De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eisch en plicht?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eisch en plicht?

8 minuten leestijd

Ds W. brengt in het laatste hoofdstuk van zijn onlangs verschenen boekje : „De gevaren der Doopersche geestesstrooming" de reorganisatie ter sprake en houdt daarin een pleidooi voor het ontwerp 38, waarvan aanneming, niettegenstaande al de bezwaren, die er aan kleefden, eisch en plicht van den Christen, in het bizonder van den Christen van Gereformeerde belijdenis was".

Het is in zekeren zin napleiten, maar men kan hier dus uit lezen, dat naar zijn meening de Gereformeerde Bond daaraan had behooren mede te werken. Hoe dat vereenigbaar wordt geacht met den grondslag, in de Statuten vastgelegd, is een vraag, welke ieder treffen moet, die zijn pleidooi volgt.

Hij schrijft n.l. de afwijzende houding toe aan vrees : de vrees, dat bij de reorganisatie de belijdenisgeschriften wel eens veranderd of gewijzigd zouden kunnen worden ; de vrees voor uitbreiding der belijdenis ; de vrees voor mogelijke sohade ten opzichte van de kerkelijke goederen, (blz. 124, 127). De eerstgenoemde acht hij „kinderachtig". Geen sterveling zal er aan denken, 'n dergelijk historisch stuk te verknoeien" (blz. 124).

De in de tweede plaats genoemde acht hij ongegrond, (blz. 124).

Ten aanzien van de laatst genoemde merkt hij op, dat het kruis meer gevreesd wordt dan men denkt. Hij wil in de eerste plaats een machtsoplossing van de moeilijkheden door een herboren partijgeest voorkomen, (blz. 127).

Over ieder van deze punten valt nog al wat te zeggen. Vrees is een slechte raadsman of eigenlijk raadsvrouw, zoo zegt men. Het is echter niet hetzelfde, waarvoor men vreest en in hoeverre daarvoor grond en aanleiding is.

Ten eerste zal de geruststellende verklaring, dat geen sterveling er aan zal denken, een dergelijk historisch (wij curslveeren) stuk te verknoeien, geen doel treffen. Deze verzekering doet een beroep op de historische waarde dus uit een oogpunt van historisch monument. Doch ook, indien zulk een respect de belijdenisgeschriften veilig stellen mag, hoe staat het dan niet met deze geschriften, maar met de belijdenis, die er in ligt?

Wordt deze ook als historisch monument gewaardeerd ?

Het gaat ons niet in de eerste plaats om de geschriften, maar om de belijdenis. Daarom is er geen vrees voor verandering of wijziging der belijdenisschriften, indien deze noodig en dus geboden is en op wettige wijze kan geschieden, maar voor iedere verandering, die een verknoeien der confessie van het geloof zou kunnen beteekenen.

Datzelfde geldt evenzeer ten aanzien van het tweede punt: uitbreiding. Ds W. acht deze vrees ongegrond onder verwijzing naar de moeilijkheden, waarop het opstellen van een nieuw belijdenisgeschrift in de Gereformeerde Kerken is gestuit, maar bovendien overbodig, wijl men in de belijdenis der kerk in de prediking genoegzaam ruimte heeft voor wat men met de uitbreiding bedoelt; want de roep om uitbreiding was niet anders dan de roep om actueele prediking, (blz. 124)

Uit dit laatste mag men dus besluiten, dat Ds W. eenerzijds de roep om actueele prediking als een argument voor uitbreiding der belijdenis laat gelden, als zou de bestaande belijdenis voor actueele prediking geen ruimte bieden.

Anderzijds acht hij zulk een uitbreiding overbodig, omdat de belijdenis der kerk in de prediking genoegzame ruimte biedt.

Hoe moet men dit nu begrijpen ? Heeft de schrijver hier tweeërlei belijdenis op 't oog : n.l. de belijdenis, zooals die in de belijdenisschriften is neergelegd, en daarbenevens de belijdenis in de prediking ?

Daar is aanleiding tot deze onderstelling. Hij zegt n.l. op blz. 123 : ledere kerk is belijdende kerk, in zooverre iedere kerk een boodschap brengt, n.l. in de prediking, die zij uitdraagt. Daarom wordt de belijdenis eener kerk allereerst gekend uit haar prediking. Wie de belijdenis der buitenlandsche kerken wil leeren kennen, zal in haar midden een tijdlang moeten leven en werken ; haar prediking, niet haar historische belijdenisgeschriften, vertolkt ons 't best, met welke belijdenis zij in de wereld verschijnt.

Waarom wijst Ds W. ons nu naar de buitenlandsche kerken en blijft hij niet dichter bij huis ? Geef het nu eens iemand te doen om uit de prediking in de Hervormde kerk te leeren kennen, met welke belijdenis zij (de kerk) in de wereld verschijnt.

Zelf wijst Ds W. er op, dat de Hervormde kerk geen enkele kerkelijke norm voor de prediking heeft gesteld en den predikant, niet de gemeenten, (alsof deze niet welbewust een predikant van een bepaalde richting beriepen!) de volle vrijheid heeft gegeven om alles te belijden, wat zij willen.... (blz. 124).

De schrijver wil wellicht op dezen ongezonden toestand de aandacht vestigen. Maar intusschen wordt er toch van twee belijdenissen gesproken. Immers zegt hij, dat de belijdenis allereerst gekend wordt uit de prediking. Haar prediking, niet haar historische belijdenisgeschriften, vertolkt ons het best, met welke belijdenis zij in de wereld verschijnt. En dan verder : „Indien een belijdenisgeschrift moest aangemerkt worden als de belijdenis, waarmee de kerk optreedt in de wereld, enz. (blz. 123).

