De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het midden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het midden

9 minuten leestijd

Wij spraken over het midden tusschen de heidenen en, de uitverkorenen. De ervaring leert, dat er zulk een midden is. Velen stellen zich niet gaarne bij de heidenen, ofschoon zij zich ook het zaligmakend geloof niet toeëigenen of daaromtrent dingen verkondigen, die bezwaarlijk met de Schriftuurlijke leer vereenigbaar kunnen worden geacht.

Het is ons niet gezet om over de harten te oordeelen, doch niemand kan ontkennen, dat — hoe verschillend de menschen ook zijn — de practijk zulk een situatie biedt. Uit het oogpunt van het zaligmakend geloof gezien, kan men kort en bondig zeggen, dat er tweeërlei menschen zijn: wedergeborenen en niet-wedergeborenen. Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien. In dezen is de Schrift duidelijk en een iegelijk heeft zich aan dit woord te toetsen.

Daar is ook geen grond om buiten de wedergeboorte om nog een soort zaligheid te zoeken, een middenweg des behouds, want daar is geen andere weg dan Christus en Dien gekruisigd. Daaromtrent kan en mag in de kerk geen verschil zijn.

Het kan ook geenszins de bedoeling zijn om den niet-wedergeborene een soort van vrede met zich zelf aan te preeken, die voor hem levensgevaarlijk zou zijn. De mensch is evenwel geneigd tot zelfingenomenheid en hij kan ook verloren gaan in een zelfgenoegzame vroomheid.

Maar het gaat wel over de werkelijkheid, die zich aan ons voordoet : eenvoudig gezegd, dat velen, opgevoed in de leer, een leven lang in de kerk verkeeren, zonder het zaligmakend geloof deelachtig te worden. Dit raakt dus weer dezelfde zaak, die aanleiding werd tot de onderscheiding van uitwendig en inwendig Verbond, welke leer als zoodanig geen eenstemmigheid heeft gevonden. Wij hebben daarover reeds eerder gehandeld, doch het geeft een aanwijzing, dat men hier staat voor een vraag.

Hoe verschijnt deze in het licht des Woords ?

De belijdenis spreekt van hypocrieten en bedoelt daarmede niet openbare veinzaards, maar schijngeloovigen. Niet zij, die willens en wetens veinzen, worden hier in de eerste plaats bedoeld, want die worden op een of andere wijze openbaar. Het gaat veeleer over dezulken, die niet openbaar worden. Over menschen, die geen aanleiding geven tot kerkelijke censuur, die ook van het Heilig Avondmaal niet geweerd worden, en broeders worden genaamd, hoewel zij de aanneming tot kinderen niet kennen. Daar zijn er, die in verstandelijke kennis van de stukken des geloofs niet weinig gevorderd zijn, terwijl zij het voornaamste missen. 

Indien wij alleen op dit laatste zien, is het antwoord spoedig bij de hand, maar letten wij op hetgeen er wèl is, op een soort geloof en vroomheid, waaraan een zekere verlichting des verstands niet ontbreekt, dan is het niet zoo eenvoudig. Vragen wij, of dat aanwezig kan zijn bij geval ? Immers neen, want er geschiedt niets bij geval. Alle dingen, zoo leert de Catechismus, komen ons van Gods vaderlijke hand toe. Zoo kan ook niemand iets aannemen, tenzij het hem van boven gegeven wordt. Alle licht is afdalende van den Vader der lichten.

Zooals men weet, maakt Calvijn onderscheid tusschen een algemeene en een bijzondere verkiezing. Hij gebruikt die onderscheiding ook in ander verband. Zoo spreekt hij ook van de algemeene leer der Heilige Schrift, hetgeen vanzelf ook een bijzondere leer onderstelt. De algemeene verkiezing betreft dan de verkiezing van het volk Israël als geheel. Hij zegt verder, dat het een zeker midden vormt tusschen de heidenen en de kerk in geestelijken zin. In het eerste boek spreekt hij van de algemeene leer der Schrift. Dit onderstelt alzoo ook een bijzondere en vraagt men naar den aard dezer onderscheiding, dan ligt het voor de hand, dat de algemeene leer der Schrift in betrekking wordt gezien tot de religie, zooals die naar de orde der schepping wordt bepaald door de kennis van God den Schepper en Onderhouder der wereld en door de gehoorzaamheid aan Zijn geboden.

