De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

11 minuten leestijd

Hoofdstuk I.

Na het opschrift kondigt Zefanja zonder eenige nadere inleiding een algemeen gericht aan. De profeet valt dus met de deur in huis en de rede is hard.

De Heere zal opstaan tot den strijd; Hij zal zijn haters wijd en zijd, verjaagd, verstrooid doen zuchten. De zweer is rijp geworden en nu gaat de Heere zijn machtige arm ontblooten, en wie zal aan die hand ontkomen ? Wie kent de sterkte Uws toorns en Uwer verbolgenheid, naardat Gij te vreezen zijt ? Er komt een moment, waarop de Heere gaat afrekenen, en dan zal de wereld tot in haar diepten geschokt worden en zelfs de fundamenten zullen worden bewogen. Als de Heere komt, dan siddert de mensch en dan beeft ook de aarde. Zooals een wervelwind, die alles samenraapt en wegraapt, zóó komt de Heere. Niets zal ontkomen en niets zal worden gespaard. Wegrapen zal Ik alles van den aardbodem O, wegrapen zal Ik menschen en beesten ; wegrapen zal Ik de vogelen des hemels en de visschen der zee (vs. 2). De gansche kosmos lijdt onder het vuur van Gods toorn ; mensch noch beest wordt gespaard. Het is als een aankondiging van een nieuwe zondvloed, waarbij alle creatuur de vloek Gods ervaart. Ook bij de andere profeten hooren we van de vreeselijke uitwerking van Gods toorn in de natuur. Zoo van Jeremia (h. 4 vs 23) : ik zag naar de aarde — zij was woest en ledig ; naar den hemel — zijn licht was er niet; ik zag naar de bergen en zie, zij beefden en alle heuvelen schudden; ik zag en zie, daar was geen mensch en alle de vogelen des hemels waren weggevlucht; ik zag en zie, het vruchtbare land was een woestijn en alle zijn steden waren verwoest, vanwege den Heere, vanwege de hittigheid zijns toorns. Want zoo zegt de Heere: Dit gansche land zal een woestheid zijn. Of denk aan wat Hozea zegt: Daarom zal het land treuren en een iegelijk, die daarin woont, wegkwijnen met het gedierte des velds en met het gevogelte des hemels, ja, ook de visschen der zee zullen worden weggeraapt. (h. 4 vs 3). Hoe komt het toch, dat God de onschuldige beesten niet spaart ? Een zoon zal toch ook niet lijden om de ongerechtigheid des vaders ? (Ez. 18 vs 20) ? Hierop antwoordt Calvijn door op twee dingen te wijzen : In de eerste plaats past het ons niet wijs te zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn: Gods oordeelen zijn een groote afgrond. En Calvijn heeft gelijk : Zal een nietig schepsel God kunnen narekenen ? Blijft niet verstommen en aanbidden het eenige wat over blijft bij de aanschouwing van de aangrijpende oordeelen des Allerhoogsten ? Wie zal zich vermeten om te zeggen : Wat doet gij ? Zijn doen is rein. Zijn vonnis gansch rechtvaardig. „Vervolgens past het ons ook er aan vast te houden, dat zooals de beesten geschapen zijn ten nutte van den mensch, zij ook een gemeenschappelijk lot met den mensch ondergaan. God heeft alle dingen den mensch onderworpen. (Ps. 8) en dan is het niet te verwonderen, dat diens veroordeeling ook den beesten raakt. Derhalve dragen zon en maan, alle ster­ren, ook alle dieren, de aarde zelve en geheel de wereld, de teekenen van de toorn Gods, niet omdat zij die door hun zonde over zich ingeroepen hebben, maar omdat de geheele wereld met den mensch ingewikkeld is in den vloek Gods". ') Zoo zoekt Gods Woord den genisten zondaar wakker te schudden, opdat hij zijn zonde zie. Meent gij dan te ontkomen als Gods toorn tegen de arme beesten ontbranden zal? — Maar als de mensch in zijn val de natuur meesleept, dan zal ook de verlossing voor gansch de schepping heil en jubel beteekenen. Als door de zonde het paradijs een wildernis wordt, dan zal door het wonder van de verlossing de wildernis bloeien als een roos : de boomen des velds zullen de handen samenklappen (Jes. 55 vs 12). De zegeningen van Gods genade zullen ook het land ten goede komen; zie b.v. Hozea 2 vs 20 : Zoo verwacht het schepsel met opgestoken hoofde (d.i. met reikhalzend verlangen) de openbaring der kinderen Gods. (kom. 8 vs 19 v.) ')

Verwacht niet, dat de profeet in zijn aangrijpende oordeelsaankondiging Juda en Jerusalem voorbijgaat. Als de profeet van het algemeene naar het bijzondere voortschrijdt, dan is eerst Juda en Jerusalem aan de beurt. Daar vallen de eerste klappen. Zie, in de stad, die naar mijn naam genoemd is, begin ik te plagen. En als het oordeel begint bij het huis Gods en de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal dan de goddelooze en zondaar verschijnen ?

En Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jerusalem (vs 4). De Heere zal zijn hand uitstrekken ; deze uitdrukking vinden we ook elders, b.v. Jes 5 vs 25, om aan te duiden het opheffen van de hand tot het toebrengen van een slag. ') De hand des Heeren zal niet beschermend over de stad, die naar Zijn naam genoemd is, worden uitgebreid, noch ook zal Zijn hand zegenend over Jerusalem zijn. In de uitgestrekte hand houdt de Heere geen schild om Juda te dekken, maar een zwaard om het te treffen. Geen veiligheid wordt toegezegd, noch vrede gewaarborgd, maar vernietiging en verderf aangekondigd als een verwoesting van den Almachtige. Aan Israël, als het volk der verkiezing, is zooveel gegeven; in zoovele voorrechten heeft het gedeeld ; daarom zal ook van dat volk zooveel worden gevraagd. Nooit is een volk zoo bezocht als het volk van Israël, omdat het geheim van de verkiezing op dat volk rustte. Ik denk aan Amos, die het volk van Israël van zijn eigengemaakte troon werpt : „Verkiezing beteekent niet een hoogste maat van aanspraken, maar van verantwoordelijkheid Luc. 12 vs 48), het gericht komt niet ondanks, maar juist vanwege de verkiezing (Am. 3 vs 2) ') Ook toen het rijk van Efraïm werd weggevaagd en Samaria werd verwoest, heeft men in Juda en Jerusalem nog de gedachte gekoesterd : Och, het zal onze deur nog wel voorbijgaan. Juda heeft zijn ziel gerechtvaardigd, maar zich niet bekeerd.

En ik zal uit deze plaatst uitroeien het overblijfsel van Baal en den naam der Kemarim met de priesters. Uit deze plaats, deze uitdrukking kan wel zien op den tempel ; dan zou de profeet dus eerst Juda noemen, dan het middelpunt van Juda, Jerusalem, en dan het middelpunt van Jerusalem, de tempel. Zoo gaat de profeet dan van den buitensten omtrek tot het centrum van het land, tot het heiligdom. ') Maar ook de andere opvatting, dat ,,uit deze plaats" ziet op het gansche land, is niet onmogelijk. ')

Ongetwijfeld moeten we bij den Baal niet slechts denken aan de afgodendienst, die door Achab en Izebel aan Israël werd opgedrongen. Er waren vele Baals, die onder verschillende namen werden aangeroepen en op de hoogten werden gediend. Als Jeremia spreekt over de zonde in.het dal van Hinnom, dian duidt hij Milkom, aan wie men menschenoffer brengt, aan als Baal; want zij hebben de hoogten Baals gebouwd om hunne zonen met vuur te verbranden, den Baal tot brandofferen (Jer. 19 vs 5). Maar ook in de dienst des Heeren waren practijken ingeslopen, die aan den Baalsdienst waren ontleend ; ongeschonden is deze dienst niet bewaard en zoo aarzelen de profeten niet zulk een verbasterden dienst als een Baalsdienst te brandmerken (b.v. Hozea) ').

Het overblijfsel van Baal zal verdwijnen. Hieruit behoeven we nog niet de conclusie te trekken, dat het grootste deel van de Baalsdienst reeds door de hervorming van Josia was uitgeroeid. De hervorming van Josia heeft slechts weinig verandering ten goede uitgewerkt; ook uit het vervolg van Juda's geschiedenis blijkt wel hoe weinig de godsvrucht leefde in het volk, want in welk een korten tijd werd het levenswerk van Josia na diens dood weer te niet gedaan. „Ook al zag Josia, dat hij weinig of niets vorderde, hij gaf de moed niet op, maar volhardde in de loopbaan. Als de hoop op succes ons toelacht, dan overwinnen we gemakkelijk alle moeilijkheden, bij welk een zware taak ook. Maar wanneer we zien, dat we tevergeefs ons inspannen, dan verliezen we de moed. Nu was de hardnekkigheid van het volk openbaar en als hij zoo weinig vooruitgang zag tijdens zijn regeering, wat kon Josia dan hopen, dat er na zijn dood zoude geschieden ? Op welke wijze ook de wereld ons door haar ondankbaarheid de weg afsluit en Satan ons tracht neer te werpen, men ga standvastig voort om zijn roeping te volbrengen". ')

Toch zal Baal tot de laatste rest worden weggedaan en zal Gods zaak het winnen. Ook de naam van de afgodspriesters, hier Kemarim genoemd, zal vergaan met de priesters. Van deze Kemarim lezen we eveneens in Hozea (10 vs 5), daar in verband met het kalf van Beth-Aven en ook in 2 Kon. 23 vs 5, n.l. hoe Josia de Kemarim afschafte, die de koningen van Juda gesteld hadden om te rooken op de hoogten in de steden van Juda en rondom Jerusalem.

