De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

5 minuten leestijd

Het doel der Wet. Vers 19—29.

Hoofdstuk III.

Het doel der Wet. Vers 19—29. (XI) Vervolg vers 22.

Alles wat buiten Christus en Zijn beloften ligt, is zonder eenige uitzondering onder de zonde besloten. Het woordje „alles", hetwelk de Schrift gebruikt, zondert niets uit.

Derhalve besluiten wij met den apostel, dat alle wereldlijke verordeningen en wetten aller volken, hoe goed en noodzakelijk deze soms zijn, onder de zonde besloten liggen en onder het eeuwig oordeel vallen, tenzij door het geloof in Christus Jezus de beloften Gods er bij komen. Onder dit oor­deel vallen ook 's menschen godsdienstplichten en zoogenaamde vroomheid.

De zinsnede : „alleen het geloof rechtvaardigt", is dus stellig waar.

Onze tegenstanders zijn het in geen enkel opzicht met deze stelling eens, want heel duidelijk komt Paulus tot de conclusie, dat de Wet niet levend maakt, omdat zij met dat doel niet gegeven is.

Wanneer nu de Wet niet in staat is om rechtvaardig te maken, hoeveel minder zullen onze werken dat kunnen ! Ook wanneer wij de Wet zouden kunnen vervullen (wat intusschen onmogelijk is), dan nog zou zij niet kunnen rechtvaardigen. Alleen het geloof, zonder de werken, heeft dit vermogen.

In Romeinen 3 vers 20 zegt Paulus : „Daarom zal uit de werken der Wet geen vleesch gerechtvaardigd worden". En in Galaten 2 vers 16 zegt hij, gelijk wij gezien hebben : „Doch wetende, dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der Wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der Wet".

opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de geloovigen zou gegeven worden. Slot vers 22.

De vraag rijst: heeft de Schrift voor eeuwig alles onder de zonde besloten ?

Antwoord : neen, want zulks is slechts het geval, totdat de belofte kwam.

De belofte is de erfenis, welke God schenkt, oftewel de aan Abraham beloofde zegen, dat wil zeggen : de bevrijding der Wet, alsmede die van zonde, dood en duivel. Tegelijk is de belofte het schenken van genade, gerechtigheid, zaligheid en het eeuwige leven.

Deze belofte, zoo zegt Paulus, wordt door geen verdienste, geen Wet en geen werken verkregen. Zij wordt slechts geschonken.

Door wien ?

Door Jezus Christus, die het gezegende zaad is, en die de Zijnen verlost heeft van den vloek, opdat zij den zegen zouden deelachtig worden.

Alleen de geloovigen hebben deel aan Christus' belofte.

Deze woorden laten aan duidelijkheid niets te wenschen over; ze zijn helder en klaar. Men moet zich echter eenige moeite geven, wil men ze evenwel goed verstaan, en er de kracht en inhoud van begrijpen.

Wanneer er namelijk gezegd wordt, dat alles onder de zonde besloten ligt, dan volgt hieruit, dat alle volkeren vervloekt zijn en de heerlijkheid Gods derven (Romeinen 3 vers 23). Ook volgt er uit, dat zij zich bevinden onder den toorn Gods en de heerschappij van Satan, waaruit iemand alleen maar door het geloof in Christus Jezus verlost kan worden.

Wanneer zij niet in verband gebracht worden met het stuk der rechtvaardigmaking; dan zijn de goede werken op zichzelf prijzenswaardig ; doch door de Wet en de goede werken wordt een mensch niet rechtvaardig voor God.

Werken, die buiten het geloof om geschieden, zijn, hoe heilig ze uiterlijk ook schijnen mogen, onder de zonde en den vloek besloten. Het is er dus ver vandaan, dat iemand, die dergelijke werken doet, genade, gerechtigheid en het eeuwige leven zou kunnen verdienen. Veeleer stapelt men zonde op zonde, wanneer men het van werken verwacht.

De paus is een echte „werker" ; hij is de mensch der zonde en een kind des verderfs. Ook zijn allen, die hem volgen, echte „werkers". Want „werkers" zijn allen, die het ware geloof afvallig geworden zijn.

Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de Wet in bewaring gesteld. Vers 23.

Paulus gaat niet voort met de uiteenzetting van het nut en de noodzakelijkheid der Wet.

In vers 19 wees de apostel er op, dat de Wet „daarbij gesteld is om der overtredingen wil", niet, alsof het uitsluitend en alleen Gods bedoeling is geweest om door de Wet dood en oordeel te brengen over den mensch, gelijk in Romeinen 7 vers 13 geschreven staat: „Is dan het goede mij de dood geworden ? " Want Paulus voegt er aan toe : „Dat zij verre".

De Wet toont ook het leven, en drijft daarnaar uit, weshalve zij niet alleen gegeven is om den mensch te dooden.

Het hoofdzakelijk doel der Wet bestaat in het feit, dat zij den dood openbaart en ons doet blikken in de diepte onzer zonden.

Niet om daarin een vermaak te hebben, openbaart de Wet onzen dood. Ook doet zij zulks niet, om ons zonder meer zoomaar in den dood storten, maar zij doet het, teneinde ons door verschrikking en verbrijzeling tot de vreeze Gods te brengen.

Duidelijk staat dit in Exodus 20 vers 20: „En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijne vreeze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigt''.

Weliswaar doodt dus de Wet, maar zóó, dat God weer levend maken kan. Daarom is dus de Wet niet alleen ten doode gegeven, doch evenzeer ora een hoogmoedig mensch, die droomt van zijn verstandig inzicht, gerechtigheid en heiligheid, deemoedig te maken.

De mensch, die prat gaat op zijn „deugden", moet vanwege den waan zijner eigen gerechtigheid gedood worden. Wordt hij niet gedood, dan kan zoo iemand niet waarlijk leven.

Het dooden der Wet gebruikt God om een mensch levend te maken.

God heeft een sterken hamer noodig om de rots van het menschelijk hart te verbrijzelen, gelijk Hij vuur bezigde om het weerspannige volk Israël en deszelfs inbeelding te breken.

De mensch, die door de verbrijzeling Gods tot „niets" geworden is, die gaat twijfelen aan eigen gerechtigheid en werken en die bevangen is door vreeze voor Hem, — die mensch, zeg ik, gaat dorsten naar 's Heeren barmhartigheid en naar vergeving van zonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's