De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

Het doel der Wet. Vers 19—29. (VI) Vervolg vers 19.

Hoofdstuk III.

Vervolg vers 19.

De mensch is zoo dwaas, dat hij in den strijd zijns gemoeds, nadat de Wet haar werk heeft gedaan, niet eens de leer der genade gretig aanvaardt, maar omziet naar nog meer wetten, hoewel toch Gods genade den mensch ten stelligste de yergeving van zonden in uitzicht stelt, welke hem om Christus' wil beloofd is.

Licht is een mensch geneigd om te zeggen : in mijn later leven zal ik mij wel beteren; dan zal ik dit of dat doen.

Ook zijn er, die zeggen : ik zal in een klooster gaan en een zeer sober bestaan leiden, mij met water en brood tevreden stellen, barrevoets gaan, enz.

Doet ge echter niet juist het tegenovergestelde, dat wil zeggen: verwijst ge Mozes en de Wet niet naar hen, die in zichzelf verzekerd en verstokt van hart zijn, en grijpt ge in tijden van angst en benauwdheid Christus niet aan, die voor uw zonden geleden heeft, gekruisigd en gestorven is, dan komt er van uw behoudenis niets terecht.

Al maakt de Wet dus niet rechtvaardig, toch drijft zij heen tot de belofte der genade, wijl zij die liefelijk en begeerlijk voorstelt. Wij schaffen de Wet derhalve niet af, maar wij brengen haar beteekenis tot de ware proporties terug, het er voor houdende, dat zij een nuttig dienares is, alsmede een middel, om naar Christus uit te drijven.

Daarom : wanneer de Wet u deemoedig, verschrikt en geheel verbrijzeld heeft, zoodat ge de vertwijfeling nabij zijt, weet dan de Wet juist te gebruiken en te waardeeren. Want het behoort niet alleen tot haar taak om de zonde en Gods toorn in het licht te stellen, maar ook wil zij uitdrijven tot Christus.

Alleen de Heilige Geest wijst ons in het Evangelie op de juiste strekking der Wet, getuigende, dat God woont bij de gebrokenen van hart.

Wordt ge dus door de Wet als doof een hamer verbrijzeld, — handel dan vooral niet verkeerd, door nog meer wetten op uw schouder te laten, maar luister liever naar Christus, als Hij in Mattheüs 11 vers 28 zegt: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven".

Wanneer de Wet er u toe dringt om in uw vertwijfeling hulp en troost bij Christus te zoeken, dan is dat geheel overeenkomstig haar taak ; zij dient dan het Evangelie en werkt mede aan het verkrijgen van gerechtigheid.

In het Schriftgedeelte, dat ons bezig houdt, beziet Paulus de Wet vanuit een nieuw gezichtspunt; hij heeft thans gelegenheid om haar ware beteekenis uiteen te zetten en om aan te toonen, wat hij reeds eerder had opgemerkt, namelijk dat de Wet niet in staat is om rechtvaardig te maken.

Hoort de menschelijke rede, dat de Wet niet vermag te rechtvaardigen, dan concludeert zij aanstonds: God heeft de Wet tevergeefs geschonken.

Het was dus wel noodig, om een juiste beschrijving te geven van den waren aard der Wet, opdat men haar draagwijdte niet te ruim en ook niet te eng neme.

Wil men derhalve zijn gedachten laten gaan over de gerechtigheid, het leven en de eeuwige zaligheid, dan moet men de Wet geheel en al uit zijn gezichtskring bannen en doen alstof zij nooit heeft bestaan en alsof zij niet de minste beteekenis heeft. Want met opzicht tot het stuk der rechtvaardigmaking kan men de Wet niet ver genoeg buiten beschouwing laten, om alleen te kunnen letten op de door God geschonken beloften.

Daarom heb ik gezegd, dat men in zijn hart de Wet heel ver gescheiden moet houden van de belofte, hoewel beide in den grond der zaak nauw met elkaar verbonden zijn.

......totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was. Vervolg vers 19.

Paulus kent aan de Wet geen eeuwigdurende beteekenis toe, doch hij zegt, dat zij gevoegd is bij de beloften om der overtredingen wil.

De Wet, zoo zegt hij, heeft een burgerlijk karakter, dat bestaat in het in toom houden der menschen; voorts is zij geestelijk van aard, hetgeen blijkt uit het feit, dat zij de zonden openbaart en te meerder doet worden.

Deze taak heeft de Wet echter maar gedurende zekeren tijd. Men dient namelijk te letten op het woordje „totdat", hetwelk er op wijst, dat de tirannie der Wet een bepaalden duur heeft. Wie aan zijn zonden ontdekt wordt, en ziet, wie hij werkelijk is, en een indruk krijgt van Gods toorn, die zou terstond omkomen, wanneer zijn ziel niet getroost werd.

Daarom : wanneer de tijd van de heerschappij der Wet niet verkort werd, dan zou geen mensch zalig worden. In het licht dezer dingen moet er aan de Wet paal en perk gesteld worden, buiten welk gebied of tijdsbestek zij niet komen mag.

Hoe lang zou dan de heerschappij der Wet duren?

Antwoord: totdat het zaad zou gekomen zijn, namelijk dat zaad, waarvan geschreven staat: en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde. (Genesis 22 vers 18).

De tirannie van de Wet zou dus duren tot de volheid des tijds zou gekomen zijn, alsmede het zaad, dat een zegen wezen zou.

De duur der Wet kan letterlijk en geestelijk worden opgevat. Naar de letter heeft de Wet geduurd tot op het tijdstip van de verschijning der genade. Want de Wet en de profeten hebben tot Johannes toe geprofeteerd (Mattheüs 11 vers 13). Wanneer „het zaad" verschijnt, moet de Wet ophouden met het openbaren der zonde, en met het aanjagen van schrik. Zij moet dan het werk overgeven aan een ander, namelijk aan het gezegende zaad, aan Christus, die niet beschuldigt of verschrikt, maar die betere dingen spreekt, wanneer Hij wijst op genade, vrede en vergeving van zonden. Dit alles, alsmede de overwinning over zonde en dood, is door Christus' lijden en sterven verworven voor en het deel geworden van al degenen, die in Hem gelooven. Naar de letter heeft dus de Wet opgehouden, toen het gezegende zaad ons vleesch en bloed aannam, in de wereld verscheen, den Heiligen Geest zond en een nieuwe wet in onze harten schreef. De geestelijke strekking der Wet houdt echter nooit op. Voor een mensch, die aangevochten wordt, is het zeer moeilijk om de geestelijke strekking der Wet te ontdekken, want in tijden van verschrikking en overtuiging van zonden kan een mensch niet komen tot 't koesteren der hoop, dat God barmhartig is, en dat Hij om Christus' wil hem al zijn zonden vergeven wil. Komt in dergelijke omstandigheden geen geloof opdagen, om een mensch op te richten, dan vervalt hij tot vertwijfeling en ondergang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's