Zefanja, de profeet van den dag des Heeren
IV.
In het middelpunt van Zefanja's profetie staat de aangrijpende prediking van den Dag des Heeren. Niet, dat Zefanja de eerste is, die van dezen dag spreekt, of dat hij een anderen weg opgaat dan de profeten vóór hem. Reeds lang tevoren leefde immers bij het volk het bewustzijn van een dag, waarop God met Zijn vijanden zoude afrekenen. Alleen men was met deze gedachte, die diep wortel geschoten had in het religieuse bewustzijn van het volk, den verkeerden kant opgegaan. De groote massa dacht: de dag des Heeren brengt ons enkel goeds : het zal zijn een dag van louter vreugde en vrede voor ons ; daarentegen van duisternis en donkerheid voor de vijanden van Israël. Het zoude een dag zijn van nationale triomf, die voor de vijanden een complicatie van rampen zoude brengen, onvermijdelijk en onoverkomelijk. Hoe komt het toch, dat Israël meent veilig te zijn voor de gerichtsdag des Heeren ? Och, als een mensch trouw zijn godsdienstplichten nakomt, wat wil men dan nog meer ? Men waande zich veilig achter offers en verstond niet, dat gehoorzaamheid beter is dan offerande en opmerken dan het vette der rammen. Men waande zich veilig achter de gedachte van : wij zijn het volk van God; de Heere heeft ons tot Zijn volk verkoren. Zooveel voorrechten had Israël ontvangen, was dat niet het beste bewijs, dat de Heere met hen was en hen dus geen kwaad zoude overkomen ?
Maar de profeten, die voor Gods aangezicht staan, denken er anders over. In hun ziel brandt de ijver voor de eere en de heiligheid des Heeren en naar waarheid mag Elia getuigen : Ik heb zeer geijverd voor den Heere den God der heirscharen. (1 Kon. 19 VS 10). De Heere is barmhartig : Hij jaagt de menschen uit hun schuilplaatsen op, gunt hen geen rust in Zijn groote barmhartigheid. Zoo wordt de prediking van de profeten in de eerste plaats onheilsprediking, want de Heere is een God des gerichts. Daarbij vinden ze op hun weg de volksprofeten, de menschen, die vrede, vrede en geen gevaar roepen. Deze volksprofeten voeden met hun heilsprediking het valsche optimisme van het volk. Denk aan de dagen van Achab (1 Kon. 22). Vierhonderd valsche profeten zeggen tot Achab : Trek gerust op; geen kwaad zal u deren; de Heere zal Ramoth in Gilead in uw hand geven en tegenover dat gansche leger, dat luide zal zijn toegejuicht, staat slechts één man: Micha, de zoon van Jimla, en hij zegt: het gaat verkeerd ! — En later in de dagen van Zedekia zien we precies hetzelfde: Hananja profeteert niets dan goed: alles komt in orde, want binnen twee jaar is de geheele macht van Babel verbroken en alle weggevoerde oorlogsbuit is weer in Jerusalem. Wat zal Hananja zijn toegejuicht door de groote schare, die vol hunkering naar verbreking van Babel's macht zat uit te kijken. Och, de Heere was er immers om het volk te zegenen ! Maar de profeet Jeremia komt in des Heeren naam met de herinnering : Ik heb een ijzeren juk gedaan om den hals van alle deze volken om Nebukadnezar den koning van Babel te dienen en zij zullen hem dienen. (Jer. 28 vs 14). De profeten moesten wel onheil aanzeggen, omdat het volk op ijdelheid vertrouwt; Jeremia heeft van het programma van de oude profeten verteld, als hij zeide : de profeten, die vóór mij en vóór u van oudsher geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen vele koninkrijken geprofeteerd van krijg en van kwaad en van pestilentie. (Jer. 28 vs 8).
De profeten loochenden niet, dat de Heere ontzaglijk veel voorrechten had geschonken, dat de Heere een verbond had met Abraham, Izaak en Jakob, maar dat was geen vrijbrief voor Israël om maar voort te zondigen! De profeten wisten, dat de bliksem juist door hooge plaatsen wordt aangetrokken. De Heere heeft alle deze voorrechten geschonken, opdat het volk Hem dienen zoude en ootmoediglijk wandelen zoude met zijn God. Daarom, zegt de Heere, heb Ik den Amoriet verdelgd en daarom heb Ik u uit Egypteland opgevoerd en daarom heb Ik u veertig jaar in de woestijn geleid, en daarom heb Ik uit uwe zonen tot profeten verwekt en uit uwe jongelingen tot Nazizeërs (Amos 2 vs. 9 —11). Een heilig volk zal den Heere dienen, maar het volk wil door God gediend worden.
