Uit de kerkelijke Pers
Herleefde belangstelling voor de kerk.--Kerkelijk besef.-
Herleefde belangstelling voor de kerk.
In een in 1915 bij Kok uitgegeven boek over het leerstuk der Kerk naar de Gereformeerde beginselen, geschreven door Ds J. J. Knap Czn., wijst de auteur op de herleefde belangstelling in dien tijd voor de Kerk. De diepliggende oorzaken hiervoor worden aangegeven. In hoofdzaak zou deze herleefde belangstelling te danken zijn aan het gewijzigde inzicht ten aanzien van de vroeger al te zeer verwaarloosde religieuse belangen. Langen tijd vierde de materiahstische levensbeschouwing hare triomfen. Toen begonnen echter de geestelijke behoeften weer op te leven. Een blijvend rustpunt voor het hart is nu eenmaal niet te vinden in het louter zienlijke en tastbare. Wel was er bedwelming door de successen der natuurwetenschap en er werd genoten van de levensverrijking, die door de practische toepassing der nieuwe ontdekkingen werd teweeggebracht, maar ten laatste kwam er toch ontwaking uit de geestelijke verdooving. Het zwijgen, dat aan de diepste vragen des harten opgelegd was, werd eerst schuchter, maar daarna beslister gebroken. Het smadelijke juk van het materialisme werd met forschen ruk van de schouders geworpen. En toen kwam het zoeken naar de werkelijkheden van een onzienlijke wereld, die men te lang had verwaarloosd en soms zelfs hooghartig versmaad. Vanzelf voerde dit zoeken op allerlei doolpaden. Men kwam terecht bij spiritisme, theosofie, waarzeggerij. Maar óók werd een vragend oog naar de zijde der Kerk geworpen. Deze werd een voorwerp van discussie in woord en geschrift. Wie op zuivere toestanden prijs stelt, mag de strijd op dit terrein niet mijden. De overtuiging moet worden versterkt, dat de Kerk ook voor onzen tijd een hooge roeping te vervullen heeft.
Bij alle verschil in tijd tusschen 1915 en nu, is er toch ook wel groote overeenkomst te bespeuren. Evenals toen, leven, wij ook thans in geweldige dagen, te midden van bloed en vuur en rookdamp. Toen werd aan de schoone droom van den mensch, die het steeds verder brengen zou, wreed een einde gemaakt en thans zijn zoovele zekerheden, waarop we al aardig vastzaten, verbroken of aan 't wankelen. Vandaar dat er ook nu behoefte gevoeld wordt aan iets of iemand, die vast, onwankelbaar is, waarmee we kunnen leven en sterven. En ook thans is weer sterker dan voorheen ontwaakt de gedachte aan de Kerk. Wat heeft die thans te zeggen? Welke boodschap heeft die te brengen? Ook in de Kerk zelf is de vraag naar boven gekomen: Zijn we waarlijk Kerk, leven we als Kerk, dragen we als Kerk de boodschap uit, die God behaagt.
Er is gekomen wat men dan noemt meer
Kerkelijk besef-
In het Gereformeerd Weekblad : Belijden en Beleven, schrijft Prof. Grosheide over „Kerkelijk besef' een artikel. Hij vraagt daarbij voor het volgende de aandacht. Een opleving van het kerkelijk besef viel er reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den oorlog waar te nemen. Door den oorlog en al wat daarmee samenhangt, is dit — als we ons niet vergissen — zeker niet achteruitgegaan. Verschillende oorzaken worden voor deze opleving aangegeven In de eerste plaats wordt deze opleving gezien als een reactieverschijnsel. De eerste jaren van deze eeuw en de laatste van de vorige was de Kerk op de achtergrond gekomen. Door allerlei oorzaken had de Kerk niet de plaats, waarop zij recht had, Aan het Christelijk vereenigingsleven, aan allerlei Christelijke actie werd veel meer beteekenis toegekend dan aan de Kerk. Het gevoelen van de menschen in dien tijd werd door de volgende leuzen weergegeven : Het Christendom vereenigt, maar de Kerk verdeelt; de Kerk er buiten. Zoo kon dit echter niet blijven. De Kerk is toch een goddelijke instelling, door Christus gegrondvest en aan haar kan niemand voorbijgaan. In den laatsten tijd heeft dan ook de Kerk „haar rechten hernomen. De theologie rekent weer met de Kerk, ook het leven, „al is het dan soms om te zeggen, dat zij niets beteekent".
