Geloof en liefde
In de taal der gemeente wordt vaak gesproken van waarachtig geloof, zaligmakend geloof, waarachtige bekeering, enz. Dergelijke uitdrukkingen zien op zulk een geloof, dat uit het leven der wedergeboorte opkomt in onderscheiding van verschijnselen, die, hoewel zij eenige overeenkomst hebben met het geloof en ook wel zoo genoemd worden, den levenden wortel missen. Men spreekt dan van historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof e.d.g.
Die onderscheidingen zijn er en hebben een diepen grond. Wij kunnen elkander niet in de ziel kijken. Hoewel de menschen vaak zoo haastig tot oordeelen gereed zijn, voegt ons hier groote voorzichtigheid. Wij zijn geen hartekenners.
Veeleer past hier een oordeel der liefde en broederlijke vermaning, bovenal veel gebeds voor elkander. Daarin toch zal de kracht der wedergeboorte zich openbaren, want wie de hemelsche liefde gesmaakt heeft, zal ook zijn broeder liefhebben. Die niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is hefde. (1 Joh. 4 : 8).
De apostel Johannes wijst derhalve zeer nadrukkelijk op de liefde als het kenmerk der wedergeboorte. Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God, en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. (1 Joh. 4 : 7).
Zoo vaak vraagt men naar de kenmerken der wedergeboorte. Welnu, hier wordt ons een kenmerk gegeven, dat niemand zal kunnen weerspreken en dat ook naar buiten gezien wordt. Ziet, hoe lief zij elkander hebben. Was dat niet het oordeel van de buitenstaanders over de gemeente te Jeruzalem ?
Men zoekt zoo gaarne naar innerlijke kenmerken. Wat moet er gekend, worden, zoo vraagt men. Ja, het komt voor, dat men elkander beknibbelt, alsof men naijverig is op de geestelijke goederen en een geest van wangunst in stede van liefde uitging van de ware kennis.
Nauwgezet onderzoek is zeker geboden, doch de onderzoekende geest keere eerst ot zichzelven in. Daar staat geschreven: „Gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld". (1 Joh. 4 : 1). Dat heeft betrekking op de geesten, die in de wereld zijn, maar de wereld is ook van binnen en in het binnenste zijn ook geesten te beproeven. Zonde en satan drijven ook daar hun spel. En hoe zal iemand de geesten beproeven, of zij uit God zijn, zoo hij God niet kent ?
Zoo kan iemand zich tot dit beproeven der geesten niet zetten, die een vreemdeling is tegenover God en zichzelf. De eerste en voortdurende beproeving der geesten wijst naar binnen. Daar zullen wij den vijand leeren kennen bij de onderwijzing van den Heiligen Geest als een inwendige Leermeester.
In den verborgen omgang des harten is de leerschool des geloofs. Zoo is dan de eerste beproeving der, geesten een voortdurend en nauwgezet onderzoek van ons eigen innerlijk leven. Daarbij hebben wij de vraag te onderzoeken: Is dat hetzelfde leven, dat wij kunnen opmerken bij de heiligen, die ons in de Heilige Schrift worden voorgesteld ? Het gaat toch om de gemeenschap des geloofs, dat den heiligen is overgeleverd.
Mene spreekt van kenmerken des geloofs. Welnu, geloof is een levende zaak. Het is een plant uit een levenden wortel. Alle waarachtig geloof bloeit uit denzelfden wortel op. Daarom is het niet veranderlijk, maar de plant des geloofs vertoont altoos dezelfde vruchten. Het geloof, dat den heiligen is overgeleverd, wordt ons in de Heilige Schrift klaar en menigvuldig voorgesteld als een levend beeld der ware religie.
Aan dat beeld heeft een iegelijk, die zich zelf beproeft, zijn geloof te toetsen en te onderzoeken. Dat is ook overeenkornstig de belijdenis der kerk, welke de Heilige Schrift den eenigen regel des geloofs noemt. In het persoonlijke leven zal dat in de eerste en voornaamste plaats toegepast behooren te worden.
De menschen weten wel van kenmerken te spreken. En zij wijzen daarbij vaak op dingen, welke zij gehoord hebben van menschen, die in deze beproeving gevorderd waren. Het kan daarom wel nuttig en leerzaam zijn zich daarmede bezig te houden, doch men vergete niet, dat zulke leermeesters niet voortreffelijker zijn dan Gods Woord en Geest. Men vergete vooral niet, dat zij den weg, dien God met ons persoonlijk voorheeft, nimmer — hoe voortreffelijk zij ook mogen zijn —, beter zouden kennen dan de Heilige Geest, die ons tot een inwendigen Leermeester is geschonken. Menschen en voorgangers kunnen ons tot uitwendige leermeesters gegeven worden, maar de Heere kent de Zijnen en weet wat een iegelijk van noode heeft. Hij heeft Zijn Woord en Geest in dienst gesteld om al Zijn beloften.aan de Zijnen te vervullen. Calvijn spreekt van het ambt van den Heiligen Geest.
