De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers

9 minuten leestijd

De zonde der Kerk.--De oorzaak, waarom het aan kracht ontbrak--Bekeering.--Medicijn

De zonde der Kerk.

In het Weekblad van de Ned. Herv. Kerk schreef Prof. J. N. Bakhuizen van den Brink een artikel over de zonde der Kerk.

Hij begint met er op te wijzen, dat na „de boodschap der Synode" de zin, die op de schuldbelijdenis der Kerk zelve betrekking had, bijzonder in discussie is geweest. Wie nu werkelijk zonde of zonden te belijden heeft, is niet licht tevreden voor de zonde of zonden bij name zijn genoemd. Daarom wordt de roep om concretiseering, om het aanwijzen van de zonde of de zonden, begrijpelijk genoemd.

Daartegenover wordt dan opgemerkt, dat de tekorten verscheiden zijn. Bovendien zijn zij in grootere gemeenten veelal grooter dan in kleine. Alle plaatselijke en persoonlijke individualiteit mag toch niet prijs gegeven worden voor algemeen opgelegde modellen. Dit is niet in de lijn van het historisch karakter onzer Kerk. Hieruit zou dan volgen, dat een lichaam als de Synode moeilijk anders dan in algemeene termen Christelijk schuldbesef kan inleiden, zooals een kerkelijk gebed van schuldbelijdenis altijd, eenigszins algemeen behoort te zijn tegenover de bepaalde gevoelens en het concrete schuldbesef van elk der gemeenteleden, die het medebidden. Hoewel we in het hier door Prof. Bakhuizen van den Brink geschrevene volgaarne waarheid erkennen, zouden we toch er aan willen vasthouden dat het in onze huidige kerkelijke situatie niet moeilijk ware geweest meer concreet de zonde der Kerk, de zonde der kerkleden aan te wijzen. Of dit voor de Synode zoo gemakkelijk te doen ware, is een vraag, waarop we thans niet verder ingaan. Want we willen luisteren naar wat Prof. Bakhuizen ons uit het dikke boek van de geschiedenis der Kerk heeft te vertellen. En dat kan zeer leerzaam zijn. Zooals het leerzaam, is om eens na te gaan hoe de Kerk gehandeld heeft en zich heeft laten hooren of zich niet heeft laten hooren bij belangrijke gebeurtenissen in het eigen land of in de wereld. Het boek van de geschiedenis der Kerk dan wordt ons meer dan 1000 jaren teruggeslagen. Daar wordt ons geboden een schuldbelijdenis van zeer openhartig karakter. „De termen dezer schuldbelijdenis zijn toch wel zeer waar en waardig van karakter, levend en reëel, zoodat ze ons — wij laten de keuze aan den lezer over — tot troost of verootmoediging, in elk geval wel tot spiegel en misschien tot aansporing kunnen zijn". We worden gebracht naar het jaar 862, toen, door de invallen vooral der Noormannen, Staat, Kerk en maatschappij zwaar geleden hadden. Aan de regeering was Karel de Kale, kleinzoon van Karel den Groote. De verhouding van den Frankischen vorst tot de Kerk in zijn rijk was nauw, te nauw in verschillende opzichten. Hierdoor stond de Kerk wel zeer midden in het openbare leven, was het meest algemeene belang ter wereld.

De Koning kon spreken — zoo nauw was de band — tot en ook wel namens de Kerk, ja, meer nog, rijkswetten en kerkelijke wetten, rijksdagen en synoden konden in elkander overgaan. In 862 werd te Pitres aan de Seine een reorganisatie-vergadering van koning, bisschoppen en abten in Juni gehouden. Deze vergadering werd door een koninklijke boodschap ingeleid. Prof. B. heeft daaraan de volgende zinnen ontleend, die wij elkaar willen voorleggen. Allereerst wordt genoemd

De oorzaak, waarom het aan kracht ontbrak.