Door den val des menschen werd deze reHgie verbroken en verduisterd, zoodat de mensch verviel tot allerlei valsche religie en afgoderij. Indien de Heere niet genadig, ware tusschen gekomen om Zich als een Verlonser in Christus te openbaren, zou de menschheid in den nacht, die over haar gekomen was, slechts den ondergang en het verderf hebben gevonden. Doch door Zijn genadig bestel heeft Hij de verborgenheid Zijner verlossing geopenbaard, niet zonder Zich bekend te maken als dezelfde God, die de wereld schiep en onderhoudt.

Reeds in het eerste vers der Heilige Schrift openbaart God Zich als de Schepper, opdat wij goed zullen verstaan, dat wij met Hem van doen hebben, in Wiens hand ons leven is. Hij maakt Zich bekend als de Onderhouder, die de wereld niet heeft overgegeven, maar haar naar Zijn voorzienigheid onderhoudt en regeert. Geheel de Schrift door worden wij gewezen op Zijn voorzienigheid, zoodat ook geen muschken ter aarde valt zonder Zijn wil, ja, dat ook de haren van ons hoofd zijn geteld.

Deze leer is rijk aan troost voor al degenen, die zich aan Zijn vaderlijke zorg weten toevertrouwd. Zij heeft echter aan alle menschen wat te zeggen, aangezien zij hen wijst op den eenigen en waarachtigen God, op Zijn almacht en op Zijn recht om van allen geëerd en gediend te worden. Zij laat ons niet in onwetendheid omtrent Zijn heilig recht en stelt aan een iegelijk den eisch der gehoorzaamheid aan Zijn geboden.

Zoo komt God door Zijn Woord tot ons verduisterd verstand, opdat wij onderscheid zouden weten tusschen den eenigen en waren God en de afgoden en verzinsels van ons eigen hart. Hij wil met de afgoden niet vermengd worden. Doch zoo staat het ook vast, dat degenen tot wie Zijn Woord komt, te minder onschuldig zullen worden gehouden, zoo zij daarop geen acht geven.

Daar is echter nog een voornaam stuk, waarop de aandacht moet vallen. Die God, die tot den gevallen mensch kwam, was voor hem geen onbekende God. Hij was aan Adam bekend als zijn Schepper en Ónderhouder. En het was diezelfde God, die hem Zijn barmhartigheid en genade kwam bekend maken. In het aangezicht van dien Schepper had hij gezondigd. Zijn heilig recht had hij overtreden. Zijn rechtvaardig oordeel rustte op hem. De Rechter der gansche aarde kwam den verloren zondaar opzoeken om hem genade te bewijzen.

Daarin ligt de orde der kennisse Gods besloten. Eerst in het aangezicht van den grooten Schepper aller dingen, den eenigen en waarachtigen God, wordt de mensch aan Gods recht en zijn eigene zonde ontdekt. Zoo gaat dan de kennis van God den Sdhepper vooraf. In den weg der ontdekking hebben wij met den Schepper van hemel en aarde van doen. Maar daarom ook zal er geen verlossing zijn, tenzij diezelfde God, tegen Wien wij overtreden hebben en onze schuld nog dagelijks meerder maken, genadig verzoening teweegbrengt.

Het is niet vergeefs hierop te wijzen, omdat er desondanks nog menschen zijn geweest, die leerden, dat de Verlosser een andere God was dan de God van het Oude Testament, als waren er twee goden, waarvan de een des menschen kwaad en ondergang, de andere zijn welzijn beoogde.

