De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zonde der kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zonde der kerk

7 minuten leestijd

Het zou niet moeilijk zijn breedvoerig te handelen over wat de kerk naar haar goddelijke roeping had behooren te doen en waarin zij in gebreke is gebleven. Toch komt het ons niet geheel juist voor van de zonde, (de schuld, de tekortkomingen enz.) der kerk te spreken. Het is te generaliseerend, te massaal, te weinig persoonlijk. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat de kerk als een zondebok wordt beladen met velerlei zonden, die ons zelf niet zouden raken.

Wie en wat is de kerk ?

Eenerzij ds verdient het aanbeveling om van de kerk te spreken en niet van onze kerk, opdat wij onze kerk en onze kerkelijke toestanden steeds meer leeren toetsen aan de roeping van Christus' kerk.

Wanneer 't echter over zonde en schuld der kerk gaat, moet men voorzichtig zijn. Want de kerk, Christus' kerk, gaat vrij uit. Zij is gewasschen in het bloed des Lams en geheiligd door Zijn Geest. Als wij haar zonde willen zoeiken, is zij er niet. Haar schuld is van haar weggedaan. Zij staat voor God zonder vlek en zonder rimpel.

In zooverre is er reeds dadelijk iets voor te zeggen niet van de zonde of de schuld der kerk, maar der kerken te spreken. Daarin wordt allereerst reeds de aandacht gevestigd op de veelheid van formaties en kerkelijke organisaties, op menschelijke inzettingen en ordeningen, die breken met de eenheid van Christus' lichaam, althans wat haar openbaring in de wereld aangaat.

Doch ook zoo wordt het gevaar niet overwonnen van een verschuiving of afschuiving op deze generaliseerende subjecten, zoodat het langs de personen heengaat.

De Heilige Schrift wijst ons den concreten weg. Zij gaat op de personen af. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Daarop moet het neerkomen, als men over de zonde der kerken spreekt. Wie dat doet, bedoelt dat ook. Immers de kerken worden geconfronteerd aan de roeping van Christus' kerk. Zij worden herinnerd aan haar taak en roeping, welke zij enkel en alleen aan de opdracht van Christus ontleenen. Alleen, indien zij deze voor oogen houden en in zooverre zij daaraan gehoorzamheid brengen, dragen zij den naam kerk terecht. Wie kerk zegt, zegt kerk van Christus. Wat is een kerk, die niet kerk van Christus is ?

Maar nu komen wij wederom terug op het reeds genoemde bezwaar. De kerk van Christus vervult haar roeping altijd. Zij is Christus' lichaam. Zij wordt door Zijn Woord en Geest geregeerd. Christus is haar Hoofd, die haar ook in stand houdt, beschermt en onderhoudt.

Spreekt men dan toch van de zonde der kerk, dan heeft men het over een vergadering of vergaderingen, die zich aandienen als kerk, maar in gebreke blijven te doen. wat der kerk is. De kerk zondigt niet, want zij is uit God geboren. Hoe is het dan mogelijk, dat men wakker geschud door den roep Gods tot bezinning en bekeering, toch van de zonde der kerk(en) spreekt ?

Kan een kerk tegelijkertijd de kerk, Christus' kerk, en ook niet de kerk zijn ? Staan wij hier voor de kwestie van daad en naam ?

Laat ons blijven bij de vergadering, die zich als kerk aandient. Men kan het er over eens zijn, dat zulk een vergadering geroepen en schuldig is zich als kerk van Christus te openbaren, Zijn Woord getrouw te bewaren. Zijn opdracht in gehoorzaamheid op te volgen, in het werk Zijner bediening te dienen. Doet zij dat niet, blijft zij in gebreke, dan staat zij schuldig voor God en de menschen en heeft Zijn oordeelen te wachten.

Wij komen langs dezen weg wat nader bij. Een vergadering, die zich als kerk aandient. Dat is een vergadering van menschen. Dat zijn wij en onze vaderen, die van de kerk zijn en waren, die bij de kerk behooren en behoorden.

Wij, die bij de kerk behooren Daar is een verborgenheid in. Want, hoe komt het dat wij, evenals onze vaderen, bij de kerk behooren ?

Wij hebben ons bij haar gevoegd, omdat wij niet anders konden. Of — wij waren door geboorte bij de kerk.

Daarin schuilt de verborgenheid. Wij en onze vaderen zijn bij de kerk gezet, wij zijn daarbij gezet van Godswege, omdat God het zoo heeft beschikt.

