Uit de kerkelijke Pers
Gebedsvragen.--Twee typen van gebed.--Gebedsbelemmeringen--De komst van Gods Koninkrijk.
Gebedsvragen.
In „Ons Kerkblad" heeft Dr Wurth een reeks artikelen geschreven over het gebed in dezen tijd. Door middel van „Belijden en Beleven'' (Gereformeerd) kwamen we met enkele gedeelten uit deze artikelenreeks in aanraking. In onze dagen wordt er over gebed, gebedsuren en gebedsdagen veel gesproken. Nu ook weer naar aanleiding van de bede- en boetedag, die door verschillende kerken werd uitgeschreven. We willen daarom onzen lezers ook met het door Dr Wurth geschrevene in kennis stellen.
Hij schrijft dan, dat in dagen, als die wij thans beleven, het gebed noodiger is dan ooit. Maar dat het tegelijk nu misschien ook moeilijker is dan ooit om recht te bidden, zooals het behoort. Op enkele gebedsmoeilijkheden in onzen tijd gaan we ons dan nader bezinnen.
Twee typen van gebed.
Dr W. wijst erop dat zich, in 't algemeen gesproken, twee typen van gebed laten onderscheiden. In de eerste plaats het smeekgebed, waarin men God om bepaalde dingen vraagt, en in de tweede plaats het gebed der overgave, waarin men zich biddend voegt in wat de Heere over ons beschikt. Vervolgens wordt dan de vraag gesteld wat nu, onder de omstandigheden, waarin wij momenteel persoonlijk en met ons volk en onze Kerk ons bevinden, in ons gebed op de voorgrond moet staan: het smeekgebed, het vragen om die dingen, waar wij allen als vanzelf zoo vurig naar verlangen : uitkomst, vrede, vrijheid, herstel van onze onafhankelijkheid of het gebed der overgave, het onderworpen bukken dus onder wat God over ons gebracht heeft en misschien verder nog over ons brengen zal. Sommigen vinden dat vanzelfsprekend bet eerstgenoemde gebed op den voorgrond moet staan. Wij moeten persoonlijk bij God in 't gebed blijven aanhouden en wij moesten nog veel meer gezamenlijk bidstonden beleggen, dat God toch maar zal hooren en aan ons droeve lot een einde zal maken.
Hier en daar zijn echter ook andere stemmen te beluisteren. Stemmen, die in een andere richting wijzen, die meenen dat wij dat afbidden van wat God over ons bracht, nu eens moeten opgeven en dat wij nu liever om de genade moeten vragen ons kruis geduldig en onderworpen te dragen. De bron, waaruit dit voortkomt, is echter verschillend. Sommigen meenen dit n.l. uit twijfel, of God nu nog wel helpen kan. Dat God het kan, mag echter voor ons vaststaan. Het geloof kan immers nooit te veel verwachten. En de nood is nooit grooter dan de Helper, ook nu niet.
Anderen stellen zich echter de vraag, of God nog wel helpen wil. Of misschien nu de tijd van Gods genade niet voorbij is en de tijd van Zijn oordeel is gekomen. Ze wijzen daarbij op Jeremia 28 : Gij dan, bid niet meer voor dit volk.
Wat zullen wij hiervan zeggen, zoo vraagt Dr W.
Hij begint dan met op te merken, dat wij het verblijdend mogen vinden, dat sommigen die vraag stellen. Dit getuigt van een betere gestemdheid des harten dan de wereldsch-optimistische beschouwing. Deze vindt het n.l. vanzelfsprekend, dat God ons helpt, alsof God dat zoo min of meer tegenover ons verplicht is.
