'sHeeren volk en het verbond
De roeping van Abraham is ook tevens zijn afzondering. Ga uit uw land, en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal (Gen. 12 : 1). Daarna volgt: Ik zal u tot een groot volk maken. (vs. 2). In Genesis 17 wordt deze belofte duidelijk als een belofte des Verbonds aangewezen. Ik ben God, de Almachtige. En Ik zal Mijn Verbond stellen tusschen Mij en tusschen u, en Ik zal u : gansch zeer vermenigvuldigen. (Gen. 17 : 1 en 2). Zie ook deze belofte herhaald in het vierde vers. Daarna wordt deze belofte nader uitgewerkt in het zevende en achtste vers : „Om u te zijn tot een God en uw zaad na u". „Ik zal hun tot een God, zijn". In de derde plaats wordt het teeken des Verbonds, n.l. de besnijdenis, gegeven en geboden te onderhouden, (vs. 10 v.v.) Dit teeken geldt ook den gekochte met geld, dus den vreemdeling, die als slaaf tot het huis behoort en tot de volksgemeenschap wordt gerekend.
Niettemin zal God met Izak Zijn Verbond oprichten (vs. 21), hoewel ook Israël 't teeken der besnijdenis ontvangt, (vs. 23) In dit alles treedt de afzondering van een volk, dat den Almachtige tot een God zal hebben als een werk des Verbonds op den voorgrond. Daarin is ook voor den vreemdeling plaats, hoewel het zaad in Izak zal worden genoemd. (Gen. 21 : 12). De algemeene verkiezing is op een volk gericht, dat uit Abraham zal voortkomen. Het is daarom van beteekenis, dat in Genesis 26 : 23 van twee volken en twee natiën wordt gesproken, waarvan kennelijk slechts één volk het voorwerp dezer verkiezing is en het volk des Heeren zal genoemd worden : n.l. de nakomelingschap van Jacob.
In Exod. 3 (de verschijning Gods aan Mozes in den braambosch) spreekt God dan ook van Mijn volk (vs. 7), Mijn volk, de kinderen Israels (vs. 10). Hij maakt Zich bekend en laat Zich aan het volk bekend maken als Jehovah, de God hunner vaderen Abraham, Izak en Jacob. En God noemt het volk, dat in Egypte is, Zijn zoon. Zijn eerstgeborene. (Ex. 4 : 22, 23). De roeping des volks wordt dan aan den Sinaï nog weer bijzonder betuigd : Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb, hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb, nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stemme zult gehoorzamen en Mijn Verbond houden, zoo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gansche aarde is Mijn, en gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn. (Ex. 19 : 4 v.v.)
Daarna volgt de wetgeving (Ex. 20), welke onmiddellijk wordt gevolgd door een vermaning om geen gouden of zilveren afgoden te maken en daarna de burgerlijke en ceremonieele wetgeving.
Dit alles draagt de duidelijkste kenmerken, dat God zich in Israël een volk heeft afgezonderd, opdat Hij Zijn Naam zou bekend maken. Het komt daarmede geheel overeen, dat Hij hun de geboden geeft, die wij gewoon zijn de zedewet te noemen, en dat Hij ook Zijn inzettingen gebiedt, opdat het in het geheele leven Zijn Naam eere en Zijn dienst onderhoude naar het gebod.
Wij hebben ook kunnen opmerken, dat deze afzondering, welke een vergadering tot God wordt genoemd, uit het Verbond Gods volgt. Verder is gebleken, dat het volk krachtens deze goddelijke daad des Heeren volk, Gods zoon, Gods eigendom uit alle volken, een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk wordt genaamd. Deze eeretitels worden door God aan het volk geschonken, het wordt daartoe verwaardigd, indien het Zijn Verbond zal houden. Het bijzondere, dat God dit volk Zijn eigendom uit alle volken noemt, ligt enkel en alleen in het voornemen Gods, waartoe Hij dit volk heeft afgezonderd. Immers in denzelfden tekst, waarin deze titel wordt genoemd, wordt toegevoegd : want de gansche aarde is Mijn. Op dezen grond zou er dus geen verschil in conditie zijn tusschen dit volk en alle andere volken. De gansche aarde is des Heeren. Het woordje want geeft echter den grond of reden aan. Omdat de gansche aarde des Heeren is, is Hij vrij om naar Zijn welbehagen te handelen. Hij kan daarom aan het volk een afzonderlijke plaats geven en het Zijn eigendom uit alle volken noemen en het tot een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk stellen.
