Openbare belijdenis der gedoopten
Na al hetgeen over het Sacrament des Doops werd opgemerkt is er geen aanleiding om nog lang stil te staan bij de kwesties, welke men in verband met het Verbond opwerpt.
Het kan gebleken zijn, dat men niet zonder grond van een uitwendige zijde des Verbonds kan spreken. De sacramenteele band, die alle gedoopten verbindt, heeft daarvan iets. Formeel zou men dien een uitwendigen band des Verbonds kunnen noemen, doch zakelijk is het weer niet heelemaal juist. Er kunnen ongedoopten zijn, die desondanks onder het Verbond staan en zelfs in het waarachtig geloof sterven. Wie zal voorts de verborgen leidingen Gods peilen, die krachtens Zijn Verbond door de geslachten heengaan.
Niettemin, formeel genomen, kan men den sacramenteelen band als een teekening van het Verbond naar zijn uitwendige zijde zien. Wij willen daarop echter geen nadruk leggen, omdat men zoo spoedig geneigd is het Verbond aan den Doop, of het gedoopt zijn, te verbinden, terwijl het in werkelijkheid juist omgekeerd is. Het sacrament is gegeven als een teeken van het Verbond. Het Verbond is er eerst. Het Verbond gaat vooraf aan het sacrament. Het is Gods welbehagen. Het wordt vervuld naar Zijn voornemen. Het werkt door Zijn kracht. Het Verbond is goddelijk doen, daad en werkzaamheid van God en daarom verborgen, ondanks al datgene, wat God daaromtrent heeft geopenbaard.
Het staat echter vast, dat God Zijn Verbond houdt en vervult. Daarvan is niet alleen een bewijs, dat Hij Zijn zon doet opgaan over boozen en goeden, maar in het bijzonder, dat Hij Zijn kerk in stand houdt.
Het gaat dan ook ver boven onze bemoeienis en ons oordeel uit, als God Zijn Verbond aan Zijn uitverkorenen wil vervullen door uit de geslachten der aarde een volk te vergaderen tot onderhouding van den Dienst des Woords en de bediening der sacramenten, om het te stellen tot een getuige en teeken in deze wereld, zonder nochtans allen, die Hij tot de kerk geroepen en vergaderd heeft, de zaligmakende genade in Christus deelachtig te maken.
Het is Zijn souvereine vrijmacht om Zijn Verbond te vervullen naar Zijn welbehagen. Wij mogen uit een en ander leeren, dat de verkiezing Gods algemeene en bijzondere werkingen heeft, doch Gods weg in deze is verborgen. Of dan de beloften des Verbonds geen waarheid zijn ? Zonder twijfel. De beloften en ook de bedreigingen des Verbonds — dat laatste mag niet vergeten — zijn waarheid en God zal Zijn waarheid gestand doen.
Niet alleen de beloften, maar ook de bedreigingen. Deze vallen ook onder het Verbond. En reeds uit dien hoofde is het duidelijk, dat het Verbond in tweeërlei zin wordt vervuld. Het Verbond wordt opgericht met den mensch, die naar Gods beeld werd geschapen. In zijn beloften en bedreigingen doet het een beroep op des menschen verantwoordelijkheid.
De bedreigingen zijn bedreigingen des Verbonds. Zij kunnen van het Verbond niet worden losgemaakt. En nu kan men wel zeggen, dat het bevel van de prediking des Woords aan alle creaturen de beloften en de bedreigingen op de geheele wereld doet uitgaan. Dat is ook zoo.
Maar als God nu door de prediking uit de geslachten der menschheid een volk tot de kerk vergadert en onder het Verbond zet, — zal deze vergadering dan niet evenzeer onder de beloften als onder de bedreigingen staan ?
Niemand zal dat kunnen weerspreken. Daarom komt de kerk in haar aardsche openbaring overeen met het oude volk, Zij is de wijngaard des Heeren. Hij is de hemelsche Landman. Er zijn echter niet alleen vossen, die den wijngaard bederven, maar er zijn ook afkeerigen en goddeloozen. De Schrift spreekt van een wederhoorig kroost, van kinderen der ongehoorzaamheid.
Beloften en bedreigingen. Daar staat tegenover gehoorzaamheid en afval. Hier is geen beroep op des menschen onmacht. De Heere is de eerste. Hij heeft ons onder Zijn Verbond gebracht. Wij zijn daarin begrepen. Hij heeft ons Zijn Woord en de gezonde leer toebetrouwd. Hij spreekt in de tallooze weldaden, welke Hij ons in Zijn lankmoedigheid en goedertierenheid bewijst. Hij laat Zijn roepstemmen uitgaan in Zijn oordeelen en gerichten. Hij zendt Zijn dienaren uit in den Dienst des Woords en in den herderlijken arbeid.
Van dit alles kunnen de geslachten, welke tot Zijn kerk werden vergaderd, zich niet straffeloos afkeeren. Immers dan val len zij onder het oordeel van een wederhoorig kroost. Het wordt nog met dezen naam kroost genoemd, maar het zijn afvallige kinderen, die niet onschuldig zullen worden gehouden.