Zulke dwalingen zijn mogelijk in het verduisterde en afkeerige menschenhart, en zijn door de kerk terecht verworpen. Het is dus van groote beteekenis op te merken, dat de Heilige Schrift ons voortdurend bepaalt bij God den Schepper van hemel en aarde, behalve Wien er geen God is. Hij is de Rechter der gansche aarde, van Wien de profeten getuigen en in Wiens barmhartigheid zij roemen, en dat niet alleen wegens de goedertierenheid en lankmoedigheid, welke Hij aan alle menschen bewijst, maar inzonderheid in de verborgenheid van den Messias, die komen zou, gelijk Hij ook in den eenigen Middelaar der zaligheid verschenen is.

Uit dit alles blijkt, dat de kennis van God den Schepper in orde voorafgaat aan die van den Verlosser, zoo waarlijk wij tegen onzen Schepper in overtreding zijn en Zijn rechtvaardig oordeel op ons hebben geladen. Wij staan met God den Schepper in rekening. Met Hem werd de gemeenschap verbroken. Tegen Hem kwam de mensch in opstand. De ongehoorzaamheid trof Zijn gebod.

Met dien God, die Zich als Schepper en Onderhouder der gansche wereld openbaart, zullen wij verzoend moeten worden, zoo wij ooit eenige zaligheid zullen deelachtig worden.

De kennis van God den Schepper is dus maar niet een bijkomstigheid, maar de hoofdzaak, zonder welke wij ook onzen val en den diepen nood, waarin wij verkeeren, niet zullen peilen.

Hoe zouden wij Hem ook als een Verlosser kunnen leer en kennen, ja, hoe zouden wij ooit vertrouwen in het werk der verlossing kunnen koesteren, indien wij geen zekerheid hadden, dat Hijzelf, die de Bron en Oorsprong van alle leven is en in Wiens hand alle dingen zijn, ook den toegang tot den troon Zijner genade geopend heeft. Zoo is dan de kennis van God den Schepper het eerste en voornaamste artikel des geloofs, het beginsel van de ware religie en een noodzakelijk fundament van het zaligmakend geloof.

Door deze kennis wordt ook de kennis van den Zaligmaker niet achtergesteld, of op den tweeden rang gebracht, hoezeer deze tot de bijzondere leer van de Schrift wordt gerekend. Dat is allerminst in het woord bijzonder gelegen, maar dat zou ook niet juist zijn, omdat de Heere Jezus Christus, de Middelaar der schepping en als de hoogste Profeet en Leeraar ook de Middelaar der openbaring is, die ons den Vader heeft verklaard.

Deze kenins is bijzonder, omdat de zaligmakende kennis van den Middelaar ten deel valt aan de uitverkorenen.

Algemeen en bijzonder zijn menschelijke uitdrukkingen en zien op een op den mensch betrokken zijn in meer algemeenen en bijzonderen zin. Uit kracht onzer schepping staan alle menschen in een zoodanige verhouding tot den eenigen God, als Hij in Zijn Woord openbaart, in alle dingen van Hem afhankelijk en schuldig Hem de gehoorzaamheid te brengen, die Hij van ons vordert.

En aangezien er geen mensch is, of hij beeft eenig gevoelen der Godheid, gaat van de algemeene leer der Schrift een roep uit tot allen, opdat zij geen andere goden voor Zijn aangezicht hebben. Zoo heeft de Heere, gelijk de Heilige Schrift ons leert, Zich aan het volk Israël, aan hetwelk Hij de verborgenheid der verzoening wilde bekend maken, in de eerste plaats als de eenige en waarachtige God, de Schepper van hemel en aarde, geopenbaard. Hij heeft het afgezonderd van de heidenen, heeft het Zijn Wet gegeven en Zijn profeten hebben de eeuwen door den strijd tegen de afgoderijen gevoerd, totdat het door de straffende hand Gods geleerd, althans in de uitwendige religie, den eenigen God zocht te eeren.

In dat opzicht kan dus van een zeker midden worden gesproken, als wij op het volk als geheel zien in onderscheiding van de heidenen. Terwijl wij daarbenevens letten op de heiligen Gods, die uit de verborgenheid der belofte geleefd hebben en uit de levende fontein der genade hebben gedronken, waarvan zoo menige plaats getuigenis geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het midden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's