De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de kerkelijke Pers

10 minuten leestijd

Panem et circenses.--Kerkelijke armenzorg--Het ambt der diakenen.--De opdracht der Diaconie.

Panem et circenses.

Geruimen tijd geleden schreef Prof. Dr J. R. Slotemaker de Bruine een artikel onder dezen titel in „Diaconia". Intusschen werd 't reeds door meerdere bladen overgenomen en aan actualiteit heeft het nog niets verloren. De vreemde woorden — hierboven afgedrukt — beteekenen : brood en spelen. Prof. S. geeft de Latijnsche woorden, om zoo de sfeer te grijpen, waaruit ze zijn voortgekomen en waarin ze wortelen. Om ze te verstaan, moeten we toch terug naar de Romeinsche oudheid, om af te ronden, naar het begin, onzer christelijke jaartelling. De schrijver wijst er op dat het Romeinsche rijk toen sporen van verval begon te vertoonen, die na enkele eeuwen voerden tot den ondergang. Op minstens twee terreinen vertoonde zich het verval, het staatkundige en het zedelijke. De opdringende stammen uit het Noorden behaalden staatkundige overwinningen, „de uit het Oosten opdringende geestelijke kracht van het Christendom overwon door nieuwe zedelijke machten een volksbestaan, dat zijn wortelen zedelijk verloren had". Het loont de moeite, deze gansche periode te bestudeeren. Hierbij stuit men dan op het „brood en spelen". Dit element is zeer teekenend en invloedrijk. Aan teekeningen, door schrijvers van naam gegeven, is het volgende ontleend. Toen er nog geen keizerrijk, maar een republiek was, kende men in het oude Rome reeds de voeding van de massa door den Staat. Eerst werd koren onder de kostprijs verkocht, weldra werd het kosteloos verstrekt. Toen Caesar aan het bewind kwam, waren er op anderhalf millioen inwoners 320.000 personen, die koren kregen. Caesar bracht dit getal terug tot 150.000. Onder de regeering van Augustus steeg het weer tot 200.000. Bovendien werd ook olie, zout, vleesch en geld verstrekt.

Bij feestelijke gelegenheden. zooals een troonbestijging of een jubileum, werden extra-gaven gegeven. De aldus uitgegeven som wordt jaarlijks op 3000.000 gld. geschat. Tot zoover „het brood". En nu nog „de spelen". „Theaters, wedrennen, kansspelen, waren ter beschikking van 't volk. Daaraan werden 66 dagen per jaar gewijd, straks 87, in de vierde eeuw 175. Wil men nog andere cijfers ? Drie theaters boden plaats voor 49.500 personen ; meer gelegenheden werden geopend; het aantal plaatsen steeg tot 87.000, dan tot 150.000, dan in de vierde eeuw tot 385.000". .

Nu valt, volgens Prof. S., de nadruk natuurlijk op de „opvoedende" kracht, die van deze levensgewoonten uitging. We hebben hier dan een opvoeding in de verkeerde richting. Voor volk en enkeling is de hoofdzaak: ruggegraat, staal, kracht, inspanning, worsteling. Hieruit komt sterkte voort. En uit het tegendeel verslapping en op den duur demoralisatie, De werkers op het terrein der barmhartigheid moeten zich dit herinneren. Nooit moet gedacht worden dat barmhartigheidsoefening opgaat in giften vragen, giften ontvangen en giften geven.

Toch leert de ervaring, dat deze opvatting bij velen heerscht, dat n.l. gaven geven en gaven-ontvangen de hoofdzaak is en dat men het daarbij ook moet laten en zijn moraliseerende en opvoedende practijken maar vóór zich moet houden. Populair is hij, die geeft, ook degene, die uit andermans zak geeft. Ware barmhartigheid echter jaagt niet naar populariteit, maar naar verheffing van den behoeftige. Bovendien is het ontvangen van giften, zonder tegenprestatie, niet verheffend, maar neerdrukkend en vermindering van verantwoordelijkheidsbesef kan nimmer stalen. De ware vrienden der barmhartigheid moeten zich steeds blijven verzetten tegen „brood en spelen", tegen alles wat daarnaar zweemt. Dat moeten de Diaconiën doen en ook iedere particuliere verzorging van behoeftigen. En — zij doen het ook. Door deze echt-gezonde methode slinkt de populariteit, maar het gaat terwille van de behoeftige broeders en zusters, ja, terwilk van de ruggegraat in het geheele volk. Deze beproefde lijnen moeten nog eens forsch worden getrokken. En wij doen wèl, hierop te letten. Want de