Ons heeft 't aan kracht ontbroken, omdat wij den Heiligen Geest, die in den tijd des welbehagens en in de verdrukking rustte op onzen Helper, Christus onzen Heere, en dien wij door de handoplegging van den bisschop in den doop hadden ontvangen, bedroefd hebben door onze booze werken en van ons verjaagd hebben, n.l. den Geest des raads en der sterkte; en omdat wij dezen niet zóó bezaten als noodig was, daarom kunnen wij niet dapper onze vijanden wederstaan en met kracht overwinnen. — Daarom ligt ons land verlaten als bij een verwoesting door vijanden, omdat wij den bloesem en de vruchten des geloofs, der hoop en der liefde, der ootmoedigheid, der reinheid, der nuttigheid en der overige deugden van den akker onzes harten verwoest hebben en inplaats daarvan de doornen der gebreken en de brandnetels der zonden, en de gifplanten der ijdelheid, die binnen in ons werken, dat wij verkeerd handelen, niet slechts hebben doen ontkiemen, maar ook ijverig doen wassen. Daarom zijn de bewoners des lands gedood of verjaagd, omdat wij onszelf met het zwaard der zonde dooden en alle goede gaven, die de Heere ons hetzij in het natuurlijk verstand, hetzij in de Christelijke leer, of in rijkdom, eer, positie, die Hij ons heeft geschonken tegenover hen, die miachtiger waren dan wij, hebben verkeerd tot lusten des vleesches en onszelven en al wat ons de Heere gegeven heeft, om Zijn wil te vervullen, daarvan hebben afgewend. Dit kan een ieder bij zichzelven nagaan, wanneer hij maar alles afzonderlijk overdenkt, wat hij gedaan heeft en nog doet met hetgeen God om zijn heil te bewerken, hem toebetrouwd heeft".

Wat dunkt u, zouden we veel moeten veranderen om dit pasklaar te maken voor onzen tijd? Zouden wij dezelfde zonden niet kunnen opnoemen ? Klagen ook deze thans ons niet aan voor den troon des Heeren ? Vandaar moet ook thans, evenals toen, volgen de ernstige roep tot

Bekeering.

Aldus luidde toen de oproep : „Laten wij allen ons daarom bekeeren door boetedoening en belijdenis en aalmoezen naar vermogen; en voor zooveel als ieder voor zich zelf weet van God schuldig te zijn afgedwaald naar die mate drinke hij de tranen zijns berouws dan zullen in dat water, dat van onszelf voortkomt, de krachten terugkeeren, indien wij door goede werken herstellen de sterke stellingen der deugden, die de zonden hebben afgebroken. Dat zal gelukken, wanneer een ieder zooveel hij kan het verkeerde, dat hij heeft begaan, weder goed maakt en het geroofde of door terugbetaling of door kwijtschelding te smeeken en andere booze stukken door gepaste boetedoening tracht uit te wisschen.

Dat zal gelukken, indien voortaan een ieder zich in acht neemt, om zich met die dingen niet weder te bevlekken, waarvan hij zich gereinigd heeft, gelijk geschreven staat: wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer gedachten van voor Mijn oogen weg, zegt de Heere. Laat af van kwaad te doen, leert goed te doen (Jes. 1 : 16, 17), omdat wie zich door goede werken en tranen en gebeden van; de zonde reinigt en opnieuw zware zonde begaat, gelijk is, zooals de heilige Petrus zegt aan de zeug, die zich wascht in het slijk en aan den hond, die zijn uitbraaksel opeet (2 Petr. 2 : 22), en hij moge vreezen, dat hij niet zelfs zijn tranen onrein maakt voor Gods aangezicht, waarmede hij van zijn zonden gereinigd had kunnen worden. Wij zeggen dit niet opdat, wanneer iemand na schuldbelijdenis opnieuw in de zonde is gevallen, hij wanhopig in die zonden blijve liggen, maar opdat hij zich, zooveel hij vermag, voor de zonden hoede. En indien iemand in zwakheid gevallen is, gelijk geschreven staat : zal hij, die gevallen is, zich niet oprichten om op te staan ? (vgl. Ps. 41 : 9), dan zegge hij : nu heb ik aangevangen ; en door de verandering van de rechterhand des Allerhoogsten (Ps. 77 : 11) zal hij met boetedoening opstaan, opdat de jongste dag hem niet in zonden vinde en hij voor eeuwig verloren ga".

