JAARVERGADERING
JAARVERGADERING van den Gereform. Bond op 17 April 1941 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
(Slot).
Hierna kreeg de penningmeester. Ds J. Goslinga, het woord om verslag te doen van zijn financieel beheer. Hij sprak als volgt :
Waar het Paasch-Evangelie nauwelijks 'n enkelen dag geleden onze gehoorgangen met die alleszins bekende klanken liet volloopen, mag het niet één onder ons als iets wonderlijks in de ooren klinken, als wij de vraag, dezelfde vraag, die de Heere, de opgestane Christus, tot Zijne discipelen richtte, ook stellen : „Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt? " De woorden, die hier onmiddellijk op volgen, laten wij nu nog achterwege. Waarover liepen onze gesprekken ? Wat was het onderwerp, waarnaar ge zoo mot beide ooren moest luisteren, wat u geheel in beslag nam ?
Dat waren de zorgvuldigheden van het leven, de geweldige gebeurtenissen van elken dag; ge raakt er niet over uitgesproken.
Dat is iets anders, dan wat die wandelaars daar met z'n tweeën zoo geheel en al in beslag nam. Zij hadden ook iets schrikkelijks, iets, wat hun ziel geheel in beroering bracht, meegemaakt. Zij hadden Hem, van Wien zij de schoonste verwachtingen koesterden, op Wien al hun heil rustte, zien wegzinken in de armen van den dood. Met smaad en hoon, met vloek belaan, echt met de misdadigers gelijkgesteld, zoo was Zijn einde geweest.
Wat aan dit ales vooraf was gegaan, evenzoo wat er op volgde, had, met het einde vergeleken, hen minder dan iets te vertellen. Wij hoopten, dat Hij was, Die Israël verlossen zoude.
Zij waren alles kwijt.
Alles, dat wil zeggen, waarnaar zij gehunkerd hadden met heel hun ziel, dat was gebleken ijdelheid te wezen, schijn inplaats van werkelijkheid.
Zie, dit tweetal, zij waren zoo echt ongelukkig, omdat hun hope, met het oog op hun imeer dan aardsche verwachtingen, was vergaan.
Zou ditzelfde ons ook kunnen gelden omtrent de gesprekken, die in onze omgeving, waar wij elkander ook mogen ontmoeten, worden gevoerd ? 't Is zelden over iets anders dan over de verschrikkingen van den krijg, over dreigende of werkelijke nood, over wat iedereen weet: „Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad".
Weet ge, dat er in dit alles niets anders dan nieuw kwaad schuilt ? Dit tweetal, dat den Heere echt miste, vandaar het leed, dat zich van hun aangezicht liet aflezen — en nu vlechten wij de slotzin er tusschen: „Waarom ziet gij droevig ? " — hen zoodanig in beslag nam, dat zij niet eens gewaar werden dat er iemand, dien zij niet kenden, een voor hen vreemde, naast hen was verschenen. De uit den dood verrezene, de levende Christus, de eenige, die hun ziele liefhad, luisterde naar hun klachten, deelend in hun gemis. Langzamerhand, zonder Zich te laten kennen, alleen door het Woord, gedragen door den Geest, worden hun de gangen van dien Eenigen aangetoond, die om hen van den last der zonde te bevrijden, in dien donkeren weg van den vloekdood was ingegaan en alzoo de poorte des heils had ontsloten. Dat is het kenmerkende van wie waarlijk om den Heere verlegen is, heeft naast zich, zonder te weten, in zijn onmiddellijke nabijheid den Eenigen, die wonden heelt, die u het laat zien : „Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht".
Wilt ge u zien geteekend wat al de uitingen van het menschenhart, inzonderheid als het leed zoo hoog opgolft als in onze dagen, naar voren brengt?
Dan komt er ook een, dien gij niet dadelijk zult herkennen — hij houdt ook zijn aangezicht verborgen — in het gezelschap binnen. Hij wijst u op nog veel meer dan gij tot nu zaagt, alleen de Schriften worden niet geopend. Daar is geen eene klank tusschen, die op heerlijkheid wijst, 't Is en blijft zonde, ongerechtigheid, dood en ondergang. Geen brandende harten, maar opvlammende verterende gloed, die geen anderen naam dragen dan cintels der helle. Hierin toont de menschenmoorder van den beginne zijn satanisch vermogen.