Wanneer wij ons als Christenen en als Christelijke Kerk echter kennen en wanneer wij iets beseffen van de grootheid van onze schuld voor God, wanneer dat geen groot woord of geen vrome phrase voor ons is, maar smartelijke realiteit, dan zien wij dat uitredding en bevrijding thans in de verste verte niet vanzelfsprekend is. Alle reden is er dan voor de ootmoedige erkentenis : „Indien Gij de ongerechtigheden gade wilt slaan, Heere, wie zal bestaan ? "
We willen echter nog een stap verder gaan. Niemand zal durven ontkennen, dat het op een zeker moment voor een mensch of voor een volk zoover kan komen, dat het gebed om afwending van een bepaald lot moet plaats maken voor de ootmoedige onderwerping aan wat God over ons beschikt. Wanneer wij zouden loochenen dat die mogelijkheid ook voor ons wel eens kan komen, zou dit van groote oppervlakkigheid getuigen. Wanneer God een verbond sloot met een bepaalden kring of volk, of wat ook, beteekent dit geen onverbreekbaar contract in dien uitwendigen zin. De genade Gods is nooit iets, waarover wij souverein maar te beschikken hebben.
God is de pottenbakker en wij zijn altijd maar het leem. En vooral als zondaars hebben wij tegenover God geen enkel recht. Maar.... wie onzer zou met zekerheid durven beweren, dat we er nu aan toe zijn, dat er voor ons gebed om afwending van het gericht geen plaats meer is ? Hier wil Dr W. grooten nadruk op leggen, al valt het niet te loochenen, dat dit oogenblik wel eens zou kunnen aanbreken.
Er is een groot onderscheid tusschen Jeremia en ons.
Jeremia was profeet. Als profeet had Jeremia een bijzondere openbaring Gods, waarop hij zich kon beroepen. Wij hebben dát niet. In Gods verborgen raadsplan hebben wij niet kunnen inzien. Daarom zou het voorbarig ja zondig zijn, nu maar direct te onderstellen dat het al zoover is en daarom nu alvast maar op te houden met ons gebed. Hierin zou een miskenning liggen of in elk geval een te kort doen aan de barmhartigheid Gods, die nu eenmaal roemt tegen het oordeel en waarvan wij evenmin ooit te groot kunnen denken. Zooals wij ook nooit te groot kunnen denken van Gods Almacht. Voor ootmoed in ons gebed is daarom alle reden.
Als die ootmoed maar geen moedeloosheid wordt, die het geloovig vertrouwen in God en Zijn genade bij ons breekt. Vervolgens wordt nog op enkele
Gebedsbelemmeringen
de aandacht gevestigd. Hiervan noemen we het egoïsme, de zelfzucht. De stille, niet uitgesproken hoop, die bij velen leeft en het gebed bezielt is, dat spoedig de toestand van vóór 10 Mei '40 maar weer terug keere. Want toen hadden wij het immers zoo goed en toen was alles zoo rustig en vredig. In stoffelijk en geestelijk opzicht drukten ons toen betrekkelijk geen zorgen. Kwam dat maar weer zoo gauw mogelijk weerom!
Zoo mogen wij echter niet bidden. Zulk egoïsme, zulke vleeschelijke zin is juist de dood voor alle gebed. We moeten ook niet in een ander uiterste vervallen en bidden om nood, om gevaar, om crisis. Want dan verzoeken wij God. Heel ons geloof en heel ons leven moet gericht zijn op het Koninkrijk Gods, in alles moeten wij ons kinderen des Koninkrijks betoonen en dit nu moet ook zoo beheerschend zijn voor het gebed. Al ons bidden moet niet in het minst in een tijd als thans onder beslag staan van het Koninkrijk Gods. Dan gaat het ons waarlijk om
De komst van Gods Koninkrijk.
Letterlijk schrijft Dr W. dan het volgende :
„Dan is het voornaamste voor ons niet, dat Gods oordeelen maar zoo vlug als het kan mogen worden afgewend. Want die oordeelen Gods kunnen óók de weg zijn, waarin God Zijn Rijksplan volvoert en Zijn Rijk laat komen.
Of als wij bidden om afwending van die oordeelen, om herstel van den vrede, om vrijheid voor Gods Kerk, om zelfstandigheid voor ons volk, dan doen wij dat, omdat en inzoover dat alles aan de komst en de triumph van dat Rijk dienstbaar kan zijn.