Een moeilijkheid voor de verklaring blijft het laatste: met de priesters. Sommigen willen het zoo opvatten : Ik zal de naam van de Kemarim onder de priesters uitroeien ; dan zou dus een reiniging van den priesterstand in uitzicht worden gesteld. ') Dat is inderdaad mogelijk, al blijft de constructie moeilijk. De Kantteekening van de Statenbijbel denkt aan de priesters, die zich met afgoderij hebben bezoedeld en ontheihgd hadden in den gemeenen afval. Zoo komt dan het oordeel over de afgodspriesters, maar ook de priesters des Heeren gaan wij niet vrij uit. (Zie ook h. 3 vs 4) ' )

Het beeld, dat de profeet ons teekent van de dienst des Heeren, is erg donker. Assyrië gaf de toon aan en had de leiding en deze Assyrische opperhoogheid moest wel erkend worden en zoo kwamen Assyrische gewoonten en gebruiken en voor alles Assyrische goden in Juda. Manasse had het maar het beste gevonden, toen het getij was verloopen de bakens te verzetten. Och, men wilde den dienst des Heeren niet afschaffen ; die gedachte wees men vol verontwaardiging met een groot gebaar van zich. Ook Achab gaf aan zijn zoons namen, waarin Gods naam genoemd werd (Ahazia, Joram, Atalia), maar innerlijk was hij aan de dienst des Heeren vreemd en in de afgoderij is hij op een verschrikkelijke wijze aan het volk voorgegaan. Zoude de Heere over zooveel dubbelhartigheid geen bezoeking doen ?


1) De Statenvertaling heeft : Ik zal wegrapen uit dit land en denkt blijkens de kantteekening aan Juda en Jerusalem. Evenwel wijst de hier gebruikte uitdrukking meer op de geheele aarde (zie b.v. Gen. 6 vs 7, 4).

2) Calvijn, Praelectiones in Sophoniam.

3) Een moeilijkheid voor vertaling en verklaring geven de woorden : — en de ergernissen met de goddeloozen. Verschillende gronden, niet het minst het parallelisme, pleiten voor een kleine tekstwijziging. Zoo vertaalt Prof. Ridderbos, (in Kleine Pro­feten III, pag. 185) : wegrukken zai ik mensch en dier, wegrukken het gevogelte des hemels en de visschen der zee, en ik zal de goddeloozen doen struikelen, en de menschen uitroeien van den aardbodem. Zoo verloopt inderdaad de zin regelmatig. Ook Nowack in zijn commentaar KI. Propheten, s 293 acht dit het waarschijnlijkst. Ook van Hoonamker, Les douze petits prephètes, p 508. Alleen: deze tekst wordt aangehaald in Matth. 13 vs 41, in den vorm, zooals hij voor ons ligt : De zoon des menschen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn koninkrijk vergaderen alle de ergernissen en degenen, die ongerechtigheid doen. Prof. v. Leeuwen vertaalt in T. en U., Matth : het woord ergernissen met : alle verleiders ; de nieuwe vertaling van het N. B. G. : al wat ten val brengt. Bauer, Wörterbuch zum N. Testament, 3te Aufl., Spl 255 na er op gewezen te hebben, dat we in Mt. 13 vs 41 een citaat uit Zepf. hebben, vertaalt : alles wat aanstoot geeft, waarbij hij echter de mogelijkheid openlaat, dat met ergernissen personen bedoeld zijn (zie Matth. 16 vs 23). In dien zin zullen we Zefanja's woord hebben te verstaan, waarbij tekstwijziging achterwege blijft.

4) Om dit alles keert zijn toorn zieh niet af, maar zijn hand is nog uitgestrekt. Dit laatste bedoelt niet te zeggen, dat de hand des Heeren zegenend of noodigend is uitgestrekt, maar dreigend opgeheven, klaar voor het toebrengen van een nieuwe slag, omdat de gerichten Gods het volk geen gerechtigheid hebben geleerd.

5) Volz, Prophetengestalten, s. 153.

6) Zoo o.a. Snijman p. 55 a.w.

7)  Lippl, Der Prophet Sophonias s 76 herinnert aan Jer. 7 vs 3, waar het gansche land bedoeld wordt.

8) Calvijn, Praelectiones in Sophoniam, a.l.

9) V. Hoonacker, 1.1., p 510. Anderen volgen hem hierin.

10) Dr Smit, KI. Profeten III, p 69, wijst hierop : Met hen verdwijnende wettige, officieele Jahwepriesters, die volgens h. 3 vs 4 het heilige ontwijden en de wet verkrachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's