De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers

11 minuten leestijd

Belijdenis doen.--Het „ja" groot blijven zien.--Met mond en hart.

Belijdenis doen.

't Is te verstaan, dat in meer dan één blad de laatste weken aandacht is geschonken aan het „belijdenis doen". We naderen toch het Paaschfeest. En daarmee naderen we tevens het einde der belijdeniscatechisatie. Ouderen en jongeren hebben zich daar voorbereid om in het midden der gemeente den Naam des Heeren te belijden. Wat is het in het midden van de Kerk toch alles simpel. We zouden zoo zeggen : Wat verzinkt alles wat daar gebeurt in 't niet bij het geweldige, dat plaatsgrijpt op het wereldtooneel. 't Is bij de H. Doop zoo eenvoudig. Wat besprenkeling met water en de woorden van Christus, waarmee de doop wordt bediend, 't Is bij het H. Avondmaal zoo eenvoudig. Wat gebroken brood, wat wijn, op een tafel met het blanke laken, 't Is bij de prediking zoo eenvoudig. „Een menschje, uit het stof verrezen" verkondigt het Woord des Heeren. En bij het belijdenis doen is het alles al even eenvoudig. Een paar vragen. Een simpel „ja"-woord.

Eenvoudig — en toch zoo geweldig. Want èn in het Woord èn in het Sacrament wordt ons gewezen op het slachtoffer van Christus als op de eenige grond onzer zaligheid. Is dat niet geweldig ? Wij zijn verloren. Dat is onze positie van onszelf. Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. En nu hebben we van onszelf geen grond voor behoude­nis. Alles wat we daarvoor nog willen houden, wordt als volstrekt waardeloos terzijde geschoven. Maar één grond wordt ons geboden en gewezen: Christus, de Borg en Middelaar, Die aan het kruis uitriep „Het is volbracht" en die ten derden dage dood en hel bindt aan Zijn zegewagen. Is dat soms gering ? Van weinig beteekenis ? Dat is de verborgenheid der godzaligheid. En wil nu belijdenis des geloofs waarlijk belijdenis des geloofs zijn, dan gaat het toch zeker ook hierover en hierom. De belijder staat in het uur der belijdenis toch waarlijk niet met zijn prestatie in het midden der gemeente om daarmee eerbied en opzien af te dwingen. Integendeel, 't moet zijn het ja-woord uit een verbrijzeld hart, het ja-woord uit een vluchtend hart, want het moet zijn in het midden van de Kerk een belijden, dat wij midden in den dood liggen en al onze zaligheid zoeken buiten onszelven in den Heere Jezus Christus. Nu zijn over dit onderwerp al meerdere boekjes en brochures geschreven, artikelen geplaatst en lezingen gehouden. „Nieuws" is hierover dan ook niet meer te zeggen. Hoewel het voorkomt dat iemand soms het reeds bekende zoo kernachtig naar voren weet te brengen, dat het geheel nieuw lijkt. Uit wat de pers gaf, willen we een en ander onzen lezers voorleggen. Men ziet dan, hoe over deze aangelegenheid wordt gedacht.

In „Belijden en Beleven" (Gereformeerd) wijdt Ds W. A. Wiersinga een paar artikeltjes aan

Belijdenis doen en Avondmaalvieren.

Ds W. wijst er op, dat vele geloovigen onderscheid maakten en maken tusschen de vereischten om belijdenis des geloofs af te leggen, zijn kinderen te laten doopen èn om ten Avondmaal te komen. Dit heeft een historische achtergrond in de Kerkgeschiedenis der Zeven Provinciën.