Als tweede oorzaak wijst Prof. Gr. op de oecumenische beweging. Inderdaad bestaan heel wat bezwaren tegen die beweging in den vorm, waarin zij werkt. Maar het blijft een feit, dat in haar kerken wenschen samen te werken. Kerken, die elkaar te voren alleen maar kenden om elkaar te bestrijden. Deze komen daar samen en werken daar samen. Bovendien is er behalve deze oecumenische beweging nog héél wat officieel en officieus kerkelijk overleg. Hierin wordt dan op zichzelf iets verblijdends gezien. Als we naar Gods Woord begeeren te leven, is het verblijdend als aan het stuk der Kerk die aandacht geschonken wordt, die het naar de Schrift moet hebben. Hiernaast wordt echter gewezen op gevaren, welke hier zijn ontstaan. In de eerste plaats wordt genoemd het gebrek aan helderheid en het elkander niet meer verstaan.
Vroeger werd ook gesproken over kerkelijk besef. Maar daarmee werd dan bedoeld het meeleven met de Kerk. Als iemand kerkelijk besef had, dan beteekende dit dat zoo iemand wist, dat hij lid van de Kerk moest zijn en waarom hij lid van die bepaalde Kerk moest zijn. 't Is dan maar niet eens luisteren naar een preek hier of een toespraak daar, maar dan wordt geloofd, dat God ons verplicht bij een bepaalde Kerk te hooren en daar, in die kerk te luisteren naar de prediking van het Woord en de sacramenten te gebruiken. Omdat hij bezwaren heeft tegen die andere kerken, wil hij tot haar niet behooren. Een tegenstelling tusschen Kerk en Evangelie mag niet worden gemaakt. Kerk en Evangelie behooren bij elkaar. Dat zegt de man met kerkelijk besef.
Prof. Gr. wijst er op, dat in onze dagen een ander soort kerkelijk besef is ontstaan. Een kerkelijk besef van heel andere gedaante. Men is n.l. gaan onderscheiden tusschen persoonlijk of gemeenschappelijk spreken en handelen en kerkelijk spreken en handelen. Er wordt op aangedrongen, dat de Kerk zal spreken en zal handelen gelijk het de Kerk betaamt en dat er in de Kerk zal leven kerkelijk besef.
Nu kan gevraagd worden : wat kan daartegen zijn ? Om te beginnen kan de opmerking gemaakt worden: er is niets tegen, er is zelfs veel voor. De Kerk van Christus moet zich als zoodanig openbaren en gedragen. Het is erg genoeg, dat de Kerk dit zoo vaak heeft vergeten.
De bezwaren komen echter, wanneer men gaat zien hoe deze dingen worden toegepast of hoe men ze wil toepassen. Een bepaalde wijze van spreken wordt dan voor kerkelijk spreken verklaard, b.v. zooals in onze dagen de Zwitsersche godgeleerde Barth spreekt. En een bepaalde wijze van optreden wordt voor kerkelijk handelen verklaard. Als men het nu ook zoo doet en zoo wil, dan heeft men kerkelijk besef, en anders niet. Zoo moet het nu niet. De vraag, hoe en waar de Kerk spreekt, is nog niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. In haar belijdenisschriften spreekt de Kerk, kan men zeggen. En dat is juist. Maar wat b.v. in de bediening van Woord en Sacramenten geschiedt, is van meer belang dan wat op de kerkelijke vergaderingen gebeurt. De Kerk spreekt, wanneer naar Schrift en belijdenis in de prediking den geloovigen gepredikt wordt dat ze de zaligheid zullen beërven en den goddeloozen, dat ze verloren zullen gaan. Dat wil echter weer niet zeggen, dat telkens de Kerk spreekt wanneer een wettig geroepen predikant van den kansel spreekt, want dan wordt vergeten dat van den preekstoel vaak ernstige dwalingen zijn en worden verkondigd.
