De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nog eens: belijdenis doen!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nog eens: belijdenis doen!

6 minuten leestijd

Een en andermaal werd het punt van belijdenis doen reeds aangeroerd. De vraag leeft echter, wat de eigenlijke zin daarvan mag zijn. Er is daartoe te meer aanleiding, omdat het gangbaar geworden spraakgebruik van aanneming, aangenomen worden, werd afgewezen als onjuist. Dit is immers niet in overeenstemming met de plaats, welke aan de kinderen der geloovigen wordt toegekend, als lidmaten van Christus' gemeente. Ook over de uitdrukking „bevestiging" werd reeds eerder gesproken. Hiertegen is niet zoo ernstig bezwaar, hoewel men terecht dat woord wil reserveeren voor de bevestiging in het ambt. Wij willen daarop niet afdingen, maar men zou kunnen denken aan het ambt der geloovigen, hoewel toegegeven moet worden, dat dit gezocht is en geen aanbeveling verdient.

Wat blijft dan anders over dan dat men ingevolge de roeping des Verbonds voor God en Zijn gemeente belijdenis doet van zijn geloof en dat wel in overeenstemming met de belijdenis der kerk, waartoe men behoort.

Indien dit laatste er niet bijkomt, ontstaat een vreemde situatie. Het ligt voor de hand, dat het belijden een persoonlijk karakter draagt. Men belijdt als persoon en is daarvoor persoonlijk verantwoordelijk, maar men belijdt als lidmaat van de gemeente des Heeren. Men wórdt daardoor niet lidmaat, maar men is lidmaat en geeft als zoodanig, getuigenis. Men voegt zich niet tot de kerk, maar is in de gemeenschap der kerk ontvangen. Zoo gaat het dus om het geloof van Christus' kerk. En dat geloof is niet een vaag besef, waaromtrent een iegelijk zijn persoonlijk inzicht en zijn overtuiging ten beste geeft. Neen, dat geloof heeft uitdrukking gevonden in de confessie, welke de kerk als de hare kent en erkent. Het is de sprake der levende kerk, welke als het lichaam van Christus daarin mede openbaar wordt. Als lidmaat is men niet een op zichzelf staande enkeling, maar gelijk een hchaam vele leden heeft, is men in het organisme der kerk begrepen.

In het doen van belijdenis komt deze betrekking naar buiten. Zij is instemming met het getuigenis der kerk en een openbare verklaring daarvan. In welken vorm men zulk een instemming en verklaring geeft, is niet onverschillig, maar het wezen der zaak is zulk een persoonlijke instemming en verklaring. Het centrale, het punt waar het om gaat, is de belijdenis der kerk.

En nu spreekt het vanzelf, dat ook de vorm daardoor wordt bepaald. Instemming met de belijdenis der kerk onderstelt in de eerste plaats voldoende kennis daarvan. Deze kan er weer niet zijn zonder een zekere mate van Schriftkennis. Zoo wordt verder weer ondersteld, dat men daarin onderwezen is.

Uit deze dingen volgt reeds onmiddellijk, dat de jonge lidmaten der gemeente door opvoeding en onderwijs voortdurend in aanraking behooren te komen met de belijdenis der kerk.

Verder wordt daardoor in het licht gesteld, welk een belangrijke plaats de belijdenis der kerk in haar leven behoort in te nemen. En hoe zij de jeugdige lidmaten berooven, die dit niet naar behooren in acht nemen, zoowel bij de opvoeding als bij het onderwijs. Zij berooven hen van de kennis der confessie, waartoe zij van Godswege geroepen zijn.

Een kerk, die haar belijdenis prijs geeft aan het goeddunken dergenen, die met de taak der onderwijzing zijn belast, berooft zichzelf van een band, welken God door de geslachten heeft gelegd. Zij bevordert daardoor de vervreemding van het leven der kerk, maakt haar tot een vergadering van individualistische theologanten en eigendunkelijke geloofsinzichten en snijdt in haar eigen vleesch. Het leven der kerk moge als leven rijk  zijn aan verscheidenheid, maar het draagt een eigen geestelijk karakter, dat opbloeiende uit de waarachtige religie, in alle eeuwen toch hetzelfde blijft. Eén geloof, één doop, één Heere.