M.a.w. dan is alle zelfzucht bij ons er uit. Dan is ons bidden, wat het toch bovenal steeds moet zijn, geloovig meeworstelen om de volvoering van Gods raad, om de vestiging van Zijn Koninkrijk, om de verheerlijking van Zijn Naam, in welken weg God dat tenslotte ook belieft te doen".
Zoo moet het altijd en niet het minst nu met onze gebeden staan. Want dan komen ze onder de tucht van het Woord Gods, dan wordt in alles de komst van het Koninkrijk het een en het al. En dan mogen we er toch immers van verzekerd zijn dat de Heere ons alles, wat ons nuttig en noodig is, zal toewerpen. Want dan wordt het ook in ons bidden: eerst zoeken het Koninkrijk Gods. Wat hebben we hier met beschaamdheid het aangezicht te buigen en schuld te belijden. Wat een zelfzucht hebben wij hier te beweenen. Want o, zooveel ligt ons na aan het hart, terwijl het Koninkrijk Gods schier uit onze gezichtskring is verdwenen, ook al bidden wij wellicht dagelijks: Uw Koninkrijk kome. In verband hiermee trof ons wat we lazen in het boek van Ds H. Veldkamp over Daniël : Die knoopen ontbindt.
In Daniël 9 : 19 bidt Daniël : O Heere, hoor; o Heere, vergeef ! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet, om uwsZelfs wil, o God".
„... .En dat „het", dat heel zijn ziel vervult, en niet nader hoeft aangeduid, want de Heere weet het zoo ook wel, is, zooals duidelijk blijkt uit het verband, het herstel van Jeruzalem. Uit de boeken wist Daniël immers, dat de tijd van dat herstel, naar 's Heeren eigen belofte, naderde. En nu bidt Daniël niet, omdat hij God niet vertrouwen zou. Geen sprake van. „Wat hem wel dreef tot het gebed was de innige begeerte om — als ik het zóó eens zeggen mag —Gods zaak tot zijn zaak te maken". Ds V. merkt dan verder op, dat het bidden nog wel gaat als het onze zaak geldt. Maar meestentijds wordt het zoo jammerlijk stil, als het om de zaak des Heeren gaat. Bij Daniël nu gaat het om Gods zaak. Want Daniël is zelf nooit in Jeruzalem teruggeweest. Hij werd van Jeruzalem's herstel dus niet beter. Maar 't smart Daniël wanneer de heidenen lachen om die machtelooze God, Die Zijn eigen volk niet beschermen kan. Daniel's smeeking komt dus hierop neer, dat de Heere in het herstel van Jeruzalem Zichzelf verheerlijke.
„Dit brengt ons vanzelf op den nood van onzen tijd. Het geeft ons een klaar bericht, welke spanning er in onze gebeden moet zitten. Uit duizenden harten gaat ook in dezen tijd het gebed op : o Heere, hoor ! o Heere, doe het, en stel het niet uit! Welken inhoud geven we dan aan dat „het".
Ik denk dat de meesten dan denken aan eigen nooden, of aan die van hun arme volk en vaderland. We smeeken dan den Heere, dat het Hem behagen mag, ons de kostbare goederen van vrijheid en onafhankelijkheid terug te geven.
Dit gebed is geoorloofd.
Het worde zelfs veelvuldig opgezonden! Alleen — laat ons hier niet bij blijven staan.
Sluiten we er namelijk ons oog niet voor, dat Christus juist dóór het oorlogsrumoer bezig is te bouwen aan het nieuwe Jeruzalem, dat naar Gods gemaakt bestek in, eeuwigheid zal rijzen".......
„Deze belofte kunnen wij — evenals Daniël — in de „boeken'' lezen, en als we de feiten van den dag leggen in het licht van het profetische woord, dan zeggen wij ook: de tijd is nabij.
Deze beloften worden stellig vervuld. Maar ze dringen ons evengoed tot het gebed.
Het gebed namelijk, dat Jezus komen moge met Zijn vele duizenden van engelen, om Zijn Naam te verheerlijken."
Daartoe is noodig dat wij door de kracht des Geestes eerst hebben leeren zoeken het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's