„Na de reformatie was de belijdenis niet anders dan de toelating tot het Avondmaal. Het onderzoek werd ingesteld naar de vereischten, die onze Catechismus noemt om ten Avondmaal te komen. Soms schijnt dat onderzoek naar „de kennis en aanneming van de waarheden des geloofs met betrekking tot zichzelven" zelfs in het openbaar voor de gansche gemeente gehouden te zijn, waarbij dan aan het einde een vermaning volgde tot vrede, liefde en eendracht met alle menschen, en tot vredestichting, als zij met iemand iets mochten hebben". Gevaren kwamen er nu — aldus Ds W. — van twee zijden. De Kerk werd meer en meer de Kerk der groote menigte en bovendien trachtte de Staatsmacht invloed over de Kerk te verkrijgen. De Geref. Kerk in de Zeven Provinciën moest almeer de inmenging van de burgerlijke overheid in kerkelijke zaken dulden. Het is herhaaldelijk voorgekomen, dat de magistraatspersonen de handhaving der tucht door de kerkeraden in bepaalde gevallen trachtten te beletten. Van die zijde wilde men het persoonlijk onderzoek van hen, die zich tot belijdenis aanmeldden, liever niet doen geschieden. De Kerk moest dan tevreden zijn als de jonge leden „genoegzaam onderricht waren" en ,,geen openbare ergernis gaven". Allengs werd het in de 17e en 18e eeuw zoo, dat men allen maar toeliet tot de belijdenis en dus ook tot den doop der kinderen. De goede en godvreezende predikanten trachtten nu door gestrenge voorbereidingspredikaties af te schrikken, omdat zij in de practijk dikwijls zagen, dat vele van de belijdende leden der Kerk den Heere niet in oprechtheid dienden. Trouwens, de prediking bij de openbare geloofsbelijdenis ging almeer in dit teeken staan. Dit was de eenige weg om het Avondmaal des Heeren nog zuiver te houden eenigszins. Onder zulke toestanden spreekt het vanzelf, dat het H. Avondmaal hooger gesteld werd dan Doop en belijdenis. Toen de Kerk weer uit de banden der overheidsbemoeiingen was vrij geworden, waren deze gedachten waarlijk niet zoomaar weg. Daarom moet men deze meening altijd met begrip tegemoet treden en de historische achtergrond laten zien, om dan terug te grijpen naar de werkelijk oud-Gereformeerde gedachten van Calvijn in dezen. Terwijl de verkeerde gedachte, dat het Avondmaal veel meer is dan de Doop, tegengegaan kan worden door steeds weer te wijzen op de rijke beteekenis van den Doop. De verkeerde gedachten worden in de hand gewerkt door een te gemakkelijk voorstellen van de belijdenis des geloofs. Als de tucht verslapt en tegen onwaarachtigheid in deze dingen niet zoo streng mogelijk wordt gewaakt gaan sommige leden zèlf tucht-oefenen. Meestal zeer onchristelijk en op hun gevoel af, gauw klaar om te veroordeelen. De ambtsdragers staan hieraan dan ook schuldig ten deele. Ds W. stelt dan als eisch, dat streng moet worden toegezien bij het toelaten tot de geloofsbelijdenis. Het onderzoek naar de beweegredenen krijge naast dat naar de kennis het volle gewicht. „Reeds bij de eerste aanmelding tot het volgen der „belijdeniscatechisatie" worde er op gewezen dat het gaat om een belijden van wat men persoonlijk naar Gods Woord gelooft en begeert. En dat de eenige eisch is : oprecht geloof in den Heere Jezus Christus".

Het „ja" groot blijven zien.

Zoo wil Ds A. K. Straatsma het. Hij schrijft hierover in het Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom. Voor het uitspreken van het „ja''woord heeft de gemeente allerlei omschrijvingen, te hoog of te laag. Met „bevestiging tot lidmaten" weet Ds S. niet goed raad.

„Zich laten aannemen" laat Ds S. nooit passeeren. Deze omschrijving is veel te passief. Nu vindt de gemeente, dat wij deze plechtigheid niet te hoog moeten taxeeren. 't Is op zijn best een kerkelijke plechtigheid, waarvan de gemeente een beetje profiteert. Wat nieuwe namen in de lidmatenregisters, maar — duizenden en honderdduizenden bloesems worden nooit vruchten. Begin dus maar te denken dat deze bloesems nooit vruchten zullen worden. Nu hebben velen de openbare belijdenis aan de lage praktijk aangepast. De spanning is er uit genomen door te zeggen dat alleen maar nieuwe lidmaten tot de gemeente, de kerk (beide opzettelijk met kleine letter) toetreden. Dat is alles en dat is genoeg. Maar dit is, aldus Ds S., niet waar. Zoo degradeert men ook den Heiligen Doop. Bij de H. Doop is er toch minstens evenveel aanleiding om deze bij de lage praktijk aan te passen. Zie maar eens hoe het gaat bij een massa-kinderdoop in een groote stadsgemeente. Terwijl ze in het kerkboekje het opgegeven vers niet kunnen vinden, zeggen toch de ouders onverschrokken ja op de gestelde doopvragen. Toch wordt er gedoopt. De openbare belijdenis moet dan ook aanvaard worden met al de spanning van de lage aardsche en de hooge hemelsche werkelijkheid. Ds S. wijst er op, dat het voornaamste, wat er in de belijdenisvragen staat, een vraag naar de gezindheid is. 't Gaat niet om een belofte, maar om de begeerte, het voornemen „zijt gij des zins en willens". Dat is niet te hoog. De belijdenis wordt dan gezien door Ds S. als het aanvaarden van den eenmaal ontvangen doop. De verantwoordelijkheid gaat van de ouders over op den gedoopte zelf. „Ja" zeggen is verklaren : ik wil gedoopt zijn. Wat er nu van terecht komt, is niet onze zaak. Heel erg is het, wanneer de nieuwe lidmaten straks hun doopschatten met een nonchalant gebaar zullen neerleggen, zonder er ooit naar om te zien. Zijn de ouders wel getrouw geweest en deed de dominé zijn plicht ? De gemeente echter blijft de ernstige plicht houden dat „ja' groot te blijven zien. De verantwoordelijkheid gaat van de ouders over op den gedoopte  zelf. De gemeente heeft de plicht de nieuwe lidmaten met warme, biddende belangstelling te, ontvangen.