Het is dus niet zonder grond, dat Calvijn van algemeene verkiezing spreekt, daarbij ziende op de bijzondere conditie, waarin het volk Israël als geheel wordt geplaatst in onderscheiding van andere volkeren. Men houde echter voor oogen, dat deze daad Gods niet alleen uit Zijn Verbond voorkomt, maar dat zij — wat haar beteekenis aangaat — ook door het Verbond wordt bepaald. Het gaat alles terug op het voornemen Gods, op datgene, wat Hij met dat Verbond voorheeft.
Zij, die niet moede worden om er op te wijzen, dat het gansche volk, ja zelfs de vreemdeling, die in huis is, onder het Verbond vallen, hebben daarin zonder twijfel gelijk. God roept Zijn zoon uit Egypte. Dat is het volk, zooals het daar bestaat, met alle zonden en gebreken, die het aankleven.
Zij kunnen er ook op wijzen, dat de titels en onderscheidingen van 's Heeren volk en welke verder werden genoemd, op het volk als geheel vallen. Indien men met eenige voorkeur van de gemeente des Heeren wil spreken, zullen wij dat niet betwisten. En zoo men bovendien opmerkt, dat allen onder de beloften des Verbonds verkeerd hebben en in des Heeren weldaden hebben gedeeld, vindt dat bevestiging in de Schrift. (Zie 1 Cor. 10).
Men vergete echter niet, dat al wat uit Gods Verbond voorkomt, ook verbondmatig is en verbondmatig wordt verstaan. Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen en Mijn Verbond houden, zoo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de aarde is Mijn. (Ex. 19 : 5). God geeft Zijn macht niet uit handen, als Hij Zijn Verbond bekend maakt. Hij doet geen afstand van Zijn welbehagen, noch van Zijn vrijmacht om al Zijn welbehagen te doen. Integendeel, de afzondering Israels is een openbarende en daarmede ook een voltrekkende daad, tot al datgene, wat Hij in Zijn Raad heeft voorgenomen, zoo met het volk Israël als met de gansche wereld.
Het houden van Zijn Verbond is nog iets anders dan verkeeren onder de beloften daarvan. Het houden van het Verbond komt uit dezelfde genadebron voort als de beloften en haar openbaring. Het gansche Verbond wordt vervuld naar Gods voorzienigheid. Het is een werk Gods en niet der menschen. Maar God heeft den mensch als een redelijk-zedelijk schepsel geschapen en gaat ook alzoo met hem om. Dat is, wat wij noemden, het verbondmatige. Hij daalt tot den mensch neder en bepaalt hem allereerst bij de dingen, die hij krach tens de orde zijner schepping behoorde te verstaan: de dienst van den eenigen God, de zedewet en de burgerlijke gerechtigheid.
Hoewel geen mensch willig en bekwaam is om deze gehoorzaamheid naar eisch te volbrengen, zal toch de onderhouding daarvan aan het uitwendige leven van 's Heeren volk een onderscheiden gelaat geven. Deze gehoorzaamheid heeft ook een innerlijke zijde, waarom zij het beginsel der ware religie kan worden genoemd.
De geschiedenis van Israël toont dan ook duidelijk aan, dat onder het Verbond gehoorzamen en wederhoorigen worden gevonden. Zelfs zijn er tijden geweest, dat de Baalsdienst de overhand nam en dat zelfs de priesters den heiligen dienst verontreinigden met hun afgoderijen. (Denk b.v. aan de dagen van Eiia en Ezechiël). Doch de kracht des Verbonds werd niet afgesneden en het geestelijk leven uit een nieuwe gerechtigheid is den heiligen Gods niet. verborgen gebleven. Het lichtende spoor van den heiligen weg, waarlangs de vrijgekochten des Heeren gaan, trekt door het gansche volk heen. De onreine zal daar niet doorgaan, maar hij zal voor dezen zijn, die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. (Jes. 35 : 8 v.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's