De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers

10 minuten leestijd

De taak der gemeenteleden.--De kerkgang als taak en daad.

De taak der gemeenteleden.

In „Belijden en Beleven" schrijft Prof. Dr F. W. Grosheide een artikel over de taak der gemeenteleden. Doorgaans — zoo schrijft hij — denken wij hierbij aan de stemming voor ambtsdragers, het vervullen van allerlei taak in de Kerk, zoo geestelijk als in de Evangelisatie en stoffelijk, dè verzorging der financiën, misschien aan het schrijven in de plaatselijke kerkbode of het behartigen van de belangen der Kerk in en buiten rechte. Dit alles wordt ook gezien als de taak der kerkleden en de bedoeling ligt niet voor om de beteekenis van dit alles te verkleinen. Integendeel, wanneer alle gemeenteleden in dit opzicht naar vermogen meewerkten, dan zou het met het kerkelijk leven beter gaan dan nu soms 't geval is. Hierdoor zou vooral voorkomen worden, dat bijna in elke Kerk enkelen met werk zijn overladen, terwijl anderen van het welzijn der Kerk zich weinig of niets aantrekken.

't Is niet ondienstig dit nog eens even te onderstrepen. Inderdaad is er een groote achterstand in het medearbeiden der gemeenteleden in het kerkelijk leven. Dit is vooral hieruit te verklaren, dat men niet inziet wat Kerk-zijn beteekent en dat men ook niet verstaat wat het inhoudt lid der Kerk te zijn. Er is zoo weinig beleving van het Kerk-lid-zijn. Zoo vaak kan worden bespeurd dat men de Kerk beschouwt als een soort zaak, die door den predikant, ja, vooral door hem, en dan verder door den Kerkeraad moet loopende worden gehouden. Nu willen we geenszins beweren dat de ambtsdragers niet een groote en bizondere taak in het midden der gemeente hebben te vervullen. Maar 't is toch niet zoo, dat zij de kerkelijke wagen hebben te trekken en dat de gemeenteleden dan wel op dien wagen kunnen gaan zitten om zich mee te laten trekken. Telkens moet gewezen worden op wat de Heere ook in dezen van allen en een ieder gemeentelid vraagt. Met weldaden heeft de Heere ons overladen. Hij deed ons geboren worden niet in de heidenwereld bij rookende altaren en beeldendienst, maar Hij deed ons geboren worden in de gemeente, waar het geklank des Woords mag worden vernomen, waar gehoord wordt de stem van den God des Verbonds. En die God des Verbonds heeft Zijne goedgunstigheid reeds betoond jegens een ieder onzer toen wij nog nergens weet van hadden. Hij komt tot ons eer wij kunnen vragen zelfs en Hij staat midden op onze zondige wegen en roept het ons toe: Laat u met Mij verzoenen. We hebben te maken als gemeenteleden met een God, Die ons nabij is gekomen, 't Is ons niet eerst gevraagd of we dat wel goed vonden. Het is geschied, 't Is over ons gekomen. God is de eerste geweest. Om ons te wijzen op ons onderworpen zijn aan dood en verdoemenis, op de noodzakelijkhied der wedergeboorte — maar óók op het ondoorgrondelijke, dat Hij ons tot een God wil zijn, dat het bloed van Christus nog reinigt van alle zonden, dat de Geest ons nog ernstiglijk aangeboden wordt om ons die afwassching der zonden en de dagelijksche vernieuwing des levens persoonlijk toe te eigenen.

