Wedergeboorte
Vele zijn de onderscheidingen, waarmede de theologen zich hebben beziggehouden in het stuk des geloofs. Men spreekt van uitwendige en inwendige roeping, wedergeboorte, bekeering, rechtvaardigmaking, heiligmaking e.d.g. Men zoekt het verband tusschen roeping en wedergeboorte, tusschen de prediking en het geloof, tusschen de werking van Woord en Geest, en men kan deze reeks nog uitbreiden met allerlei vragen. Sommigen laten de bekeering voorafgaan aan de wedergeboorte. Voorts is men het niet altijd eens over het wezen en het welwezen des geloofs en wat daartoe wordt gerekend. Tal van vragen waren voorts te noemen, waaromtrent nog altoos verschil van meening bestaat, en telkens weer is er aanleiding om voor een of ander punt de aandacht te vragen.
Thans willen wij op de wedergeboorte wijzen, omdat daaraan niet altijd de waarde en beteekenis wordt toegekend, welke op grond van de Heilige Schrift geëischt worden. Het komt zelfs voor, dat men een geloof predikt, waarbij de wedergeboorte geheel uit het theologisch gezichtspunt verdwijnt. Wellicht oefent ook een reactie tegen het individualisme, welke, zich in onze dagen doet waarnemen, daarop invloed uit. Er is behoefte aan vastigheid en objectief gezag der waarheid, welke men in verschillend opzicht kan toejuichen, maar deze zal toch alleen bevrediging vinden in den weg der waarheid.
Wij kunnen niet volstaan met een bloote toestemming van het geloof der kerk. De kerk heeft het en wij zijn het er mede eens. Zulk een toestemming kan alleen op innerlijke zekerheid en vastigheid gegrond zijn, als het geloof der kerk ook ons persoonlijk geloof is, zoodat wij ons in de gemeenschap van het lichaam van Christus ingelijfd weten. Dat is trouwens in overeenstemming met de belijdenis. (Ned. Gel. belijdenis, Art. 27. Catechismus vraag 54).
Vergeving der zonde en gemeenschap der heiligen zijn beide artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. (Twaalf artikelen). Gemeenschap der heiligen kan er nimmer zijn zonder persoonlijke betrekking van gemeenschap. En hoe zal men in deze betrekking kunnen verkeeren zonder dat ook de vergeving der zonde door den Heiligen Geest aan onze harten is verzegeld ?
Deze dingen hangen innerlijk samen met het werk der wedergeboorte, gelijk deze wederom noodzakelijk is vanwege den val van ons geslacht in onze eerste voorouders Adam en Eva.
Alleen uit de kennis der zonde kan deze noodzakelijkheid worden geleerd. De ernst van deze ongehoorzaamheid kan moeilijk worden overdreven. De Catechismus wijst er op, dat de zonde tegen de hoogste Majesteit Gods bedreven, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde. (Catech. vr. 11).
De Catechismus teekent daarin den verloren staat van het menschelijk geslacht. Niet alleen werd het afgesneden van de gemeenschap Gods, waarin de hoogste gave en bestemming van den naar Gods beeld geschapen mensch gelegen is. De Schrift teekent dezen staat als zonder God in de wereld. (Ef. 2 : 12). De gevallen mensch mist zijn eeuwige bestemming. Hij heeft in zijn hoogmoed buiten God en verkeerd gemikt en schiet zijn levensdoel voorbij.
Wij kunnen dit nog van een anderen kant bezien, n.l. in het licht der gerechtigheid. Zoolang de mensch volhardde in den staat der rechtheid, bracht hij de gehoorzaamheid, welke God van hem vorderde, uit de rechte gezindheid. Zijn gerechtigheid kon voor God bestaan. Dat wil niet zeggen, dat hij in zichzelven iets had, dat Gode aangenaam kon zijn. Want ook van hem gold : wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt ? In zooverre de staat der rechtheid Ook een staat van gerechtigheid was, bestond deze in de gave Gods, in de schepping naar Gods beeld, dus in hetgeen des Heeren was. (Vgl. Dordtsche Leerregels III en IV, art. 1).
Wij zouden echer van een zedelijke gerechtigheid kunnen spreken. Immers de mensch is geschapen als een zedelijk wezen. Daarom was het in zijn macht om ook ongehoorzaam te kunnen zijn. Die macht lag in zijn zedelijke vrijheid. Die zedelijke vrijheid was den mensch in rechtheid in den vollen zin des woords eigen Hij had een vrijen wil ten goede en ten kwade. Uit den aard der zaak werd die vrijheid niet verstoord, zoolang hij volhardde in gehoorzaamheid, doch een enkele schrede op den weg des kwaads moest hem van die vrijheid berooven.
Hij kon dien weg niet meer ten goede wenden. De rechtheid en de daaraan gepaard gaande gerechtigheid was onherstelbaar verloren. De zedelijke reinheid voor God laat geen krenking of ongaafheid toe. Zijn gerechtigheid was verkeerd in ongerechtigheid. (Vgl. Dordtsche Leerregels III en IV, Art. 3).
Deze werkelijkheid drukt ook op de nauwgezette wetsbetrachting van den gevallen mensch. De verdiensten der werken hangen n.l. niet aan de werken op zich zelf, maar aan de rechte gezindheid, d.i. de gerechtigheid, waaruit zij geboren worden. Als twee menschen hetzelfde zeggen, is dat nog niet hetzelfde, maar zoo kan ook het gedrag van twee menschen wel gelijkenis hebben zonder uit gelijke gezindheid op te komen. Onlangs hebben wij er op gewezen, dat het geloof zoozeer de gelijkenis van het zaligmakend geloof kan hebben en het toch niet zijn kan.