Wij zullen goed doen in dezen de toets ons aan te leggen: „Wat redenen zijn dit, die onze gesprekken zulk een levendigen aanblik verleenden ? "
Uit de gangen van Hem, Die naast ons in ons gezelschap binnenkomt, kunnen wij het vast weten. Is het de Levensvorst, Die aantoont: Ik heb voor u het pad vrijgemaakt. Ik werd tot een smaad, tot een vloek gesteld, opdat gij in Mijne heerlijkheid zoudt deelen. Of is het de menschenmoorder van den beginne, die in alles toont, in woord en daad: ik heb alleen in verderven lust.
Wij zijn hier in vergadering tezaam gekomen om in saamgebondenheid, in eenigheid des geloofs, de daden des Heeren te gedenken.
All zou het niet vastgelegd zijn in onze reglementen, zoo lag het zeker voor de hand, dat op de Jaarvergadering van onzen Bond de Penningmeester een zoo getrouw mogelijk overzicht zal geven van wat wij noemen: de stand van zaken.
Dat is zoó vanzelfsprekend, dat zulks niet eens apart behoeft te worden genoemd.
Een inleidend woord van den Voorzitter. Een overzicht van het heele jaar, dat achter ons ligt, door den Secretaris, wat onzen Bond betreft. En in de laatste plaats komt dan de Penningmeester aan het woord.
Geldt ook hier, dat elke Penningmeester dit doet op zijn eigen wijze. Elke vogel zingt op z'n eigen wijze, al naar hem door den Schepper de tong werd ingeplant. De een heeft een hoogere stem, een ander zingt in lagere tonen — al is de inhoud van het lied ook soortelijk hetzelfde. De een zit hoog in den boom, de ander koos zich een tak iets lager. Waar zij, die een rechten blik hebben ontvangen op hun arbeid, het roerend in eens zullen zijn: „het gezicht naar Boven moet vrij zijn".
De Gever van alle goede en volmaakte giften zal Zijn zegenende hand over elke gift moeten uitbreiden. Dan is de kleinste bijdrage een even groote gift, naar het Woord des Heeren zelfs de grootste, overtreffend. Ons waardeeringsoordeel is dan alleen zuiver afgestemd, als in alles de Hand van den Genadevolle wordt gekend. Immers maar al te gemakkelijk wordt ook door ons het gnoote meer in het oog gevat dan het kleine, trots de duidelijke lijnen, welke de H. Schriften in dezen aangeven, 't Blijft alle tijden hetzelfde: weest nuchteren en waakt.
Wij hebben een jaar achter ons, waarin de menschheid in haar geheel, alle volken, van welk werelddeel ook afkomstig, den moeizamen leergang zich zag voorgeschreven : gij weet niet, wat de dag van morgen u brengen zal.
Een benijdenswaardie positie neemt alleen hij in, die het in waarheid den dichter mag nazingen:
Ik blijf den Heer verwachten; Mijn ziel wacht opgestoord. Ik hoop in al mijn klachten Op Zijn onfeilbaar Woord.
Met den Heere naast zich wordt de meest moeizame tocht wonder gemakkelijk gemaakt en het danklied klinkt op in wijde verten:
'k Zal met mijn gansche hart Uw eer. Vermelden Heer, U dank bewijzen, 'k Zal U in 't midden van de goón. Op hoogen toon, met psalmen prijzen.
't Moge in het oog van wie hierop geen gezicht heeft, indruk maken van al te gemakkelijk prijzen, toch dient hier met omzichtigheid gehandeld, immers hier geldt : wie u aanraakt, raakt Mij aan in het teerste van Mijn wezen.
Over 1940 kan ons oordeel worden saamgevat in een enkele zinsnee : „Getrouwelijk geleid".
't Heeft ons aan geen enkel ding ontbroken tot op heden. De Heere gaf ons meer dan wij durfden verwachten, 'k Zou zelfs één ding apart willen vermelden. Wat in jaren van voorspoed, in z.g.n. rijke jaren, een groot gevaar iriheeft, dat men den Heere niet noodig heeft, omdat men zelf alles zoo heerlijk kan regelen, is thans onmogelijk geworden.
't Is nu taal met een diepen kllankbodem:
'k Sla d' oogen naar 't gebergte heen, Vanwaar ik dag en nacht Des Hoogsten bijstand wacht.
Ziet, dat is het lichtend schijnsel dat ontstoken wordt door des Allerhoogsten hand in de duistere momenten van ons leven.