Dat geldt ook van de gedachte van den Dag des Heeren. Wat zat men naar dien dag uit te kijken. Wat een afrekening dan met de vijanden en Israël zelf zou geheel buiten schot en dus veilig zijn. Maar de profeten zien de donker-dreigende wolk van de Goddelijke toorn opkomen aan den levenshemel van Israël. En Amos vraagt: Wat hebt ge toch aan den dag des Heeren ? (Am. 5 vs 18). De werkelijkheid zal niet beantwoorden aan uw hooggespannen verwachtingen. Uw grenzenloos optimisme zal ijdel blijken, want de dag des Heeren zal een nacht zijn, vol van donkerheid en nood. De dag des Heeren zal triomf brengen voor Israël, maar dat Israël zal een ander zijn dan de geruste op Samaria's bergen zich denkt. Als de Heere de rekening met Zijn volk gaat vereffenen en Zijn goddelijke gerechtigheid komt over Juda en Jerusalem, dan zal een rest behouden worden (Jesaia) of dan zal een gelouterd volk uit den smeltkroes komen (Amos) of een arm en ellendig volk, dat op den Heere zal vertrouwen, zal de Heere Zich over doen blijven. (Zefanja) ^)
Hoe kan Israël nu zoo denken, 'k Geloof niet, dat men verkeerde conclusies ging trekken uit de profetie van Obadja, die van het gericht teekent over Edom. ^) Men meende niet anders dan dat de band tusschen den Heere en het vleeschelijke Israël onverbrekelijk was, alsof niet in elk verbond twee deelen begrepen zijn en nidt Israël vermaand en verplicht was tot een nieuwe gehoorzaamheid.
Straks gaat het rijk van Israël onder en de dag des Heeren is vol van donkerheid. Maar nu meent Juda, dat het als des Hee ren lieveHng zal worden getroeteld. Juda kan gewoon niet ondergaan. Zoo bleef Juda den doodsweg verkiezen en de roepstem, die van de ondergang van Samaria uitging, werd wel gehoord, maar niet verstaan. Juda ging zichzelf tegenover Samaria rechtvaardigen en dan komen èn Jesaia èn Micha om het gericht aan te kondigen over Jerusalem.
Het zal niet meevallen, zegt Micha. Zij steunen op den Heere, zeggende : Is de Heere niet in het midden van ons ? Ons zal geen kwaad overkomen. Daarom, om uwentwil zal Sion als een akker geploegd worden en Jerusalem zal tot steenhoopen worden en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds. (Micha 3 vs 12). Het blijkt wel, dat niemand God zal kunnen ontloopen. Geen zondaar zal gewis het verderf ontkomen, als in het gericht door God wordt wraak genomen. Jesaia legt sterk de nadruk op het oordeel over de zonde van hoovaardij. Jesaia zegt rechtuit, dat Juda niet beter is dan Israël. Al Sions heerlijkheid zal vergaan. De Assyriër zal komen en van binnen zal broedertwist en burgeroorlog woeden: Het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander en een iegelijk tegen zijn naaste : de jongeling zal stout zijn tegen den oude en de verachte tegen den heerlijke. (3 vs 5) *) En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig en het zal geschieden, als hem hongert en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien; als hij de aarde aanschouwen zal zie, daar zal benauwdheid zijn en duisternis, hij zal verduisterd worden door angst en voortgedreven door donkerheid (h. 8 vs 21, 22).
Zoo kan ook Jesaja's aankondiging van den dag des Heeren niet anders zijn daii onheilsprediking : die dag is een dag van groote benauwende donkerheid. Zwaar van ernst zijn zijn woorden : Want de dag des Heeren der heirscharen zal zijn tegen allen hoovaardige en hooge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde, en tegen alle hooge en verheven cederen van Libanon en tegen alle eiken van Bazan en tegen alle hooge bergen en tegen alle verhevene heuvelen — en de hoogheid des menschen zal gebogen en de hoogheid der mannen zal vernederd worden en de Heere alleen zal te dien dagen verheven zijn en elkeen der afgoden zal ganschelijk vergaan. Dan zullen zij gaan in de spelonken der rotssteenen en in de holen der aarde vanwege den schrik des Heeren en vanwege de heerlijkheid Zijner Majesteit, wanneer Hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken, (h. 2 vs 10—20).
