De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

7 minuten leestijd

„Want ook de Zoon des Menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen". Marcus 10 vers 45.

Voor de laatste maal maakt Jezus Zich op om met Zijn discipelen te gaan naar Jeruzalem, de heilige stad, om het werk der verlossing, dat Hij op Zich genomen had, te volbrengen. In het volle bewustzijn van hetgeen Hem overkomen zal, begeeft Hij Zich op weg ; reeds lang tevoren heeft Hij het immers voorzegd : „De Zoon des Menschen móét veel lijden en verworpen worden en gedood worden".

Het moet voor Jezus wel een onzegbare verscherping van Zijn lijden geweest zijn, van te voren den weg der smarten, niet in duister vermoeden, doch met klare bewustheid en voDcomen zekerheid te kennen, ja, tot in bijzonderheden te kennen. Ook deze verzwaring van lijden bleef aan Jezus niet bespaard.

En om Zijn discipelen, die maar al te zeer een aardsch Messiasrijk verwachtten, op dit lijden voor te bereiden, roept Jezus hen tot Zich en zegt : „Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des Menschen zal den Overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden en zij zullen Hem ter dood veroordeelen".

Maar niettegenstaande alle aankondiging van het lijden, leefde toch bij de discipelen de gedachte aan de heerlijkheid van het komende Messiaansche Rijk met zijn tronen, ook voor hen. En niettegenstaande alle waarschuwingen voor het groot-willenzijn, vragen de zonen van Zebedeüs de eerste zetels voor zichzelf naast Koning Jezus. Zij schijnen niet te hébben bedacht, dat wie aan de koninklijke heerschappij wil deel hebben, ook de weg van het lijden des doods achter Jezus aan moet bewandelen.

En als Jezus hen dan nogmaals op Zijn aanstaand lijden wijst en hen vraagt : „Kunt gij den drinkbeker, drinken, dien Ik drinke en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt worde", dan antwoorden zij, zonder een oogenblik te aarzelen : „Wij kunnen".

Weinig vermoeden zij, wat dit in heeft, weinig begrip ook hebben zij van de ge­nade, die noodig zal zijn om hun woord waar te maken.

De andere discipelen echter zijn zeer verstoord, als zij hooren van het verzoek van Jacobus en Johannes. Afgunst en eerzucht zal geen gering aandeel gehad hebben aan hun ontstemming, want de vraag naar de voorrang had hen al meerdere malen bezig gehouden. Daarom roept Jezus hen tot Zich om hun te toonen, dat de grootheid in het Koninkrijk Gods van geheel andere aard is als de grootheid in de rijken dezer wereld.

In het Koninkrijk Gods komt slechts hij tot grootheid en tot den eersten rang, die zich tot dienaar der overigen maakt. Dit is het, wat Jezus van Zijn discipelen verlangt en daarin is Hij Zelf het groote voorbeeld : „Want óók de Zoon des Menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen".

De Zoon des Menschen is gekomen.

In de volheid des tijds heeft God Hem gezonden. En vrijwillig heeft Christus Zijn heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was, verlaten en Hij, de éénige Zondelooze, daalt af tot een wereld, die in zonde en schuld voor God verloren ligt. Hij is gekomen, omdat Hij reeds voor de grondlegging der wereld op Zich genomen had de schuld voor Zijn volk te betalen, opdat Hij hen aan den Vader zou voorstellen als een gemeente zonder vlek of rimpel.

Hij kwam, omdat Hij lust had om te doen het welbehagen van Zijn Vader, opdat Hij de gerechtigheid zou verkondigen in de groote gemeente.

Hoewel Hij het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, heeft Hij nochtans Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is Hij den menschen gelijk geworden, opdat Hij in den weg van dienen en lijden een eeuwige verlossing zou aanbrengen voor al Zijn volk.

Daarvan was Christus Zichzelf ten volle bewust, want Hij had Zichzelven herkend in de gestalte van den lijdenden Knecht des Heeren, Die in de profetiën van Jesaja zoo ontroerend schoon geteekend is. Hij wist, dat Hij de ongerechtigheden van velen zou dragen, opdat Hij velen zou rechtvaardig maken.

't Lijdt dus geen twijfel, of Jezus spreekt hier van Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven. In al Zijn prediken, troosten en genezen, wilde Hij als de lijdende Knecht des Heeren het werk verkondigen, dat de Vader Hem gegeven had om te doen.