Kerkelijke armenzorg

vooral is onze aandacht in deze tijden dubbel waardig en heeft die ook noodig en heeft er ook recht op. In „Belijden en Beleven'' stond een stukje van Ds C. van der Woude, overgenomen uit het „Gereformeerd Kerkblad" van Leeuwarden, over deze materie. Gewezen wordt op het voorkomen van uitlatingen in de pers, waarin aan het bijzonder karakter der kerkelijke armenzorg wordt tekort gedaan. Blijkbaar wordt geen verschil gezien tusschen de algemeene liefdadigheid en het door de kerken verrichte werk der barmhartigheid. Het standpunt — aldus Ds v. d. W. — waarop de Kerk staat bij de beoefening der barmhartigheid is, dat de stoffelijke gave niet het voornaamste is, maar het voornaamste is de barmhartigheid van den hemelschen Hoogepriester, die zich daarin openbaart. Deze barmhartigheid wordt dan ook alleen op het terrein der Kerk gevonden en is onafscheidelijk verbonden aan het leven der Kerk. Hier is een stuk van de dienst des Heeren, welke Hij ons beveelt in Zijn Woord. Het inzamelen en het uitdeelen der gaven draagt in de Kerk een religieus karakter. Een bijzonder licht wordt op dit religieus karakter geworpen door wat Paulus in 2 Cor. 9 : 12 schrijft over de collecte, die voor de gemeente te Jeruzalem zal worden gehouden. „Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God". Dit wordt nog sterker gevoeld, wanneer we er op letten, dat Paulus voor het woord „dienst" letterlijk zegt „liturgie". Bij dit woord denken zoowel Oudals Nieuw Testament aan den heiligen dienst van God. Het wordt ook gebruikt voor den offerdienst in den tempel van Israël. Het woord „liturgie" wordt door ons ook gebruikt voor den eeredienst van God in onze kerkelijke samenkomsten. De collecte voor de armen te Jeruzalem had dus een veel hooger doel dan alleen maar het voorzien in de stoffelijke behoeften van menschen. Dit was ook doel. Maar het is in dat alles eeredienst van God. In zijn commentaar op 2 Cor. noemt Bachmann het: ein gottesdienstliches Handeln höchster Art, d.i. een handeling uit de eeredienst van de hoogste qualiteit.

Dit nu geldt niet minder voor de collecten die Zondag aan Zondag in onze kerken worden gehouden. Als we daarin alleen maar zien een inzameling van geld, dan doen we aan deze collecten tekort. Vandaar is er meermalen voor gepleit om deze collectedienst meer tot zijn recht te laten komen. Begeleiding met zacht orgelspel wordt door Ds v. d. W. niet aanvaard, omdat daardoor te veel tijd aan de bediening van het Woord wordt onttrokken! Maar wèl wil hij de bizondere aandacht, die thans aan de collecten in de kerk van verschillende zijden geschonken wordt, een prikkel doen zijn om het karakter van den collectedienst in het rechte licht te bezien. En het rechte, zuivere licht wordt hierop geworpen door de Schrift. De apostel heeft door het woord „liturgie" de collectedienst gestempeld tot een daad van heiligen offerdienst. (Bachmann : eine beziehung sacral-kultischer Art.) De consequentie hiervan is, dat de.Kerk deze offerdienst nooit mag opgeven en ingrijpen hierin van buitenaf niet geduld kan worden. Dit zou zijn raken aan de vrijheid van godsdienstoefening, ons in de Grondwet gewaarborgd. Hierop wordt ook gewezen in de „Geref. Kerk" (Confessioneel), onder

Het ambt der diakenen.

Daartoe wordt overgenomen een artikel uit „De Heraut" van Prof. Dr H. H. Kuyper over dit onderwerp, met de opmerking er bij, dat het wel wat sterk vanuit het oogpunt der Geref. Kerken gezien is en waarbij met waardeering gedacht wordt aan hetgeen door de Vereeniging van Diaconieën onder ons is en wordt verricht. Prof. K. wijst er op, dat het diakenambt, door Christus en de apostelen ingesteld, daarna in de Roomsche Kerk teloorgegaan, door de Gereformeerde Kerken weer in eere is hersteld. Toen in de vorige eeuw het opkomend Staatssocialisme heel de armenzorg voor den Staat opeischte, hebben onze christenleiders, met Groen van Prinsterer voorop, daartegen geprotesteerd, 't Gold nu immers een Staat, die de armenzorg geheel als zijn taak opeischte en door belasting het geld voor die armenzorg zou innen.