In het middelpunt van Zefanja's profetie staat de dag des Heeren en sterker dan bij Jesaia, aan wiens profetiën we telkens bij het lezen van Zefanja moeten denken, vinden we bij hem de gedachte, dat de dag des Heeren een universeel karakter draagt. ) In de kiem vinden we dat wel bij Amos (5 vs 18 enz.) en bij Jesaia (2 vs 12), maar sterker dan deze spreekt Zefanja er van, hóe in den Dag des Heeren de gansche aarde door het vuur van Zijn ijver zal verteerd worden, (h. 3 vs 8). ") Geen volk zal dus voorbijgegaan en geen mensch zal vergeten worden. Het zal gaan tegen de de volken rondom, die een groote mond tegen Gods volk hebben opgezet en tegen den Israëliet, die onverschillig voor Gods doen in verstoktheid des harten zegt, dat de Heere goed noch kwaad doet. De zondaren zullen verdaan worden. Ja, de dag des Heeren zal donkerheid zijn; geen dag van klinkende revanche over de vijanden, maar oordeel over de goddeloozen, beide over Israëliet en heiden. En dan zal het oordeel beginnen bij het huis Gods (1 Pt. 4 vs 17). Want zie, in de stad, die naar Mijnen Naam genoemd is, begin ik te plagen en zoudt gij eenigszins onschuldig gehouden worden ? (Jer. 25 vs 29).
De dag des Heeren zal een dag van ver bolgenheid zijn, een dag van benauwdheid en des angstes, een dag van woestheid en verwoesting. En Ik zal de menschen bang maken, want zij hebben tegen den Heere gezondigd. — Hij zal een voleinding maken. Bij Zefanja is de dag des Heeren de dag van het slachtoffer des Heeren, waarop Hij Zijn genoodigden heihgt (h. 1 vs 7). Over de gansche wereld en al haar creaturen komt het, over de verdrukkers van Sion, over de Filistijnen, over de Moabieten en Ammonieten, over Ethiopië en Assur; de geheele aarde wordt door den toorn des Heeren en door het vuur van Zijn ijver verteerd.
Maar dat gericht zal een louteringsgericht zijn ; de Heere zal straks Koning zijn over een gelouterd en herboren volk : de heidenen zullen den naam des Heeren aanroepen, opdat zij Hem dienen met eenparigen schouder (3 vs. 9). De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen noch leugen spreken en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden maar zij zullen weiden en nederliggen en niemand zal hen verschrikken, (h. 3 vs 13). Ook Zefanja heeft dus een heilsverwachting. Waarlijk spreken de profeten niet alleen van gericht en ondergang. Zooals Amos (h. 5 vs. 15). Haat het booze en hebt het goede lief en bestelt het recht in de poort: misschien zal de Heere de God der heirscharen Jozefs overblijfsel genadig zijn. Zoo heeft ook Zefanja zijn evangeliemisschien: Zoekt den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die zijn recht werken. Zoekt gerechtigheid, misschien zult gij geborgen worden in den dag des toorns des Heeren. Door gericht tot heil! Ik zal in het midden van U doen overblijven een arm en ellendig volk; die zullen op den naam des Heeren vertrouwen, (h 3 vs 12). Dat volk zal niet groot zijn door overwinning op de vijanden of door uiterlijk machtsbetoon ; hun heil noch verwachting zal liggen in politieke bondgenootschappen ; geen hulp wordt verwacht van machtige menschen, maar de Heere hun Koning zal troonen op den Sion. „Zoo worden we herinnerd aan protesten van de oude profeten tegen bondgenootschappen met heidensche volken. (Hozea 5 vs 13 ; 14 vs 4; Jes. 30 vs 6)". ')
Op wat de profeet van den dag des Heeren zegt, hopen we nog breeder in te gaan bij de nadere ontvouwing en verklaring van het boek. Hier alleen dit nog : Is het juist, om te zeggen : Het boek Zefanja is geheel gewijd aan de eschata, de laatste dingen ? ^) Ik meen van niet. Wel is de dag des Heeren altijd een dag, waarop de Heere Zijn straffende gerechtigheid op bijzondere wijze openbaart, en zoo zit in elke voorstelling van den dag des Heeren iets van de verschrikkingen van den jongsten dag : Elke afrekening Gods is type van de finale afrekening. In Ez. 13 vs 5 b.v. behoort de dag des Heeren zelfs tot het verleden. In deze profetie tegen de valsche profeten wordt hun verweten, dat zij in de bressen niet zijn opgetreden, noch den muur hebben toegemuurd voor het huis Israels om in den strijd te staan ten dage des Heeren. Zoo behoeft ook de profetie in h 3 vs 8, „want de gansche aarde zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden'', niet rechtstreeks te doelen op het oordeel van de heidenen op den jongsten dag. Veeleer moeten we denken aan gerichten over de heidenen, die ten zegen zullen zijn : de heidenen zullen zich bekeeren en dit gericht over de heidenen zal ook herstel van Israël met zich brengen. ®)
1) Zoo vertaalt Prof. Van Gelderen, Het boek Amos, p. 134.