Degenen nu, die gedoopt zijn en het tee ken des Verbonds dragen, omdat zij tot de kerk werden vergaderd, zullen weinii vrucht hebben van een leer van een uit wendig en een inwendig Verbond. ,,Deze geeft bovendien aanleiding tot allerlei vragen, die den mensch zoeken te verontschuldigen. Men zou dan eigenlijk willen weten, onder welk Verbond men gerekend wordt. Het Verbond des Heeren echter komt tot een volk en in dat volk tot de persoon. Het stelt den mensch schuldig en verantwoordelijk. Het roept en vermaan door belofte en bedreiging. Het maakt geen zorgelooze menschen, maar drijft uit doo de tucht der Wet naar de genade in Christus Jezus.
De Doop is een teeken, dat God ons roept tot Zijn Koninkrijk. Het Koninkrijk Gods behoort ons boven alle dingen ter harte te gaan. Het raakt de heerlijkheid Gods. Zijn eere en de zaligheid in leven en sterven. Geroepen tot den dienst van Gods Koninkrijk, tot het groote werk der bediening, hetwelk Hij in Christus heeft gewrocht. Ziedaar de roeping van de gemeente des Heeren, waarvan de gedoopten het teeken en zegel dragen.
Deze roeping brengt vanzelf mede, dat de kinderen daarvan onderwezen worden. Het is hun recht te weten, waartoe zij geroepen zijn, en daarom ook het recht en de plicht van ouders, opvoeders en herders, hen te onderwijzen in de dingen van het Koninkrijk Gods naar de gezonde leer, die naar de Godzaligheid is. Het is hun recht en plicht, ook al weer niet naar menschelijke inzetting, maar, omdat het recht des Heeren alzoo is. Alzoo is het de wil Gods, dat de jonge lidmaten van der jeugd aan worden onderwezen en van hun roeping bewust worden, opdat zij daarin leeren wandelen.
In dezen weg wil de Heere Zijn zegen geven. Dat is de belofte des Verbonds. Doch zij, die naar dezen regel des geloofs niet wandelen, mogen Zijn straffen vreezen. God wil, dat Zijn gemeente een getuige is in de wereld, opdat Zijn Koninkrijk openbaar worde en Zijn uitverkorenen worden vergaderd van de einden der aarde.
Indien de kerk als vergadering der geloovigen haar roeping vervult en het besef daarvan wekt in haar leden, staat zij als een levende getuige Gods van geslacht tot geslacht. Het jonge geslacht, dat in haar midden opgroeit, zal gestadig toenemen in kennis en zich voegen onder de tucht van Gods Woord. En de beloften Gods zijn een ontwijfelbare waarborg, dat de akker vruchten zal brengen, dertig, zestig en honderdvoud, dat het aan aardsche zegeningen niet zal ontbreken en dat Hij Zijn vaderlijke zorg over hen zal laten gaan.
Het werk van Zijn Heiligen Geest zal in het verborgen voortgang vinden ook in de jeugdige harten, zoodat zij leeren belijden naar de mate van hun geloof. Zoo zal het besef der roeping verdiept worden en de begeerte gewekt om den Heere ook in het openbaar te belijden en de beloften Gods in Christus te omhelzen.
Het doen van belijdenis volgt derhalve uit de gehoorzaamheid aan de roeping Gods, waarin wij van Godswege zijn gezet. Daarom maakt men ook terecht bezwaar tegen de uitdrukking „aangenomen worden". De kerk heeft niet aan te nemen, want zij waren reeds lidmaten. Tot lidmaten aannemen zou hoogstens kunnen passen voor menschen, die zich van buiten af bij de kerk willen voegen.
Ook het woord „bevestigen" vindt critiek als niet overeenkomstig den stijl, aangezien het hier niet een ambt geldt. Het gaat hier over lidmaten, die voor God en Zijn gemeente belijdenis doen en toegang tot het Heilig Avondmaal erlangen. Het is geen administratieve aangelegenheid, maar een zaak des geloofs, welke naar den regel des geloofs behoort te geschieden.
In den grond der zaak hebben wij van doen met de geestelijke tucht, waartoe de kerk is geroepen, opdat de disch des Heeren niet worde ontheiligd en daardoor het oordeel Gods over de gemeente kome. Het is ook niet onverschillig, wat men belijdt, maar dat men belijdt naar de gezonde leer des geloofs. Niet allerlei wind van leer, maar de leer van den Christus der Schriften, op den grondslag door Hem zelf in de Doopformule bevolen.
De kerk kan niet waken over den toegang tot de tafel des Heeren, als zij niet waakt over den Doop en gedoopte lidmaten en in deze twee stukken schiet zij te kort, als zij niet waakt over de leer. In deze roeping alleen kan zij geestelijke tucht oefenen ook over de bediening der Sacramenten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's