UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Het doel der Wet. Vers 19—29
Hoofdstuk III.
Het doel der Wet. Vers 19—29. (IX)
Is dan de Wet tegen de beloftenissen Gods ? Dat zij verre; want indien er een Wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zoo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de Wet zijn. Vers 21.
Boven, in vers 14, heeft Paulus gezegd, dat de Wet niet rechtvaardigt.
Zullen we dus de Wet maar opruimen ?
Antwoord : stellig niet; want ze heeft toch wel degelijk nut.
Welk nut heeft de Wet dan ?
Antwoord: zij brengt den mensch tot zelfkennis, toont hem zijn zonden, en doet die in aantal toenemen.
Er dringt zich hier een andere vraag op.
Wanneer de Wet den mensch eer slechter, dan beter maakt, door hem zijn zonden voor oogen te stellen, — is zij dan niet in strijd met de beloften Gods, en heeft het er niet den schijn van, dat God door de Wet als het ware getergd en beleedigd wordt, waardoor Hij zou verhinderd worden om de door Hem geschonken beloften te houden en na te komen ?
De Joden denken dit juist niet; zij meenen namelijk, dat God, bewogen door het feit, dat wij door de Wet binnen een bepaalde uitwendige tucht gehouden worden, de vervulling der beloften verhaastte, terwijl zij het er verder voor houden, dat de mensch door de onderhouding der Wet de beloften verdient.
Maar Paulus antwoordt hierop : daar is het ver vandaan. Het tegenovergestelde is veeleer het geval. Ziende op de Wet, wordt de voortgang der beloften gestuit. Want de mensch van nature beleedigt God, die beloften doet, en wij willen Gods Wet, die heilig is en goed, niet aanhooren. De menschelijke wijsheid toch zegt : „Laat de Heere vooral niet met ons spreken".
Zou dus God Zijn beloften houden jegens menschen, die Zijn Wet en tucht niet alleen niet aannemen, maar die bovendien nog hartgrondig haten en ontvlieden ?
Hier komt dus de vraag aan de orde, waarover ik al sprak: lijkt het niet, alsof de Wet een verhindering is voor het in vervulling gaan van Gods beloften ?
Deze vraag houdt den apostel terloops bezig, en hij antwoordt er op: „Dat zij verre!''
Waarom is een en ander niet het geval ?
Ten eerste, omdat God Zijn beloften niet geeft op grond van onze waardigheid, verdiensten of goede werken, doch louter wegens Zijn onuitputtelijke en eeuwige goedheid en barmhartigheid.
God zeide niet tot Abraham : omdat gij de Wet gehouden hebt, daarom zullen alle volkeren in u gezegend worden. Doch toen de vader der geloovigen nog niet besneden was, nog geen Wet had, en volgens Jozua 24 vers 2 nog een afgodendienaar kon genoemd worden, — toen zeide God tot hem : ga uit uw land ; Ik zal u beschermen; en in uw zaad zullen alle volken gezegend worden.
Deze beloften heeft God aan Abraham zonder eenig voorbehoud om niet toegezegd. De Heere heeft er geen voorwaarden aan verbonden ten opzichte van eigen werken of verdiensten.
Dit is een bizonder sterk argument tegenover de Joden, die meenen, dat de vervulling van Gods beloften vanwege de zonden vertraagd wordt.
God, zoo zegt Paulus, schort de vervulling van Zijn beloften niet op vanwege onze zonden. Ook bespoedigt Hij ze niet om onze eigen gerechtigheid en verdiensten. Noch het eene, noch het andere, neemt God in aanmerking. Hoewel wij dus door de Wet in zekeren zin slechter worden, en God meer gaan haten, — zoo laat Hij zich daardoor toch niet bewegen, de vervulling Zijner beloften uit te stellen, want ze zijn niet gegrond op onze waardigheid en gerechtigheid, doch louter en alleen op Gods goedheid en barmhartigheid.
Bijgevolg is het dan ook een verzinsel, wanneer de Joden beweren, dat de Messias niet komt, omdat onze zonden en ongerechtigheden Zijn komst belemmeren. Als of God om onze zonden onrechtvaardig wilde zijn, en om ónze leugens tot een leugenaar gemaakt wilde worden!
God blijft immer rechtvaardig en der waarheid getrouw, al zijn wij menschen zondaren en onrechtvaardige lieden. Gods waarheidslievendheid alleen is de oorzaak en de reden, waarom Hij Zijne beloften houdt en vervult.
Welnu dan: hoewel de Wet de zonde openbaart en doet toenemen, zoo strijdt zij toch niet tegen de beloften Gods. Zij bevordert die zelfs. Wanneer de Wet namelijk haar taak doet en het doel bereikt, waartoe zij gegeven werd, dan maakt zij den mensch deemoedig. Ook wekt zij in een mensch, die de Wet werkelijk zoekt te betrachten, een hartelijk verlangen op naar de genade Gods. Want eerst indien de mensch door de Wet zijn zonden en ongerechtigheden ontdekt en grooter ziet worden, constateert hij in werkelijkheid de goddeloosheid en vijandschap van het menschelijk gemoed tegen de Wet Gods en tegen den Auteur der Wet. Dan pas gevoelt een mensch, dat hij God, die zoo goed is, benevens Zijn heilige Wet niet alleen nier bemint, maar ook haat en lastert.
Een mensch moet tot de erkentenis komen, dat er niets goeds aan hem is; en wanneer hij door de Wet verslagen en tot deemoed gebracht is, komt hij tot de belijdenis, dat hij diep ellendig en veroordeeld is. Wanneer de Wet een mensch er toe gebracht heeft, van harte zijn .zonden in te zien, dan heeft zij haar taak vervuld. Dan is de tijd der Wet voorbij, en breekt de periode der genade aan. Dan kan ook het gezegende Zaad komen, ten einde de door de Wet verschrikte en verslagen zielen op te richten en te troosten door de verkondiging van het Evangelie.
Zoo kan men toch moeilijk de Wet strijdig achten met de beloften Gods ; want de belofte is nu eenmaal niet gefundeerd op de Wet, maar op dei waarheid Gods. En verder brengt de Wet, naar haar gunstigste zijde, den mensch tot verootmoediging en tevens bewerkt zij in 's menschen hart een verlangen naar de reddende hand des Middelaars, wiens genade en goedertierenheid zeer liefelijk zijn.
Er is een spreekwoord, dat zegt: wie het bittere niet gesmaakt heeft, weet niet hoe heerlijk het zoete is. Ook zegt men : honger is de beste kok.
En gelijk de dorre aarde smacht naar regen, zoo verwekt de Wet in het hart van een mensch, die door de Wet verschrikt is, een dorst naar Christus.
Voor verslagenen van geest is Christus wel heel liefelijk. Voor dezulken is Hij vreugde, troost en leven. En Hij lokt hen aldus : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Gaarne giet Christus Zijn Water op dorstig land. En den armen verkondigt Hij het Evangelie. Degenen, die door de Wet gekweld en gemarteld worden, schenkt Christus troost en dezulken maakt Hij zalig.
Daarom is de Wet niet strijdig met de beloften Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's