UIT DE HISTORIE
UIT DE HISTORIE
Het doel der Wet. Vers 19—29
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Hoofdstuk III.
Vervolg vers 20. (VIIl)
De naam „middelaar"' heeft dus betrekking op twee partijen, waarvan de eene beleedigt, en de andere beleedigd wordt.
Wij menschen zijn de beleedigers ; God en Zijn Wet worden door ons beleedigd. En deze beleediging is van dien aard, dat God haar niet vergeven kan, en wij Hem geen genoegdoening kunnen schenken.
Daarom is er tusschen den eenigen God en ons menschen een groote oneenigheid. Hier komt nog bij, dat God de door Hem gegeven Wet niet herroepen kan. Hij wil, dat wij haar houden. Intusschen kunnen wij, die de Wet Gods overtreden hebben, niet van voor Zijn aangezicht wegvluchten.
In verband met deze dingen heeft nu Christus zich als Middelaar geplaatst tusschen beide partijen, die principieel onderscheiden zijn, en door een onoverbrugbare kloof voor immer van elkaar verwijderd zouden blijven. Beide partijen zijn door Christus met elkaar verzoend.
Hoe heeft Hij dat gedaan ? Het antwoord op deze vraag geeft Paulus in Colossensen 2 vers 14 en 15, waar hij zegt:
„Uitgewischt hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, eenigerwijze tegen ons was, en heeft dat uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende ; en de Overheden en de Machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld en heeft door hetzelve onder hen getriompheerd".
Om deze reden is Christus niet een Middelaar van éénen, maar van twee partijen, die het met elkander zeer oneens waren. De woorden van den tekst, die ons bezig houdt, is voorts een krachtig en sterk argument, om de gerechtigheid, die uit de Wet is, te weerleggen. Ook worden wij er hier op gewezen, dat de gerechtigheid der Wet wel heel ver buiten beschouwing behoort te blijven.
Evenzoo is het woord „middelaar" een duidelijk bewijs, dat de Wet het verniogen mist om te kunnen rechtvaardigen; want waarom zouden we anders een middelaar noodig hebben ?
Daar het menschelijk gemoed de Wet dus niet verdragen kan, zoo ligt het voor de hand, dat wij haar nog veel minder kunnen nakomen.
Dit is het stuk, dat ik dikwijls tot vervelens toe de menschen wil inscherpen, er op wijzende, dat ieder christen de juiste strekking der Wet grondig behoort te kennen. Men moet weten, van welken aard de Wet eigenlijk is, en hoe men haar moet gebruiken en toepassen. Men behoort op de hoogte te zijn van het tijdstip, waarop de Wet gegeven is, alsmede van haar wezen en doel.
De Wet heeft namelijk een heel andere werking, dan de mensch over het algemeen meent. Dit komt, omdat wij van nature een totaal verkeerde opvatting omtrent de Wet huldigen. Wij denken namelijk, dat de Wet vermag te rechtvaardigen.
Ik vrees dan ook, dat de juiste opvattingen inzake de Wet na onzen dood weer zullen verdwijnen en verduisterd zullen worden; want de wereld moet tegen het aanbreken van den jongsten dag nu eenmaal vervuld worden met een dikke duisternis en vele dwalingen.
Wie het derhalve vatten kan, die vatte het, dat de Wet volgens recht christelijke beschouwing niet kan rechtvaardigen. Zij heeft juist een tegengestelde strekking en beteekenis. Zij ontdekt ons aan onszelf en stelt ons een vertoornd God voor oogen. Zij openbaart ons dien toorn en verschrikt ons. Zij stelt onze zonden in het licht, doch laat ons tevens zien, hoe groot en zwaar deze wel zijn. Door het licht der Wet worden vroegere „kleinere" zonden eer omvangrijk, zoodat de mensch de Wet begint te haten en te ontvluchten. Ook gaat de mensch God haten met een volkomen haat, en wij verafschuwen Hem, die de Wet gegeven heeft.
Dit alles beschouwende, kan men het er toch moeilijk voor houden, dat de Wet zou rechtvaardigen. Zulks zal ook de menschelijke rede moeten toegeven. Veeleer zondigen wij dubbel tegen de Wet. In de eerste plaats hebt ge niet alleen een afkeer van haar, zoodat ge haar niet aanhooren kunt, maar hier komt nog bij, dat uw haat van zoodanigen aard is, dat zij, wat u betreft, gerust tegelijk met God zelf vernietigd en ongedaan gemaakt kan worden.
Kan er echter een grooter Godslastering aangewezen worden, benevens een schrikkelijker zonde, dan het haten van God, een afkeer hebben van Zijn Wet, die toch heilig is en goed, enz. ?
Het is werkelijk een wonderlijke zaak, dat gij het beste en meest beteekenisvolle voor u niet kunt aanhooren, namelijk, dat ge een God hebt, die barmhartig is, en daarvan blijk geven wil.
Het is vreemd, dat gij niet kunt aanhooren, wat juist in uw belang en voordeel is, namelijk : gij zult niet dooden ; gij zult niet echtbreken; gij zult niet stelen, enz.
Door deze woorden toch beveiligt God uw leven, alsmede dat van uw vrouw. Hij beschermt door Zijn geboden al wat ge hebt tegen booze aanvallen en geweld van slechte lieden.
De Wet kan dus alleen maar in uw gemoed het licht doen opgaan over zonde, dood, gericht en toorn Gods. Voordat de Wet mij aan mijzelf ontdekt, ben ik rustig, en voel de zonde niet als een drukkende last. Doch komt de Wet echter tot mij, dan wordt mij zonde, dood en hel onder het oog gebracht.
We worden dus door de Wet heusch niet gerechtvaardigd, maar wel schuldig verklaard. We worden als een vijand Gods op de kaak gesteld, en veroordeeld tot den dood en de hel.
De Wet maakt de menschen dus eer slechter dan beter. Zij toont ons onze zonde, opdat wij daardoor deemoedig gemaakt zullen worden, alsmede verschrikt en verbrijzeld, opdat wij gaan verlangen naar het gezegende Zaad, hetwelk is Jezus Christus. Dit is in het kort de inhoud van Paulus' terloopsche opmerkingen over het onderwerp, dat hem bezighoudt.
Wanneer de apostel zegt : „maar God is één", dan wil hij er op wijzen, dat God niemand beleedigt of kwetst, en daarom ook geen middelaar noodig heeft.
Wij echter beleedigen God; en derhalve hebben wij wèl een middelaar van noode : echter niet Mozes, maar Christus, die bij den Vader betere dingen te onzen bate spreekt.
Na dit „uitstapje" keert de apostel tot zijn eigenlijk betoog terug.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's