Wij spraken over den vorm. Deze is intusschen ook reeds in het stuk van opvoeding en onderwijs aangesneden. Daarin toch neemt het leven uit de belijdenis reeds een vorm aan. Het geloof doet zijn cetitralen invloed op heel het leven uitgaan, het stelt ook zijn eischen aan het gezinsleven en aan de taak der opvoeding. Het vraagt eerbiediging van de door God geordineerde levensorde. Vandaar de vormende kracht.

Zoo treedt het belijden in het werk der opvoeding naar buiten. Ook het onderwijzen in de dingen van Gods Koninkrijk is een vorm van belijden. Dit kan ook worden gezegd van het onderwezen worden. Immers naarmate de onderwezene zich meer bewust wordt van de dingen, zal de kennis een beroep doen op de consciëntie, zoodat het persoonlijk leven daarin stelling moet kiezen. De leeftijd komt, dat de groote levensvragen gaan. dringen in de worsteling, die in de persoonlijke overtuiging haar rijke vrucht zal hebben. Deze kan van het geloof der kerk afwijken, of in overeenstemming daarmede zijn, en waar dit laatste het geval is, en in zooverre dat zoo is, is de onderwezene ook belijder,

Wij blijven slechts bij deze algemeene aanduidingen om te doen zien, hoezeer de belijdenis geen doode of werkelooze letter, maar een levende vorm en richting gevende zaak is.

Belijdenis doen is maar niet een moment, een kerkelijke formaliteit, maar groeiend leven, een toenemen van kennis en geloof tot zulk een mate van overtuiging, dat men met vrijmoedigheid voor God en Zijn gemeente getuigenis kan geven.

Komen wij nog even terug op de instenaming met de belijdenis der kerk, dan komt de kerkelijke vorm der belijdenis aan de orde.

Uit den aard der zaak wordt deze bepaald door een onderzoek — laat mij het woord maar gebruiken — een examen op het stuk der kennis van Schrift en belijdenis en het geloof. Dit is zoo vanzelfsprekend, dat daarvoor geen nader bewijs noodig is, Het ligt ook geheel in de orde, dat predikant en ouderlingen dit onderzoek instellen en wel in beiderlei opzicht.

Over beide punten is nog wel iets naders te zeggen. Intusschen is dit examen toch wel het voornaamste stuk. Zoo predikant en ouderlingen van oordeel zijn, dat er geen redenen zijn deze lidmaten den toegang tot het Heilig Avondmaal te ontzeggen, zou met afkondiging in de samenkomst der gemeente kunnen worden volstaan, behoudens bezwaren, die uit haar midden mochten opkomen.

Men houde dit niet voor een aanbeveling van dezen weg, maar neme het bij wijze van opmerking. Wat wij gewoon zijn bevestiging te noemen, zou juister openbare belijdenis worden genoemd. Zooals gezegd: een verklaring van instemming met de belijdenis der kerk.

Daarom doet zich hier weer de kwestie van den vorm voor. Moet dat een soort belijdenis in gecomprimeerden vorm zijn: b.v. de belijdenis van den Drieëenigen God (Doopformule) en van de zaligheid in Christus uit genade alleen?

Of zal men den vorm eener verklaring en belofte kiezen ?

Dit laatste kan niet wórden gemist, omdat ook de genegenheid des harten zal moeten blijken. Dit geldt ook voor een verkorten vorm van belijdenis.

Ook deze vragen zijn niet van belang ontbloot en hangen samen met de plaats, welke de belijdenis der kerk in de behartiging van de hier besproken zaken in­ neemt en behoort in te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Nog eens: belijdenis doen!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's