Recensies
Het boek Levitikus
Het boek Levitikus, opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard door Prof. Dr A. Noordtzij. Uitg. J. H. Kok N.V., Kampen. 280 pag.
Het is een groot voorrecht, dat het aan Prof. Noordtzij vergund is na het neerleggen van zijn professoraat de vruchten van zijn studie aan een breederen kring voor te leggen. Meer dan één werk kwam den laatsten tijd in de serie Korte Verklaring, waartoe ook het bovenstaande behoort, uit. Een Bijbelboek wordt behandeld, dat men zoo gemakkelijk laat liggen, maar dat een diep inzicht geeft in Israels eeredienst, waarbij een goede gids uitnemende hulpdiensten kan verrichten. Niet het minst interesseerde mij de bij sommige punten breede inleiding. Want al is het een verheugend verschijnsel dat thans veel meer op den religieuzen inhoud, dan op den tijd van ontstaan van de Bijbelboeken gelet wordt, dit neemt niet weg, dat vragen over de dateering van verschillende gedeelten als vanzelf bij ons opkomen en op beantwoording wachten. Wel rekenden we Prof. Noordtzij niet „bij het fanfarecorps van hyper-ijverige tegenstanders, die den volke kond doen, dat Wellhausens theorie morsdood is en waarbij de luidruchtigsten van hen zelf het minste gedaan hebben" (Zie het populaire werk van Prof. Kittel, Het Oude Testament in het licht van de nieuwere onderzoekingen, bewerkt door Dr H. W. Obbink, pag. 91), maar sterk gevoelden we toch, dat het afwijzen van een bepaalde theorie, in casu van Wellhausen, over de late dateering van de Pentateuchale wetten nog geen positief antwoord is op de vraag, hoe we ons dan wèl het ontstaan van de vijf boeken hebben te denken. Dankbaar namen we nota van de opmerking van schr., dat het volgens hem aan geen twijfel onderhevig is of over het geheel laat zich de inhoud van Leviticus zonder de minste moeite uit de verhoudingen van den Mozaischen tijd verklaren. Dat is wel heel iets anders dan wat jaren lang over het ontstaan van de wetten in de dagen der ballingschap is gezegd. Trouwens schr. is niet de eerste en de eenige, die tegen deze gedachten inging. Ook in andere dingen gaat schr. in tegen wat als een soort axioma gold en voor velen nog als een niet te weerleggen zaak vaststaat, n.l. tegen de meening als zouden de hoofdst. 17—26, de z.g.n. Heiligheidswet, een aparte wettenbundel hebben gevormd met een eigen karakter (zoo b.v. nog Eissfeldt in zijn inl. O. T.). Dit ontkent schr. met klem van argumenten. Wel wijst hij er op, dat er ongetwijfeld jongere voorschriften aan de Mozaïsche zijn toegevoegd. Uit één en ander moge blijken, welke belangrijke vragen hier aan de orde zijn. Ook de verklaring van het boek geeft veel. Schr. aarzelt soms niet om te zeggen dat iets hem niet duidelijk is, b.v. als het gaat over het gouden wierookvat in het allerheiligste in den tweeden tempel, waarvan Hebr, spreekt (h. 9 VS 2; pag. 64). Sterk legt schr. — zooals in al zijn werken — er de nadruk op, dat de Heere, toen Hij Israël tot Zijn volk maakte, het niet heeft voorzien van een in allen deele nieuwe, volkomen eigensoortige gedachtenwereld. Dat geloof ik ook : De Godsopenbaring sluit aan bij het bestaande, maar brengt Israël op een ander, hooger niveau. Zoo is Israël uiteindelijk niet uit de Umwelt te verklaren. Ik wil niet zeggen, dat schr. zulks tracht te doen, maar het gaat mij te ver, als schr. op pag. 210, waar gesproken wordt over de na uitvoering van het doodvonnis geëischte verbranding van de lijken (h. 20 vs 14) zegt: Het was een geweldige verzwaring van de straf, omdat, nu het lichaam aan de vernietiging was prijs gegeven, de zielen der gedooden moesten blijven rondzwerven. Ik geloof niet, dat de zede van het begraven in Israël grond vond in de gedachte: Nu vinden de zielen der gestorvenen rust. Zoo zouden nog sommige dingen te noemen zijn.
Waar ge het boek openslaat, daar wordt ge getroffen door de gedegen uiteenzettingen, waarbij de lijn menigmaal doorgetrokken wordt naar het N. Testament. Hoe mooi wordt ons in verband met de breede uiteenzetting over den Grooten Verzoendag (hoofdst. 16) het onderscheid tusschen de Christelijke en de Joodsche beschouwing geteekend : Verzoening door berouw, zegt de Jood ; Verzoening door het offer, zegt de Schrift. Het Jodendom heeft geen Middelaar noodig : het reinigt zichzelf. Een werk, dat ons voor het verstaan van het boek Leviticus veel geeft.
Antirevolutionnaire Staatkunde diemaandelijksch orgaan, 4de tweetal 1940
bevat een tweetal beginartikelen van een reeks n.l. een wetenschappelijke verhandeling van Prof. Dr H. Dooijeweerd over de „Theorie de l'institution' en de Staatsleer van Maurice Haurion en een artikel van Mr B. de Gaay Fortman over richting en beleid van eenige contra-revolutionnaire stroomingen in de negentiende eeuw. De lezing van het eerste artikel is èn door den aard van het onderwerp èn door den vorm, in welke Prof. Dooyeweerd zijn verhandelingen pleegt te geven, schier uitsluitend voor ingewijden of vakmenschen profijtelijk, het artikel van Mr. de Gaay Fortman is populair wetenschappelijk geschreven. Het ligt in den aard der zaak, dat men tegenwoordig teruggrijpt naar de historie en die beschrijvend en beoordeelend weergeeft. Wij hopen, dat het driemaandelijksch orgaan in deze richting blijft door gaan en zich zoo mogelijk beperkt tot de groote algemeene en centrale vraagstukken, welke in overvloedige mate aanwezig zijn. De heer Stellinga schreef een uitvoerige recensie over het Handboek voor het Nederlandsche Staatsrecht door Mr C. W. van der Pot. Hoewel dit in 1940 verschenen „werk door de omstandigheden is achterhaald acht de recensieschrijver het boek een boek van blijvende waarde voor de kennis van het Nederlandsche Staatsrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's