Met mond en hart.

Tenslotte wijzen we nog op wat door één der predikanten uit onzen kring over dit onderwerp is geschreven. Ds Kalf van Renswoude gaf een artikel over belijdenis des geloofs in De Kandelaar, het orgaan van onze Ned. Herv. Meisjesbond.

Ds K. begint met de namen „aannemen'' en „bevestiging" af te wijzen. Zij, die sinds hun geboorte in de Christelijke Kerk zijn ingelijfd en daarvan in den Doop het teeken ontvingen, behoeven toch zeker niet te worden aangenomen. Bovendien klinkt in aannemen iets door alsof de Kerkeraad een bestuur zou zijn van een vereeniging, dat na onderzoek zoo goed is enkele jonge menschen tot het lidmaatschap dier vereeniging toe te laten. En bevestigd wordt men alleen in een ambt. De goede uitdrukking is : afleggen of doen van openbare belijdenis des geloofs. De extra-belangstelling die hiervoor bestaat, is eigenlijk iets treurigs. In de gemeente van Christus moest het belijdenis doen iets normaals wezen. Niet, dat iemand het geloof uit zichzelf zoude hebben, maar de Heere heeft toch aan de Kerk Zijn Geest toegezegd, 't Ligt toch aan Hem niet, als er geen geloof is! Toch gaan wij hier vergoelijken en erger nog, theorieën uitvinden, die zich bij dezen toestand aanpassen. Men ging van de geloofsbelijdenis maken : belijdenis doen der waarheid. Met een historisch geloof kan men wel toe. Het, echte geloof komt later wel ..... als het komt.....  En terwijl men dan heusch wel weet dat dit absoluut niet in orde, ja ergerlijk is en voor de betrokkene een zware beschuldiging als hij niet meer heeft dan dit, gaat men van deze plechtigheid nog een groot vertoon maken. Hierdoor wordt men in ongeloovigheid gestijfd. Men schaamt zich niet weg voor God vanwege ongeloof, maar voelt zich vrij veilig en Iaat zekere rechten gelden in de kennis der waarheid en geestelijke zaken.

Zoo maken wij ons schuldig aan het doen inslapen der consciënties en van de zielen hebben wij ons niet vrij gemaakt omdat wij de ernstige eisch Gods hebben verzwegen. Gods eisch mogen we niet aanpassen aan onze traagheid van hart. Dat is eigenwillige godsdienst met als vruchten hardheid van hart, ongeestelijkheid en overgeestelijkheid en hooghartigheid. Het doen van belijdenis moet gezien worden als een daad des geloofs, waarbij wij met den mond belijden wat wij met het hart gelooven. Met mond en hart. De volle bloei behoeft er niet te zijn, maar het wezen des waren geloofs mag niet worden gemist. Dit is een eisch des Heeren, die ge niet kunt en niet moogt ontwijken. God duldt het niet, dat een historisch-geloovige is een wettige, rechtmatige plaats in Zijn Kerk wordt gegeven.

De Dordtsche Kerkorde sprak ook van dit belijdenis doen „opdat men zou toelaten tot het Avondmaal des Heeren hem, die naar de gewoonheid der Kerk, tot welke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vromen wandels.

Aan het oordeel van ouderlingen en predikanten werd veel overgelaten inzake de vereischte kennis. De hoofdinhoud der Gereformeerde leer moest worden gekend. Voor ieder H.- Avondmaal kon belijdenis gedaan worden. De gestelde vragen waren verschillend. Voor de leeftijd bestonden geen algemeene bepalingen. Meestal jonge menschen, zelfs kinderen van 12, 13 en 14 jaar. Dit lijkt Ds K. — en terecht — over 't algemeen veel te jong. Een kort formulier ontbreekt ons.

We hopen, dat het belijdenis doen in onze gemeenten met volle ernst mag worden overdacht en gezien, 't Gaat om iets eenvoudigs — ja — maar toch ook om iets groots. En lettende op de practijk, op het leven, ook het kerkelijk leven van velen die belijdenis aflegden, schijnt er toch nog wel oorzaak te zijn om niet alleen dankbare „belijdenispreeken" te houden, maar voorshands de ernstige, strenge vermaning niet te doen ontbreken. Vergeet Gods eischer niet. En vergeet ook niet dat God recht heeft u aan het „ja" woord te houden. Dat dringe tot het gebed om den toegezegden Heiligen Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's