Maar ach, wat wordt hiermee gedaan ? Gene gaat heen tot zijn akker en deze tot zijn koopmanschap de banden, waarmee de Heere ons bindt, werpen wij af. Wij willen niet, dat Hij Koning over ons zij. Wat kan dat bedroeven, als we zien dat het zoo telkens en telkens weer gaat in 't midden der gemeente. Dat dit gansch niet als gruwelijke zonde wordt gezien en gekend. Het wordt doodgewoon gevonden. We hebben het de laatste tijden nogal eens over oordeelen. Maar ziende op de breuk der dochter onzes volks moeten wij getuigen : Hij straft ons, maar naar onze zonden niet. En waar is de verootmoediging ? In 't algemeen gesproken ? Ze is niet te vinden. Want ware verootmoediging bestaat toch niet hierin, dat het hoofd gebogen wordt als een bieze, dat men zich mismaakt. Is dat het vasten, dat de Heere verkiest ? Dat de mensch zijn ziel een dag kwelle , dat hij zijn hoofd kromme gelijk eene bies en eenen zak en asch onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heeten en eenen dag den Heere aangenaam ? Is niet dit het vasten, dat Ik verkies : dat gij losmaakt de knoopen der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks, en dat gij vrij loslaat de verpletterden en alle juk verscheurt? Men sla er Jesaja 58 maar eens op na. Als echter de knoopen der ongerechtigheid vastblijven, als het bloed des Nieuwen Testaments onrein geacht wordt, als Christus' Woord ook nu blijft gelden : Ik heb u willen vergaderen, maar gij hebt niet gewild, dan hebben wij geen dageraad te wachten. Ook kerkelijk niet. Want dan wordt Gods Geest wederstaan, zooals Stefanus zegt voor den Joodschen Raad. En dan zal men zich er heel best in kunnen vinden, wanneer enkele menschen in de gemeente met werk overladen zijn. Men zal dan wel zeggen of het goed ge­beurt of niet. Want critiek is er dan vaak overvloedig. En wakker wordt men als men meent tekort gedaan te worden en niet ten volle te ontvangen, waarop men recht meent te hebben. Alle tuchteloosheid op alle gebied komt voort uit het afwerpen van de banden Gods. Daarom wordt het alleen anders, wanneer door de werking van Gods Geest er een buigen komt onder het Woord des Heeren. Wanneer er komt een arm, een verslagen, een voor-het-Woord-bevend volk. Want op dit volk is Gods oog. Dit zal kennen de gunst des Heeren in Christus. Dit zal zich gebonden weten door de banden des Heeren om naar Zijn getuigenis voor Zijn aangezicht te wandelen. Dit ontvangt de begeerte om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven. En zeker niet in de laatste plaats op kerkelijk gebied. Dan komt er gebed voor de arbeid en voor de arbeiders in Gods Koninkrijk. De kracht daarvan kan worden ervaren. Het is een voorrecht als er in de gemeente zijn, die, in gebondenheid aan het Woord Gods, niet aflaten den troon der genade aan te loopen voor het gemeentelijk leven. Vooral ook voor de dienst des Woords en der Sacramenten. Prof. Grosheide wijst hierop speciaal, wanneer hij in zijn bovengenoemd artikel voornamelijk handelt over

De kerkgang als taak en daad.

De Catechismusverklaring van het 4de gebod wordt aangehaald. De taak der gemeenteleden is kerkedienst en scholen te onderhouden, inzonderheid op den sabbath tot de gemeente Gods naarstig te komen om Gods Woord te hooren, de sacramenten te gebruiken. God den Heere oprecht aan te roepen en den armen christelijke handreiking te doen. Vanzelfsprekend, zal men zeggen. Gelukkig, als de Catechismus zoozeer ons eigendom is geworden, dat wij er geen oogenblik aan twijfelen. Maar aan den anderen kant zijn wij hiermee niet klaar. De groote vraag is : zien we al deze dingen als eene taak ?

Tot-het stellen van deze vraag is juist nu reden. Door de tijdsomstandigheden kan veel arbeid niet, of slechts gedeeltelijk worden verricht. Herinnerd wordt aan het Zendingswerk en aan de Evangelisatiearbeid. Wat kunnen we nu als leden der Kerk nog doen ? Geantwoord moet dan worden, dat we zelfs datgene kunnen doen, wat het eerste en voornaamste is, datgene wat de belijdenis als de taak van de leden der gemeente noemt. We moeten dit dan ook als taak leeren zien. Op het onderhoud van predikambt en scholen wordt niet verder ingegaan. „In het tweede, dat de Catechismus noemt, wordt hij zeer persoonlijk. Immers hij verklaart, dat ik tot de gemeente Gods naarstig heb te komen, dat ik het Woord heb te hooren, de sacramenten te gebruiken en den armen handreiking heb te doen. Dit is bepaald mijn taak. En van deze taak moet worden gezegd, dat ze veel te weinig als zoodanig wordt gezien".