2) Prof. Obbink in Inl. tot den Bijbel p 68 : De dag des Heeren, de dag van Israels verwerping — een volkomen nieuwe en onaannemelijke gedachte voor het toenmalige volk.
3) Zoo Ds Veldkamp in Paraphrase der H. Schrift, Amos en Obadja p 6i, waar hij schrijft : Men heeft uit Obadjah's profetie een verkeerde conclusie getrokken. Vlgs. schr. pleit dit ook voor een vroege dateering van Obadja, n.l. voor Amos. Hoezeer deze vroege dateering door sommigen verdedigd wordt, o.a. door Prof. Ridderbos in Korte Verkl. Kleine Prof. II, pag. II, die Obadja dateert tijdens de regeenng van koning Joram tusschen 853 en 842 en eveneens door Sellin Einl, yte Aufl s III, naar wiens gevoelen O. één van de oudste profeten is — ik geloof niet, dat de daarvoor aangevoerde gronden te handhaven zijn. Men zie h.v. Prof. Aalders in Herstel van Israël, p. 119, wiens argumenten niet gemakkelijk te ontzenuwen zijn. Hij stelt O. ongeveer ten tijde van Jesusalems verwoesting, dus 586.
4) In sommige uitgaven van de Statenvertaling leest men : tegen den eerlijke of : tegen den geeerde. Dit laatste geeft de bedoeling juist weer. Prof. Obbink vertaalt : de menschen zullen tegen elkander woeden, man tegen man en vriend tegen vriende ; de knaap zal den grijsaard beleedigen en de geringe den aanzienlijke.
5) Sellin, Das Zwölfprophetenbuch, s 369 meent, dat de dag des Heeren bij Zefanja niet de centrale plaats heeft, die men meent. Maar mij schijnt het verdere van Sellins betoog hiermede in tegenspraak. Hij meent toch, dat de blijvende beteekenis van Z. hierin te zien is, dat hij voor het eerst klaar de weg heeft gewezen, die uit het wereldgericht uitvoert door 'gerechtigheLd en deemoed (h 2 vs 3) en dat Zefanja het Goddelijk gericht als een louteringsgericht heeft erkend, waarin de goddeloozen worden weggedaan, de armen en geringen als het nieuwe volk Gods optreden (h. 1 vs 11, 3 vs 8—12). Alles cirkelt dus om de gedachte van den dag des Heeren.
6) Verg. Lippl, Das Buch Sophonias s 38 f.. Kohier, Theologie des Alten Testaments s 211 f. is van meening, dat Amos slechts te doen heeft met de nabuurvolken, over wie het gericht komt, dat het ook bij Jesaia gaat om bepaalde volken en dat Zefanja eigenlijk de eerste en eigenlijke profeet van het gericht des Heeren is. Bij hem komt het gericht over alle volken en alle creaturen.
7) V. Hoonacker, Les douze petits prophètes, p. 50 2.
8) Dit zegt Snijman in : De profetie van Zefanja p 215. Verderop (p 217) houdt hij daar niet aan vast, als hij schrijft : Dat Zefanja het type van den dag des Heeren zag, komt aanstonds aan het licht, als straks zijn profetie in vervulling gaat.
9) Zoo Prof. Aalders in Herstel van Israël p 78. Jammer, dat schr. in dit belangrijke boek al te veel ingaat op de onschriftuurlijkei fantasieën en onwetenschappelijke verklaringen van Ds Berkhoff.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's