De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mogelijkheden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mogelijkheden

6 minuten leestijd

In het eerder aangehaalde boekje geeft Ds W. ook blijk van zijn verwachtingen : n. 1. dat men zou gaan uitspreken, welke belijdenis in een Christus-belijdende kerk niet kan worden geduld.

Op zich zelf is dit geen nieuw vraagstuk, dat zich nu eens voordoet, want de kerk, die over haar belijdenis waakt, behoort altijd dit standpunt in te nemen. Het betreft toch uitteraard altijd verschillende punten en afwijkingen, die zich voordoen ook tengevolge van de actualiteit der omstandigheden en dan is altoos de vraag : niet welke belijdenis, maar welke van haar afwijkende leeringen, kan de kerk niet dulden.

Daarbij gaat het derhalve steeds om de centrale vraagstukken, die als de hoofdstukken van de belijdenis der algemeene Christelijke kerk aan de fundamenten raken. Dergelijke stukken laten geen aanranding toe en zoo zij in het geding zijn, brengen zij de gansche kerk in beroering. (Voorbeeld de twisten tijdens het Twaalfjarig Bestand).

Deze verwachting gaat dus uit van de veronderstelling, dat zulke belangrijke zaken aan de orde zijn of latent aanwezig zijn. Doch hoe zal men een kerkelijke beslissing tot stand brengen ? Wij vragen dat eerst met den nadruk op kerkelijk en dan nog eens met het oog op den aan te leggen maatstaf.

Wellicht antwoordt men: De Heilige Schrift zal norm zijn. Goed, dat is de algemeene belijdenis der kerk. Daar zitten wij reeds in een capitaal stuk en tevens worden wij herinnerd aan de belijdenis der kerk, zonder welke men geen enkel der capitale stukken kerkelijk zal kunnen beslissen. Daarbij zal dus de belijdenis der belijdenisgeschriften voor den dag moeten komen.

Het sprookje, zooals Ds W. het blieft te noemen, van de belijdenis in de safe, zou verrassend kunnen worden. Wat hij met het onderscheid tusschen belijdeniskerk en belijdende kerk bedoelt, als een vondst van de studeerkamer, is niet duidelijk, doch de kerk, die in de belijdenis der Formulieren aan het woord is, is de reformatorische openbaring van 't lichaam van Christus. Ondanks de actualiteit der tijden, zal de openbaring van datzelfde lichaam in de twintigste eeuw in de capitale hoofdstukken van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof met de reformatorische kerk volkomen overeenstemmen.

Verder stelt Ds W. twee mogelijkheden, die zich door „de Gereformeerde richting'' laten denken. „Ten eerste, dat de kerk slechts zeer krasse uitdrukkingen van ongeloof zal veroordeelen, zoodat ook de vrijzinnigen daarmede kunnen instemmen", (blz. 125).

Wij zouden hier reeds onmiddellijk moeten vragen : welke kerk is hier aan het veroordeelen ? Waardoor wordt het woord kerk hier bepaald ? En verder: wat is ongeloof ? Welke maatstaf wordt hier ondersteld ?

Ds W. noemt zulk een toestand noch beter, noch slechter dan nu. (blz. 126) Daaruit blijkt dan ook, dat de zooeven gestelde vragen bij de onderstelling van deze mogelijkheid overweging verdienen en naar de diepere beginselen verwijzen.

De tweede mogelijkheid, die men zich denken kan, is, dat de kerk enkele waarheden uit de Gereformeerde belijdenisgeschriften zou veroordeelen als strijdig met het karakter van de kerk van Christus, zooals zij zich dat denkt. (blz. 126)

Hier wordt dus een kerk ondersteld, welke gedachten heeft omtrent het karakter van de kerk van Christus, die in strijd zijn met hetgeen dienaangaande door de belijdenis der Drie Formulieren wordt beleden. Dat raakt dus een cardinaal punt. Het conflict ligt tusschen wat de veronderstelde kerk, die hier aan het woord is, wordt geacht te denken en wat de reformatorische kerk als geloofswaarheid beleed.

Wij vragen alweer : Wat wordt hier verstaan onder de kerk en waardoor worden haar gedachten over het karakter van Christus' kerk bepaald ?

De vrees voor verandering niet van de belijdenisgeschriften, maar van de Gereformeerde belijdenis, schijnt naar deze voorstelling toch niet zoo ongegrond. En de houding der Gereformeerde richting kan dus ook anders worden verklaard dan uit vrees voor verdrukking.

„Deze vrees om zelf in de verdrukking te komen is bij „de Gereformeerde richting" even groot geweest als bij de vrijzinnige richting", verklaart Ds W. (blz. 126). Over het meer of min gegronde van deze vraag, wenscht de schrijver niet te handelen. Het doet z.i. niets ter zake en volgens zijn oordeel had men om deze mogelijkheid niet tegen het ontwerp mogen stemmen. Deze werkelijkheid zou te verkiezen zijn boven de huidige onbeslistheid en willekeur, (blz. 126)

De huidige onbeslistheid en willekeur moet verdwijnen, desnoods met veroordeeling van waarheden der gereformeerde belijdenis, omdat die in strijd zijn met het karakter van Christus' kerk, zooals daarover gedacht wordt. Door wie eigenlijk ?

Breekt deze redeneering niet radicaal met het zoo hardnekkig verdedigde standpunt van de Hervormde (tusschen haakjes „Gereformeerde") kerk, welk standpunt o.a. steunpilaren vindt in de historie en de historische belijdenis, het als een sprookje afgewezen „in de safe'' ? Het zou op zich zelf een minder gezochte verklaring geven van de houding tegen het reorganisatieontwerp aanenomen, als men op dit jarenlang verdedigde standpunt wees. En als er eenige wezenlijke grond voor zulk een verdediging is, is de afstemming van het ontwerp door de Gereformeerde richting rechtstreeks consequent. Dit heeft op zich zelf met doopersche dwalingen niets te maken en kan ook oprecht gespeend zijn aan wat partijgeest wordt genoemd.

Ten slotte geeft Ds W. nog eenige toelichting van zijn oordeel. „Niemand, die met heel zijn hart uit de oude belijdenisschriften der kerk (lees : uit de oude belijdenis der kerk, S.) leeft, zou dan nog achterblijven en allen zouden worden saamgedreven, die deze belijdenis liefhebben", (blz. 126). Hier komt de gewraakte modus-videndi voor den dag ! Een modus-vivendi ? Zal zoo iets dan nog mogelijk zijn ? Indien het zoover zou gekomen zijn, zou men daarvan in den gangbaar geworden zin niet meer kunnen spreken. Een opeengedreven worden der gereformeerden wegens het officieel veroordeeld zijn van waarheden der Gereformeerde belijdenis, staat gelijk met doleantie of gedwongen afscheiding. Men zou ook kunnen denken aan een Hervormd-gereformeerde of om dit eigenaardig pleonasme te ontgaan, aan een Hersteld-gereformeerde kerk.  Wanneer wij nog eens lezen, dat het volgens Ds W. duidelijk is, dat bij het aannemen van het reorganisatie-ontwerp niet kon verwacht worden, dat de kerk als norm de Drie Formulieren van Eenigheid zou aanvaarden, en daarbij aan bet slot vernemen, dat aanneming van het ontwerp eisch en plicht van den Christen, in het bijzonder van den Christen van Gereformeerde belijdenis was, heeft dit allen schijn van het drijven naar een geforceerde oplossing in de richting van een afscheiding dergenen, die de belijdenis der Drie For­mulieren liefhebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Mogelijkheden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's