Tot de gemeente Gods komen wil niet zeggen, dat we Zondag aan Zondag zoo laat uit ons huis gaan, de kerk binnenstappen en onze plaats innemen. Te vaak wordt het zoo opgevat. In een Zondagsafdeeling, die zoo zuiver geestelijk het vierde gebod verstaat, dan dit toch de bedoeling niet zijn. Van de gemeente Gods wordt gesproken. Nu worden we uitgetrokken boven het aardsche. We belijden daarmee dat er door Gods genade op deze aarde een kring van hemelsch karakter is, waar God op bijzondere wijze Zijn beerschappij oefent en waar Hij op bijzondere wijze wordt vereerd. De Christen mag van die gemeente een levend lidmaat zijn. In en met die gemeente mag hij den Heere op bijzondere wijze dienen. Dit is een daad. En het komen tot de gemeente is een daad, een taak. ten belijdenisdaad en een actief gaan medewerken aan den dienst des Heeren. Dit moet dan echter ook bewust worden verricht. De oogen moeten voor het gevaar van de sleur-kerkgang worden geopend, maar dan op de rechte wijze. Dat wil zegden, dat het opgaan met de gemeente als daad wordt gezien. De gemeente heeft het gehoorde te toetsen of haar waarlijk het Woord Gods wordt gepredikt. En het Woord des Heeren heeft ze te ontvangen en te gebruiken tot zaligheid en tot Gods eer. Hierbij komt het openlijk aanroepen van den Naam des Heeren in de vergadering der gemeente, waardoor Gods Naam wordt grootgemaakt. „Dit is een publieke belijdenisdaad". Hierin wordt immers uitgesproken : Gij, Heere, alleen zijt God. Dan moet er echter waarlijk meebidden en meeleven gevonden worden. De gemeente als geheel en elk harer leden afzonderlijk hebben zich te stellen voor het Aangezicht Gods. Daarbij komt nog de collecte als een noodzakelijk bestanddeel van den Eeredienst. Ook de collecte moet als daad, als taak worden gezien. „Het is een bewust brengen van het offer der dankbaarheid".

De gemeenteleden behoeven dus waarlijk niet te vragen: wat moeten we doen en wat kunnen we nog doen. Laat een ieder zich eens ernstig voor de vraag stellen : wat is mijn kerkgang, mijn medebidden, mijn gave. Hierop moet eerlijk een antwoord worden gegeven. Al jaren en jaren is telkens gewezen op het steeds slinkend getal der kerkgangers. Inderdaad een droevig verschijnsel. En hiermee in verband is wel eens opgemerkt, dat daardoor de kerkgang van de nog-kerkende menschen meer een persoonlijke daad is geworden. Minder sleur en meer bewust weten wat men doet. Hierin zit ongetwijfeld waarheid. Maar even waar is het dat het zien van de taak en de bewuste daad bij ontelbaren nog ontbreekt. In onzen tijd hebben wij het er wel over dat zelfs nü het getal der kerkgangers niet vermeerdert, zoo in 't algemeen gesproken. Zooals dit wel eens wordt gezien in benauwde tijden, 't Ware zoo te wenschen, dat er meer gevraagd werd naar wat de Heere tot ons heeft te zeggen.

Maar wat zou het, afgezien daarvan, een zegen-zijn, wanneer wij als gemeenteleden de ons van God gegeven taak leerden verstaan en verrichten. En wanneer ook de kerkgang minder sleur en meer bewuste, persoonlijke daad werd. Wanneer het werd : „Hoe branden mijn genegenheen om 's Heeren voorhof in te treên." Dan zou ook sterker de roep gehoord worden: „Kom, ga met ons en doe als wij." ,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's