En nu raakt het aan ons en onze vaderen, als er gesproken wordt van den afval, van ontrouw in het benaarstigen van de roeping. De kerk zóó — in ons daarbij gezet zijn — bleef in gebreke. Dat is : wij en onze vaderen hebben veronachtzaamd de heilige roeping, waartoe God ons heeft geordineerd. Nu wordt het een persoonlijke zaak, welke een iegelijk, de bij de kerk is, zich heeft aan te trekken, en welke ook allen treft, die bij welke kerkformatie ook behooren.

Wij hebben telkens weer op het sacrament van den Doop gewezen, inzonderheid in verband met de belijdenis en de geestelijke tucht.

Hier vindt men onmiddellijk een concrete toepassing. Wij en onze vaderen, degenen, die door Gods beschikking bij de kerk zijn gezet, zij die geroepen zijn. om Zijn Woord te bewaren — ziet, hoe zij allen zijn geteekend met het teeken van den Christelijken Doop.

De zonde der kerk — is de zonde van degenen, die alzoo als lidmaten van Christus' gemeente zijn onderscheiden en nochtans zijn opdracht hebben verzaakt. Zijn Woord hebben veracht en gebroken hebben met het pand, hun toebetrouwd. De verborgenheid, waarop wij wezen, hebben zij niet geacht. Zij zijn tezamen afgedwaald van de roeping Gods. Dit treft inzonderheid degenen, die tot leidslieden en herders waren gesteld, terwijl zij naar het goeddunken huns harten over de kudde des Heeren hebben geheerscht. Doch niet alleen hen. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Dat is de belijdenis, waartoe het verworden en verscheurde leven der kerken moet uitdrijven.

Het raakt niet een of andere kerk alleen, zelfs niet in meerdere of mindere mate. Van zulk een eigengerechtigheid weten Gods profeten niet. Zij sluiten zich zelf bij het volk in : „Wij en onze vaderen". Zoo gaat het toch weer om de zonde der kerk, om de kerk in den omvattenden zin der verborgenheid van het bij de kerk vergaderd zijn, om het gansche volk, dat in het Verbond begrepen en daarom tot gehoorzaamheid geroepen is. Dat volk is door den band van het Sacrament gebonden. Het overschrijdt de grenzen van een enkele kerkformatie. Het is de door den Doop geteekende kerk in haar aardsche openbaring, die door de levende aanklacht Godsl in den roep der tijden en Zijn gericht wordt getroffen.

Zóó raakt zij de kerken in de gansche wereld en het leven der volkeren, waar God Zijn kerk heeft geplant. Zóó gaat er een roep tot bekeering uit tot allen, die in den driewerf heiligen Naam gedoopt zijn. Keer weder, gij afkeerige kinderen. Tot de Wet en het getuigenis. Wendt u tot Mij, alle gij einden der aarde en wordt behouden.

De zonde der kerk daarvan kan dan toch terecht gesproken worden. En niet alleen gesproken, want God verheft Zijn stem. Hij spreekt in Zijn goddelijke sprake, die geweldig is. Hij komt om Zijn recht. Daarom komt Hij met Zijn gericht. Zijn genade komt door den trechter van Zijn gericht. Zijn recht roept om erkenning, in de eerste plaats van degenen, die naar Zijn Naam genoemd zijn.

Dat is weer de verborgenheid van het bij de kerk zijn. Zijn recht op allen, die tot een kerk, neen tot Zijn kerk, vergaderd zijn, waarom zij ook gedoopt zijn. Zijn recht op gehoorzaamheid van de vergadering, die zich als kerk aandient, aan Zijn Woord en gebod. Zijn recht op den reinen dienst des Woords en de vervulling der ambten naar Zijn wil.

Wederkeer is belijdenis. Belijdenis der kerken. Belijdenis van allen, die van de kerk zijn en die bij de kerk zijn. En belijdenis is verootmoediging in de binnenkamer voor Gods aangezicht, zooals een Daniël de zonde des volks voor Gods aangezicht bracht en Zijn genade afsmeekte. Het machtige wapen der kerk is het gebed dergenen, die Hem vreezen. (Zie Daniël 9 : 3 V.V.). O, Heere! hoor; o Heere! vergeef : o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet, om Uwszelfs wil, o mijn God! want Uw stad en Uw volk is naar Uwen naam genoemd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De zonde der kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's