Elk motief van barmhartigheid ontbrak. 't Was rechtsplicht, door ieder burger te vervullen. Geld, gegeven uit barmhartigheid, zoo zei men, was een aalmoes, die dengene vernederde, die het aannam. Daarom moest kerkelijke armenzorg overbodig gemaakt worden, ja, verboden worden door de wet. Niet wordt ontkend ondertusschen, dat de Kerk hieraan mede schuld had, doordat ze schromelijk tekort schoot in haar taak èn door de ergerlijke wijze, waarop zij haar armen „bedeelde". „De herleving van het Calvinisme in de tweede helft der voorgaande eeuw heeft ook voor deze kerkelijke armenzorg eeri nieuw tijdperk ingeluid. Inzonderheid aan onze Gereformeerde Kerken komt de eere toe, dat zij van geen Staatsarmenzorg voor haar armen wilden weten, haar eigen armen uit eigen liefdegaven onderhielden en ook de armenzorg zelve tot veel hooger peil brachten, doordat ze van geen „bedeeling" wilden weten, maar de armen aan huis bezochten, de zwakken ondersteunden om zelf weer een bestaan te vinden en aldus het pauperisme wisten tegen te gaan".

De armenzorg is hierdoor weer op hooger peil gebracht. Dwong weer eerbied af aan de buitenstaanders en het verzet werd versterkt tegen de poging om de Staatsarmenzorg tot alle armen uit te strekken. Hiermee wordt niet ontkend, dat nieuwe tijden nieuwe vraagstukken meebrengen. Gewezen wordt op de sociale wetgeving en de werkloosheid. We kunnen volkomen instemmen mei: wat Prof. K. schrijft : „Maar hoeveel uitbreiding van Staatsbemoeienis deze sociale problemen ook meebrengen mogen, wat ons Nederlandsche volk als een kostbaar kleinood te bewaren en te handhaven heeft, is dat de Kerk van Christus zelve voor haar armen te zorgen heeft en dat ze in dien dienst der barmhartigheid een roeping vervult door Christus, den Hoogepriester der barmhartigheid, haar opgelegd".

De opdracht der Diaconie.

We willen eindigen met wat Ds H. C. Touw schreef in de Kroniek van de laatste aflevering (Jan. 1941) van „Onder eigen Vaandel". Hij wijst er op, dat door de nood een reeks van vragen betreffende de Diaconie aan de orde moest komen. De zegen, hierin gelegen, wordt zóó gezien, dat klemmender dan ooit ten opzichte van de Diaconie de Kerk zich nu moest afvragen : wat is onze opdracht ? wat wordt ons bevolen door den Heer der Kerk ? Bij de armenzorg gaat het er ook alleen om, dat de Kerk gehoorzaam is aan het gebod van haar Heere.

„Ook de dienst der barmhartigheid is geen zaak van louter menschelijken of nationalen aard, maar een instelling van Christus, waarvan Hij de Heer en de Wetgever is. Ook in haar diaconalen arbeid belijdt de Kerk haar geloof aan haar Heer. Zoo is dan de Kerk niet vrij om al of niet gelden in te zamelen, al of niet te besteden de gelden, die haar om Christus' wil zijn toevertrouwd voor Zijn armen. Het is een ontstellend en gevaarlijk gemis aan kerkelijk inzicht, als de inzameling der Diaconie „een noodzakelijk kwaad" in den kerkdienst wordt geacht, een storend „element in de gewijde stilte". Integendeel, van den aanvang af is in de oudste Christen-gemeente de dienst der barmhartigheid ten innigste verbonden met den dienst des Woords en der Sacramenten. Van haar wezen beroofd werd de Diaconie, toen zij Werd geïsoleerd van beide, en daardoor haar profetisch en priesterlijk karakter verloor''. Voorts wordt er op gewezen, dat de inzameling tijdens de kerkdienst normaal moet zijn, de Kerk haar Dienst der barmhartigheid niet uit handen mag geven en zich bij beslissingen ten opzichte van haar diaconaal werk niet mag laten leiden door inzichten, die wezensvreemd zijn aan haar Boodschap.

„De Dienst der barmhartigheid blijve ten nauwste verbonden aan dien van Woord en Sacrament".

't Zal zeker niet overbodig zijn, wanneer al onze Kerkeraden eens een grondige bespreking aan de Diaconale arbeid wijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de kerkelijke Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's