zij stonden aan den voet van den berg Sinaï.
Allen, die God vreezen, inzonderheid hun; die eens als leeraar over anderen moeten optreden, raad en beveel ik aan, nauwkeurig de geschriften van den apostel Paulus te bestudeeren, opdat zij o.m. een juist inzicht krijgen van de eigenlijke beteekenis en strekking der Wet, welke, naar ik vrees, in onzen tijd weer danig op den achtergrond zijn geraakt.
Want hoewel wij de taak van Wet en Evangelie zoo duidelijk mogelijk trachtten uiteen te zetten, zoo zijn er toch onder degenen, die voor godzahg aangezien mogen worden, en met ons het Evaligelie belijden, nog maar weinigen, die een juistcn kijk op deze dingen hebben.
En wanneer dit reeds zoo is, nu we nog leven, — hoe, meent ge, dat een en ander zijn zal, als ik er niet meer ben ?
Van de Wederdoopers en andere secten wil ik liever maar niet spreken, wijl zij al lang van de zuivere leer des Evangelies zijn afgevallen. Dezulken verkondigen dan ook Christus niet meer. Weliswaar beweren zij bij hoog en bij laag, dat zij de eere Gods en de zaligheid hunner broeders op het oog hebben, en dat zij het Woord Gods zuiver willen leer en, maar in werkelijkheid vervalschen zij den Bijbel, en kennen zij aan hem een beteekenis toe, die hij niet heeft. Hun eigen droomerijen dienen zij onder Christus' Naam aan, en onder voorwendsel, het Evangelie te verkondigen, voeren zij de Wet en ceremoniën in. Zoo blijven ze, wie ze waren, namelijk : monniken, werkers van eigen gerechtigheid, leeraren der Wet, enz. Alleen de namen, waaronder allerlei secten zich aandienen, alsmede de werken, die zij aanprijzen, zijn nieuw.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's