De Schrift geeft een duidelijk sprekend voorbeeld van de geheel verschillende gezindheid in den tollenaar en den farizeër die beiden opgingen naar den tempel. De betrachting der Wet en de nauwgezette waarneming van de godsdienstige plechtigheden worden door Jesaja een kwelling der ziel genoemd, welke God niet verkiest, omdat de oprechte gezindheid daaraan ontbreekt. (Jesaja 58 : 5 en 6). Elders wordt onze gerechtigheid een wegwerpelijk kleed genaamd. (Jes. 64 : 6).
De werken der Wet kunnen niet voor God rechtvaardigen, omdat de Heere waarheid in het binnenste zoekt. Menigvuldig spreekt de Schrift van oprechtheid.
Zoo heeft de mensch zich door zijn ongehoorzaamheid van die vrijheid beroofd, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Hij is een slaaf geworden van de zonde.
Uit dezen staat kan hij zich zelf niet bevrijden. Hij is niet bij machte zijn misdaad ongedaan te maken. Hij heeft noodig, dat zijn ongerechtigheid wordt uitgewischt en dat hij in een nieuwen staat, van gerechtigheid wordt gesteld. Hij moet sterven aan zijn ongerechtigheid en opstaan in een nieuw leven.
Zoomin de mensch zich zelven het aardsche leven kan aandoen, zoomin kan hij ook een nieuw leven grijpen voor het verdorvene. Wij spreken wel van een nieuw leven beginnen, wanneer iemand beteren wil, wat hij in dit aardsche leven verdierf, maar de man blijft dezelfde.
Het leven is in Gods hand, en zoo kan de levensvernieuwing, waarover wij handelen, alleen de vrucht zijn van een herscheppende daad Gods, welke onder de wedergeboorte wordt verstaan.
Die verzoenende en levensvernieuwende daad heeft God in Zijn Christus voor al de Zijnen tot stand gebracht en vervuld. Hij is opgestaan in de nieuwigheid des levens als de eersteling onder vele broederen. Als de Schrift daarvan zoodanig getuigenis geeft, is het duidelijk, dat de kracht Zijner opstanding ook de broederen zal opwekken ten eeuwigen leven. Zij worden daarbij persoonlijk betrokken. En hoe zullen zij dat nieuwe leven aandoen, tenzij zij het uit den Christus ontvangen. En zoo zij het ontvangen, hoe zullen zij daaruit in eeuwigheid leven, indien zij niet wedergeboren worden uit een onvergankelijk zaad. (1 Petrus 1 : 23).
Daarom noemt Paulus den wedergeborene een nieuwen mensch (Efeze 4 : 24) ; een nieuw schepsel (II Cor. 5 : 17); Gods maaksel (Efeze 2 : 10).
Hoe nadrukkelijk is het woord van Christus tot Nicodemus en wel tot tweemaal toe (Joh. 3 : 3 en 5) en tot de discipelen zegt Hij: Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt in de wedergeboorte. (Matth. 18 : 28). Paulus spreekt over den Geest der aanneming tot kinderen (Rom. 8 : 15) en Johannes zegt: Gij zijt uit God geboren. (1 Joh. 3 : 9).
Wij zouden nog meer getuigenissen kunnen noemen, doch een en ander moge genoeg zijn om aan te toonen, dat niemand de leer der wedergeboorte kan veronachtzamen, die een leerling van Christus wil zijn En wie zich zoo gaarne beroepen op het reformatorische woord : „door het geloof alleen", mogen niet uit het oog verliezen, dat het diepe inzicht in de ijdelheid van de werken der Wet, bij de reformatoren een vrucht was van de onderwijzing des Heiligen Geestes, die hen de Schriften heeft geopend als een inwendige Leermeester, waarop zij telkens weer wijzen.
Zoo men de reformatoren nader onderzoekt op wat zij door het geloof verstaan, zal men vinden, dat zij geen ander zaligmakend geloof kennen, dan zulk een, dat vrucht is van een levenwekkende daad Gods in het hart, door welke de mensch persoonlijk verzegeld en verzekerd wordt in het kindschap Gods en ingelijfd in de gemeenschap met Christus tot medeërfgenaam van al Zijn goederen.
Deze waarheid doet alzoo een beroep op ons persoonlijk geloof. De kerk heeft haar geloof uitgedrukt in haar confessie. Zij is geboren uit het leven der kerk temidden van alle beroering en strijd der wereld. Bij het licht van Woord en Geest heeft zij dat getuigenis der waarheid gewonnen in de worsteling der geesten. Daarom kan ook de prediking des Woords zich daarvan niet losmaken zonder zich van het leven der kerk te verwijderen.
Hoezeer het echter van belang is, dat de prediking een zuiver geluid doet hooren overeenkomstig de confessie, van hoe groot gewicht ook, dat wij haar als belijdenis van het waarachtig geloof aanvaarden, wij zullen daarvan geen vrucht hebben ter zaligheid, tenzij het ons door de werking van Woord en Geest worde toegeëigend.
Op een schoone wijze wordt hiervan ook gesproken in de Dordtsche Leerregels (Zie III en IV, Art. 11 en 12). Zoo mag dan de roep tot bekeering en de eisch der wedergeboorte, d. i. de vernieuwing des harten, in de prediking niet ontbreken, opdat zij beantwoorde aan het bevel van Christus, gelijk ons ook door de leer der apostelen en profeten voorgesteld en in de belijdenis der kerk geleerd wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's