Duidelijk wordt hier uitgegaan van de onderstelling, dat een belijdenisgeschrift niet als de belijdenis wordt aangemerkt. De cursiveering van geschrift heeft weinig zin, want het gaat niet om het geschrift, maar om de belijdenis van het geschrift. Zoo wordt onderscheiding gemaakt tusschen de belijdenis in de formulieren uitgedrukt en de belijdenis in de prediking. Deze onderscheiding is van beteekenis, indien men dit in concreto gaat stellen. Dan toch is er een divergentie tusschen de eenmaal vastgestelde belijdenis en de belijdenis in de prediking. Gegeven de boven geteekende toestand, dat iedere predikant vrij is om te belijden, wat hij wil, gaat deze divergentie in een verscheidenheid op.

Ds W. spreekt ook van de levende belijdenis, waarmede hij klaarblijkelijk op de belijdenis in de prediking doelt. (blz. 123). Men is geneigd te vragen, of dan de belijdenis der formulieren een doode is. Men staat dus voor de verscheidenheid der „levende" belijdenis en de eenheid der eenmaal vastgestelde. Wij noemen deze nu niet als doode, want het komt ons toch voor, dat Ds W. zich niet op het standpunt stelt, dat de belijdenis der Drie Formulieren niet meer leeft, zij het dan ook niet bij allen. Dat is echter op zich zelf niets bijzonders. De z.g. levende belijdenis leeft evenmin bij allen. Men zou zelfs niet de levende belijdenis kunnen aanwijzen, indien men dit al wilde.

Toch wil Ds W. daarheen. Want hij wil, dat de prediking, de levende belijdenis der kerk, beantwoordt aan de vastgestelde kerkelijke norm. Als zoodanige norm gelden de Drie Formulieren niet. Zij is als zoodanig op zij geschoven en dat beteekent tevens de verloochening dier belijdenis. (blz. 124).

Als wij zeggen: Ds W. wil daarheen, dan versta men wel wat hij bedoelt. „De levende belijdenis der kerk, haar prediking, is aan gedurige hervorming onderworpen. Zonder deze zou de kerk buiten haar tijd komen te staan, zou ze ophouden actueel te zijn" (blz. 124). De belijdenis, waarop Ds W. ziet, is in beweging. Zij volgt de actualiteit van den tijd. Het gevolg moet dus zijn, dat de vastgestelde norm ook in beweging is. Zoo niet, dan staat men telkens weer voor hetzelfde feit. De norm is verouderd, maar de actueele belijdenis gaat door.

De stuwkracht wordt naar de actueele prediking verlegd. De prediking is de wordende norm. Hoe dit te rijmen is met het zooeven aangehaalde, dat de prediking, de levende belijdenis der kerk, behoort te worden getoetst aan de vastgestelde norm, is een vraag. Want nu wordt weer de vastgestelde belijdenis normatief.

Het wordt nog vreemder als men dan verder leest: „Maar een belijdenisgeschrift wordt niet hervormd, wordt ook niet vernieuwd of uitgebreid, hoogstens kan men een nieuw belijdenisgeschrift opstellen". Het gaat dus feitelijk om een nieuw belijdenisgeschrift, dat als norm der prediking zal gelden.

Terwille van de prediking, zoo hebben wij echter vernomen, is dat niet noodig, want het heette geheel overbodig, omdat men in de belijdenis der kerk in de prediking genoegzaam ruimte heeft voor wat men met die uitbreiding bedoelt, (blz. 124). Men zou juist de actualiteit doen bevriezen en iedere tien jaar tot zulk een uitbreiding overgaan, (blz. 125).

Ten slotte dus toch een vastgestelde norm, waaraan de prediking moet worden getoetst, maar deze weer niet telkens opnieuw vastgesteld in verband met de actualiteit der prediking, omdat de levende belijdenis in de prediking genoegzaam ruimte biedt.

Nu is over de verhouding van de actueele prediking en de belijdenis der kerk (n.l. de vastgestelde) uit principieel oogpunt nog wel het noodige op te merken, doch het betoog, dat ons hier wordt geleverd, wordt zoodanig beheerscht door de practische moeilijkheden, waarvoor de schrijver zich ziet geplaatst, dat het eer verwarring dan klaarheid zal brengen.

Er is een innerlijke tegenstrijdigheid in dit betoog, omdat het voortdurend werkt met twee belijdenissen, een z.g. vastgestelde en een levende, telkens hervormende, die onwillekeurig in tegenstelling komen van een bevroren en een vloeiend belijden.

Ds W. ziet die tegenstelling in den concreten toestand, want naar zijn meening is de hoofdvraag bij reorganisatie : welke norm zal de kerk gaan aanleggen aan de prediking ? (blz. 125). En dan merkt hij op, dat het duidelijk is, dat bij het aannemen van het reorganisatie-ontwerp niet verwacht kon worden, dat de kerk als norm de Drie Formulieren van Eenigheid zou aanvaarden, (blz. 125).

De vrees, die hij onderstelde, is dus niet zoo ongegrond en kinderachtig, als hij het noemt, want hij acht het vrijwel uitgesloten, dat de kerk de Drie Formulieren als norm zou aanwijzen. Dat lijkt er op, dat hij het er voor houdt, dat de levende belijdenis zoozeer is afgeweken van die der Formulieren, dat men deze maar laat voor wat zij is. Op zichzelf is dit niet zoo kin­derachtig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Eisch en plicht?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's