De afwijkingen in de Bijbelteksten berusten op het gebruik der Vulgaat.

De roep tot bekeering mag wel zeer krachtig weerklinken. Als het volk van Israël in nood is, ja, dan moet Jeremia, de profeet, óók profeteeren tegen de omringende volkeren, tegen Ammonieten, Edomieten, Damascus, Arable, en ook tegen den overweldiger, tegen Babel. De oordeelen Gods zullen deze rijken treffen. Maar Jeremia vergeet daarbij zijn volk niet. Of liever : de Heere vergeet Zijn volk niet. Tegen dat volk heeft Jeremia het in de eerste plaats. Tegen de zonden van dat volk. Zij, de Israëlieten, hebben den sprinader des levenden waters verlaten om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.

Dat volk wordt opgeroepen tot bekeering. Nu is het niet anders. In den weg der bekeering ligt het eenige

Medicijn.

Daarop wijst de Koninklijke boodschap in 862.

„En hierom, gelijk de geneesheeren, wanneer er eenl epidemie uitgebroken is, een algemeene medicijn samenstellen waardoor allen beter kunnen worden, zoo stellen wij nu gemeenschappelijk, met Gods hulp en steun, deze medicijn om onze gezondheid te herkrijgen en te behouden, opdat wij niet in deze wereld nog ernstiger bezocht worden en in de toekomende, als wij dit lichaam hebben verlaten, met eeuwige kwellingen worden gepijnigd''.

Met deze woorden beginnen dan de reorganiseerende besluiten.

Met nooit genoeg ernst kan op verootmoediging worden aangedrongen. Ook bij de jongeren. Prof. Hepp merkt hierover in „Credo" op, dat ook hij, die aan zijn Schepper denkt in de dagen van zijn jongelingschap, gewoonlijk niet sterk is in verootmoediging. Ook al is zondebesef aan de jeugd niet vreemd en is deze om haar oprechtheid in de schuldbelijdenis dikwijls te benijden, het ontbreekt de jeugd uiteraard aan vergevorderde oefening. En in de verootmoediging hebben we niet met een enkele daad, maar met een toestand te doen. Want verootmoediging is gestalte. En die wordt alleen door oefening verkregen. Daartoe moet nu de jeugd door opvoeders en niet het minst door den catecheet worden opgewekt. Het idealisme van de jeugd mag de indrukken van Gods oordeelen niet verdringen. Daarvoor loopen de jongeren toch gevaar. En nu is het jammer — aldus Prof. Hepp — dat de catecheet de jongeren niet meer op de ouderen als voorbeeld kan wijzen.

Omdat er nog zoo weinig verschijnselen onder ons zijn van verootmoediging tot in het stof. Geruimen tijd geleden schreef Prof. H. reeds over de noodzakelijkheid hiervan. Maar nu overvalt hem soms de gedachte of hij het nog eens over moet doen. Ware hij methodistisch; uitgevallen, hij zou er bij alle dominees en bij allen, die de pen hanteeren, op willen aandringen om drie nmanden lang over verootmoediging te preeken of te schrijven. Want onze geesteshouding is niet gelijk die in overeenstemming met de sprake Gods nu behoort te wezen.

Hiermee kunnen wij van heeler harte instemmen. En al willen ook wij dan niet de methodistische kant opvaren — het zal toch geen kwaad kunnen als over verootmoediging telkens weer wordt gesproken en geschreven, zoo, dat het spreken en schrijven zij een roepen in Gods naam tot verootmoediging. Lezen we die roepstem telkens en telkens weer niet in het Woord Gods tot het overtredende volk Israël ? Wij hebben te roepen, met alle kracht, tegelijk in diepe afhankelijkheid van den Heere — wetende dat ook deze verootmoediging alleen komt door des Heeren Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's