Ik beveilig uwe paden. Ik doe het, trots en temidden van alle nood der tijden, alleen. Ik maak Mijn beloften waar.
Welzalig hij, die al zijn kracht en hulp alleen van Mij kracht verwacht.
Met het rijkste en het grootste in onze hand kunnen wij nog armer ons gevoelen dan de armste bedelaar, terwijl omgekeerd, in een enkele regendruppel de gansche hemelkoepel ons tegenglanst.
'k Geloof niet, dat er een in ons midden zou durven opstaan om deze waarheid aan te vechten, doch wat niet uitsluit de vraag : zijn de zaken van onzen Gereform. Bond dan niet aan de algemeene moeilijkheden connex?
Hoe staat het er mee? Mij dunkt, dat uit De Waarheidsvriend toch wel genoegzaam kan blijken, dat er aan het mede-leven en mede-zorgen nog wel iets te verbeteren valt.
Dat is een stuk werkelijkheid. De inkomsten blijven in vergelijking met voorafgaande jaren, geen klein percentage achter. Doch dat is zoo erg niet, als de uitgaven hiernaar zich laten regelen. En dat gebeurt.
Beurt de Penningmeester minder, hij geeft ook minder. Het Hoofdbestuur mag hier wel een goedkeuring van zijn Penningmeester beluisteren: „het vertrouwen in ons beleid sterkt ons in ons doen en laten niet weinig".
Eensgezindheid en eenswillendheid is in onze tijden beslist noodzakelijk. De moeilijkheden van onze dagen zijn meer en grooter dan wij gewoon waren, en wat de toekomst in haar schoot houdt, is Gode bekend. Hierop alleen wijst ons de ervaring reeds, dat wat men, tegemoet ziet, in den gewonen levensgang nog iets meer moeite geeft dan men eerst verwachtte.
Voor ons blad, „De Waarheidsvriend", geldt, dat van een overschot, zooals in voorgaande jaren geregeld voorkwam, niet meer een post zal worden gevormd. De opmerking is gemaakt, dat dit zoo erg niet is, als het wel schijnt, omdat de zaak zelve thans een weinig terug vraagt van wat zij zelve heeft aangebracht. Dat is inderdaad niet onjuist.
Hoe het staat met de contributies van leden en afdeelingen?
Net zoo, iets in dalende lijn. Zal dit niet gelden over heel de linie ? Om de getallen naast elkander te plaatsen van vorige jaren en thans, in het algemeen genomen, komt mij dit niet verstandig voor. De Zendings-mededeelingen doen dit geregeld ; toch is het voor wie hunne bijdragen en giften overreikten, niet aangenaam, 't Is alsof ik daarin een aanmerking aanvoel : „ge moest nog een hooger greep hebben gedaan", 'k Weet wel, dat dit zoo niet is bedoeld, veeleer deze: de nood wordt door een rijke bijdrage niet weggenomen. Dit moet in het besef levendig blijven. Thans leg ik u — om duidelijk te demonstreeren u de beide prenten van vorig jaar en nu voor.
Bij de inkomsten is u genoemd een legaat van 1000 gld.
Hieraan is de naam verbonden van wijlen mevr. de wed. Jongebreur.
Piëteitshalve heeft de lust mij vaker dan eens bekropen om de nagedachtenis van onzen vriend en broeder Ds Jongebreur en zijn trouwe echtgenooote met een woord van grooten dank aan God te vermelden. Veel is onze Bond aan hem en haar verplicht.
Not. Zweers te 's-Hage heeft mij op 30 Oct. ten zijnen kantore de 1000 gld. uitbetaald.
Ds Deur, te Renkum, de Test.-executeur, wordt in dezen onze welgemeende dank betuigd.
Spreekbeurten komen thans aan de orde: ƒ 1118.51 1/2 en ƒ 465.11. Dat is geen klein verschil. Hierover maak ik me evenwel minder zorgen dan over de Paaschcollecte: ƒ 3994.16 werd ƒ 3391.66'/2. Dat is betrekkelijk nog niet zooveel verschil.
Maar nu. Waar een kerkcollecte gehouden kan worden, komt alles, naar wij hopen, terecht, maar de Paaschinzamelingen — wat zal hiervan terecht komen ?
Omtrent rente en hypotheken en Staatspapieren mag met groote erkentelijkheid jegens Hem worden getuigd: geen halve cent bleef hier achter.