Om te dienen, is Hij gekomen. Hij is niet, zooals de grooten dezer we­reld, die alles wat hun minder aangenaam is, door hun dienaren laten volbrengen en die, als het verkeerd afloopt, op het beslissende moment meestal zelf achter de schermen blijven en het veege lijf nog trachten te redden. Hoe geheel anders is dit bij Jezus.

In den nacht, in denwelken Hij verraden werd en als een misdadiger door een bende krijgsknechten gevangen genomen werd, klonk het vol majesteit van Zijn lippen : „Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat dezen heengaan". Hij heeft Zich laten binden, opdat Hij ons zou ontbinden. Hij Het Zich onschuldig ter dood veroordeelen, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden. Hij heeft Zichzelven aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan hechten zou.

Om te dienen en te lijden is Hij gekomen, want het dienen bestaat in het geven van Zijn leven. Daarom, omdat Hij gekomen is niet om gediend te worden, maar om te dienen, kon Hij als kind geen andere plaats voor Zijn geboorte vinden dan de kribbe in den beestenstal van Bethlehem en kon Hij als man geen ander einde vinden dan aan het kruishout van Golgotha.

Zijn geheele weg sinds de kribbe is een weg van smarten geweest. Hij droeg het kruis van den aanvang af verborgen in Zich, in afwachting van de ure, waarop het uitwendig zichtbaar zou worden en Hem zou dragen.

Zijn leven was één doorloopend offer. En deze voortdurende zelfofferande werd voleindigd op Golgotha, waar Hij Zijn ziel in den dood heeft uitgestort en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd.

De Zoon des Menschen is gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel, d. w. z. Zijn leven, te geven tot een rantsoen voor velen.

Het woord, dat in het oorspronkelijke gebruikt wordt voor „rantsoen", of zooals het ook vertaald kan worden „losprijs", was de gebruikelijke term voor het losgeld, waarmede een slaaf werd vrijgekocht. De onderstelling, die achter het hier gebruikte beeld ligt, is dus, dat de mensch een gevangene is, dat hij zich in een gevangenschap bevindt, waaruit hij zichzelven niet verlossen kan. En waarlijk, door eigen schuld bevindt de mensch zich in de gevangenschap der zonde en des doods, ja, hij is een dienstknecht der zonde.

Hier moeten wij hooren, of wij het willen erkennen of niet, de verkondiging van den smadelijken val, waartoe wij gekomen zijn, de prediking van de diepte onzer ellende, waarin wij ons door eigen schuld geworpen hebben. Maar God heeft nochtans in Zijn groote barmhartigheid een weg ter verlossing ontsloten door de zending van den Zoon van Zijn eeuwig welbehagen.

Hij is gekomen om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den gebondenen opening der gevangenis. Hij is gekomen om aan de gerechtigheid Gods te betalen, opdat Hij Zijn volk zou verlossen uit de heerschappij der zonde en des duivels en opdat Hij hen zou schenken alles, wat tot hun verlossing van noode is.

Welk een diepte van Goddelijk erbarmen ontsluit zich hier voor ons.

Gods eigen en eenigen Zoon wordt mensch om Zich te laten nagelen aan het vloekhout der schande, om het offer van Zijn leven te geven als een losprijs, teneinde daarmede vele gevangenen los te koopen.

Zalig dan degene, die zich als een gevangene heeft leeren kennen bij het ontdekkend licht van den Heiligen Geest en die om verbreking zijner boeien heeft leeren smeéken. Want de Zoon des Menschen is nog de Machtige, om die boeien te verbreken en om hem de ware vrijheid te schenken uit kracht van Zijn volbrachte Middelaarswerk.

Hij alleen is het. Die gebondenen vrij maakt. Zonder Hem zullen wij eeuwig moeten zuchten in de boeien van Satan in de plaats der verderfs. Met Hem vereenigd en door Hem verlost en vrijgekocht, zullen wij deelen in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

Dan alleen zal ook eenmaal van ons gelden, wat de apostel Johannes op Patmos in zalige verrukking aan al Gods volk in uitzicht stelt: „En zij zullen Hem dienen, dag en nacht, in Zijnen tempel".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's