Deze kwestie is nog niet zoo eenvoudig. Het volgende is echter wèl eenvoudig. Een eigen woord heeft de Kerk niet. Aan de Kerk is het Woord Gods toebetrouwd. Zij verstaan alleen haar taak, als zij het Woord Gods brengt. Dan alleen is er kerkelijk spreken, als het Woord Gods wordt gehoord en niet als de meening van dezen of genen theoloog of het gevoelen van een vroom Christen naar voren wordt gebracht.
Met het kerkelijk handelen is het ook zoo. Van kerkelijk handelen kan alleen gesproken worden als de Kerk haar taak vervult naar de opdracht, die haar in het Woord des Heeren is gegeven.
Laat men nu niet zeggen, dat er dan wel verschil kan zijn over de vraag of een woord, een daad, wel naar de Schrift is. Want in den regel zal dit verschil alleen de kleinigheden betreffen. Tenslotte treedt ketterij altijd aan den dag. En ook het handelen, dat in strijd is met de Schrift.
Met verheuging over het ontwaakt kerkelijk besef, voelt Prof. Gr. zich echter gedrongen te zeggen, dat alleen dat besef kerkelijk besef mag worden genoemd, dat bereid is zich in alles ten volle te onderwerpen aan het Woord Gods.
Ook wij hebben ons rekenschap te geven van het opnieuw ontwaakt kerkelijk besef. Van de drang, die van meer dan één zijde opkomt, dat de Kerk toch spreke, toch handele. En met name wordt dan gezegd : dat de Hervormde Kerk dan toch spreke en handele. Nu behoeven we niet in den breede uit te weiden over de toestanden, zooals deze bij ons in de Kerk worden aangetroffen. Maar een ieder kan weten dat er in de Hervormde Kerk inderdaad verschil is over de vraag of een woord, een daad, naar de Schrift is. En dat betreft helaas in den regel niet alleen kleinigheden, maar dat betreft ook de hoofdzaken, dat betreft de Schrift zélf. Vandaar meene niemand dat we wel zóó uit deze verwarring uit zijn. Dat de zaak wel gezond is door maar even te zeggen dat het moet gaan naar de belijdenis. De groote vraag is juist: langs welken weg zullen wij daartoe geraken.
Om te beginnen zullen we dan maar, op de voorgrond stellen dat er al heel weinig besef is — bij alle opwaking van kerkelijk besef — van wat het wezen der Kerk is, en van wat de Kerk daarom behoort te zijn in het midden der wereld. Daarmee hangt samen het feit, dat men zich geen of veel te weinig rekenschap geeft van de vraag, hoe men zelf in de Kerk verkeert.
De kennis der belijdenisgeschriften op dit punt blijkt ontstellend klein te zijn. En toch zal dit in het middelpunt moeten komen, wat Kerk-zijn beteekent, om vandaar uit in de Kerk en daarbuiten te arbeiden naar het Woord Gods. Want dan komen alle belijdenisvragen aan de orde. Dan gaat het niet om beuzelingen en persoonlijke gevoeligheden, maar dan gaat het om de hoofdstukken der leer, om levensvragen, om de hartader. We kunnen daarbij instemmen met wat Dr P. J. Kromsigt schrijft in „Grondslag en wezen der Kerk", blz. 82, „De Kerk toch is, naar het schoone woord van den apostel, „het lichaam van Christus". En juist omdat zij dus een organisme is van de hoogste orde is het beschrijven van het wezen der Kerk geen zaak van louter verstandelijke, min of meer abstracte deductie, maar het eischt van ons een diep indringen in allerlei geestelijke levensvragen en verhoudingen, waar bij alleen de Schrift zelf met haar rijke veelzijdigheid ons den weg kan wijzen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's