De Catechismus leert ons, dat God ons niet door beelden als door stomme leermeesters heeft willen leeren, nergens echter leert de Heilige Schrift, dat menschelijke inzettingen en verzinsels tot een regel en maatstaf der goddelijke dingen zijn gesteld. En dat maakt men er van, zoo men den aangewezen weg niet volgt. Die dan ook in het waarachtig geloof geoefend zijn, zijn in dezen weg geoefend. Zij leeren uit Gods Woord leven en vinden hun leven in dat Woord, zoodat zij ook bevestigd worden in hun persoonlijk geloof. Hoe zouden zij anders alleen kunnen staan in moeilijke omstandigheden ? Hoe ook zouden zij Gods leidingen in hun persoonlijke leven als van Zijn zorgzame Vaderhand kunnen verstaan en zich daaraan toebetrouwen in voor- en tegenspoed, zonder persoonlijke betrekking tot den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs ?
Er is alle reden om elkander te vermanen, opdat wij niet met een ingebeeld geloof beschaamd uitkomen, doch daar is geen andere weg, die tot het leven leidt, dan de levende weg, welke ons in Christus door Zijn Woord wordt geleerd. Het is dan ook tegen dezen regel om de wolk van getuigen, welke God ons voorhoudt, te verachten en zijn toevlucht te nemen tot leeringen van menschen, die wellicht uit een geloovig hart zijn voortgesproten, maar die geen gezag mogen hebben naast of boven Gods Woord.
Het geloof van anderen kan ons geen voordeel schenken, tenzij dan door de werken der liefde in broederlijke vermaning en gebed. Doch wij hebben toe te zien, dat de leeringen der menschen ons niet stijven in de traagheid en weerbarstigheid van ons verdorven hart. Met vroomklinkende woorden kunnen wij daarachter schuilen om ter kwader ure te ontdekken, dat wij met den levenden God van doen hebben, hoewel wij ons verre van Hem hebben gehouden. Daar zijn er, die zoo goed weten te zeggen, wat er gekend zal moeten worden, maar zij zijn als de vrouwkens, die altijd leerende zijn en nimmer tot kennis der waarheid komen. Dezulken zijn onbekwame leermeesters, die men bij waterlooze wolken kan vergelijken.
Wanneer een mensch aan zich zelf ontdekt wordt, begint hij te kennen wat Gods Woord van hem getuigt. Dan begint dat Woord hem persoonlijk aan te spreken en brengt hem in rekening met den levenden God. Dan wordt hij gewaar, dat het Woord niet alleen tot anderen en over anderen, maar tot hem en over hem zelf spreekt. Dan is er een levende en persoonlijke betrekking werkzaam, niet tot vreugde, maar tot een zelfkennis, die bedroeft en verootmoedigt voor God, en tot een Godskennis, die gepaard gaat met vreeze vanwege Zijn Majesteit en oordeel. In dien weg wordt de zonde in haar goddeloos en godevijandig karakter ontdekt en de behoefte aan vernieuwing des harten door de genadige tusschenkomst der hemelsehe barmhartigheid beseft. Tenzij een mensch wederoin geboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien.
In de eerste werkingen des Heiligen Geestes openbaren zich tevens de eerste vonken der liefde. Het ontdekte hart wordt met deernis bewogen ook over anderen, die zijn als hij en het misschien niet weten, in welk een gevaarlijken weg zij voortleven. Zoo een spreekt niet hoogmoedig van de dingen, die gekend moeten, worden, maar uit wat hij zelf leerde kennen. Leven getuigt voor zichzélf. En zoo gaat het óok bij den verderen voortgang in de oefenschool des geloofs en de vordering in. de gezonde leer. Naarmate de mensch dieper doordringt in de schuilhoeken van zijn verdorven hart, zal hij minder grond vinden om zich te verheffen boven anderen. En naarmate hij meer leert roemen in de barmhartigheid Gods, zal zijn liefde meer uitgaan in de vreeze des Heeren tot nuttigheid van zijn naasten en vruchten afwerpen, die het waarachtig geloof kenmerken, gelijk ons dit in de Schrift geleerd wordt.
Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. (1 Joh. 4 : 9). Indien dit door den Heiligen Geest aan het hart verzegeld wordt, is er een leven geboren, hetwelk uit den wortel dier goddelijke liefde ook de vrucht des Geestes voortbrengt welke is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid, welke als evenzoovele kenmerken van het waarachtig geloof mogen worden aangemerkt (Gal. 5 : 22).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's