De vraag aangaande de studeerende jongemannen is mij gedaan : is dit nog wel zoo noodig ? Mijn antwoord luidt nog als voorheen : waar de Heere iets geeft, geeft Hij altijd een overloopende maat. Hij bedeelt niet karig.
Wat de Geref. Kerken ons voor een aanblik geven is toch angstwekkend — zoo hoor ik van meer dan eene kant.
Men weet met de veelheid geen raad. 't Moge eene waarheid in hebben, doch voorzichtigheid in deze ontbreke ons niet. Is 't met heel de studeerende wereld niet een zelfde geval ? Wordt het bij andere groepen dan wèl gedeeld, dit gevoelen, en bij a.s. predikers niet ?
Wat ik zie in de groote steden en talrijke groote gemeenten met bijna even zoovele inwoners, geeft mij te denken. Neen, met ons Studiefonds mag de arbeid niet worden gestaakt. Alleen hierop zij gewezen: de Naam des Heeren dient over alles te worden aangeroepen en Zijne hulp afgesmeekt.
Wat het verscheiden van meerdere predikers aangaat, het meest heeft ons getroffen het voor ons onverwachte en ongedacht heengaan van onzen oud-alumnus Dominé v. d. Hee, laatst prediker te Genemuiden. Zeer kort heeft hij het zoozeer door hem begeerde ambt mogen bedienen. Met volle liefde en overtuiging des harten heeft hij gewerkt. Wat niemand onzer had verwacht, dat deze loopbaan zoo plots zou worden afgebroken, bleek voor hem zelf ten slotte geen verlies.
In vrede ontslapen.
Zijn gedachtenis vure ons allen aan bij onzen arbeid, ook voor het vormen van a.s. Dienaren des Woords.
Wij willen tenslotte onzen arbeid nederleggen aan den voet van den genadetroon. Wijke de Heere met Zijn gunst niet van ons. Zij en blijve ons oog op Hem gericht. Die gezegd heeft: alles wat Ik in het leven heb geroepen, zal Ik ook bij het leven behouden.
Onze bede klimme op: „Verlaat niet wat Uw hand begon, O Levensbron, Wil bijstand zenden".
'k Heb gezegd.
Van de gelegenheid om den penningmeester om inlichtingen te vragen werd gebruik gemaakt door Ds A. Meijers van Utrecht en den heer Van Vliet van Alphen aan den Rijn.
De rekening van den Penningmeester zal worden nagezien door Ds J. C. Wolthers en Ds J. Ch. W. Kruishoop.
De Voorzitter bracht den Penningmeester grooten dank toe voor zijn verslag en zijn vele werk, 't wellk door hem verricht is.
Bij de gehoudene stemming werden de aftredende heeren L. F. Duymaer van Twist, J. L. Verbeek Wolthuys en J. J. Timmer met bijna algemeene stemmen herkozen.
De aftredenden namen de herbenoeming gaarne aan.
De eere-Voorzitter, Ds Van Grieken, nam daarna het woord om de herkozenen geluk te wenschen. Inzonderiheid was het zijn begeerte om in herinnering te brengen dat Z.Exc., de heer Duymaer van Twist, zich reeds ongeveer 35 jaren geleden voor het werk van den Geref. Bond had willen geven. Hij sprak den wensch uit, dat God de Heere hem nog bij vernieuwing kracht mocht schenken.
De heer Hegeman, van Noordwijk aan Zee, had een voorstel ingediend, hetwelk verband houdt met het richtings vraag stuk in onze Kerk. Aangezien het vraagstuk der richtingen de aandacht der Kerk heeft, wil de Voorzitter hierop liever niet vooruitloopen, doch een afwachtende houding aannemen.
De heer Hegeman gaat hiermede gaarne accoord.
De heer Teeuw, van Nieuw-Lekkerkand, zou gaarne willen, dat voortaan de voorstelen voor de jaarvergadering tijdig werden bekend gemaakt, opdat deze in de afdeelingen behandeld kunnen worden.
De Voorzitter gaat met dezen wensch accoord. Echter was dit voor deze jaarvergadering niet noodig, aangezien er geen voorstellen voor de agenda waren.
In dankbare herinnering werd gebracht de nagedachtenis van de zoo vroeg weggenomene predikanten van onzen Gereformeerden Bond : Ds Van Lokhorst, Ds Van Voorthuizen en Ds v. d. Hee.
De Voorzitter sloot de vergadering. De eere-Voorzitter ging voor in dankgebed.
J. J. TIMMER, Secretaris.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's